ECLI:NL:GHAMS:2026:940

ECLI:NL:GHAMS:2026:940

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 200.360.139/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Artikel 1:253a lid 2 en 4 jo. artikel 1:377e BW. Wijziging zorgregeling, dwangsom strekkende tot nakoming zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.360.139/01

zaaknummer rechtbank: C/13/768801 / FA RK 25-3352 (MN/SR)

beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. K. Tülü te Alkmaar.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en

- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige 1] (6 jaar) en [minderjarige 2] (3 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen) met de vader. De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen iedere zondag van 12.00 tot 18.00 uur bij de vader zijn. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat de kinderen bij de vader verblijven om de week van vrijdag uit school tot en met maandag naar school. Daarbij wil de moeder dat een dwangsom wordt verbonden aan de nakoming van de zorgregeling door de vader. De vader is het eens met de zorgregeling zoals vastgesteld in de bestreden beschikking. Verder wil hij dat de moeder hem informeert als de kinderen tijdens haar vakantie ergens anders verblijven, zulks op straffe van een dwangsom.

2. De procedure in hoger beroep

De moeder is op 8 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

De vader heeft op 12 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.

De moeder heeft op 30 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de vader van 30 januari 2026 met bijlagen.

De zitting heeft op 11 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, vergezeld van een kantoorgenoot en bijgestaan door A. Arpat, tolk in de Turkse taal,

- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.

De moeder heeft bij haar verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ook schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van de vader in zijn principaal hoger beroep. Ter zitting heeft de vader daartegen bezwaar gemaakt. Het hof heeft het bezwaar van de zijde van de vader dat hetgeen voorafgaat aan het kopje “verweer incidenteel appel” overwegend als een extra uitlating in het principaal hoger beroep moet worden gezien gevolgd en heeft de moeder ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat dat stuk voor zover daarin een extra reactie op het principaal hoger beroep wordt verwoord, buiten beschouwing zal worden gelaten, omdat een extra schriftelijke ronde niet is toegestaan gelet op de twee-conclusieregel.

Ter zitting heeft het hof de vader de gelegenheid gegeven om zich binnen één week na de zitting uit te laten over de vraag of bij hem mogelijkheden bestaan voor uitbreiding van de zorgregeling. Bij bericht van 19 februari 2026 heeft de vader het hof geïnformeerd dat hij, in aanvulling op de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank, in staat is om omgang met de kinderen te hebben om de week op vrijdag dan wel zaterdag van 17.00 tot 19.00 uur. De moeder heeft de gelegenheid gekregen om daarop te reageren. Bij bericht van 20 februari 2026 heeft de moeder te kennen gegeven dat zij niet akkoord gaat met het voorstel van de vader.

3. De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2019 te [plaats A] , en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 te [plaats B] .

De ouders zijn getrouwd geweest en hun huwelijk is op 13 juni 2023 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 17 mei 2023. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het door de ouders op 6 april 2023 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan zijn de ouders – voor zover hier van belang – de volgende zorgregeling overeengekomen:

- zolang de vader niet beschikt over een zelfstandige woning zal [minderjarige 1] bij de vader verblijven:

iedere woensdag van 11.45 uur tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] van school ophaalt en bij de moeder terugbrengt;

iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] bij de moeder ophaalt en daar terugbrengt;

- zodra de vader beschikt over een zelfstandige woning:

iedere woensdag van 11.45 uur tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] van school ophaalt en bij de moeder terugbrengt;

iedere zaterdag van 10.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] bij de moeder ophaalt en daar terugbrengt;

gedurende de helft van de zomer- en kerstvakantie en de overige vakanties in onderling overleg te verdelen;

- met betrekking tot [minderjarige 2] hebben de ouders afgesproken dat de omgangsmomenten in onderling overleg zullen plaatsvinden. Vanaf het moment dat hij de leeftijd van twee jaar bereikt, zal de zorgregeling met betrekking tot hem gelijk worden getrokken met die van [minderjarige 1] .

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging in zoverre van het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan van 6 april 2023, bepaald dat de kinderen bij de vader zijn iedere zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur.

De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking en naar het hof begrijpt, primair haar inleidende verzoek alsnog toe te wijzen, inhoudende dat de vader de zorgregeling uit het ouderschapsplan dient na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom, per dag of dagdeel dat de vader niet voldoet aan de nakoming van de zorgregeling.

Subsidiair verzoekt de moeder te bepalen dat:

- de kinderen bij de vader verblijven om de week van vrijdag uit school tot en met maandag naar school;

- de vader voornoemde (primair dan wel subsidiaire) zorgregeling dient na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom, per dag of dagdeel dat de vader niet voldoet aan nakoming van de zorgregeling.

De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader te bepalen dat de moeder hem per e-mail tijdig en volledig dient te informeren over de verblijfplaats van de kinderen telkens wanneer de zorg voor de kinderen tijdelijk aan een ander wordt toevertrouwd in verband met een reis/vakantie van de moeder, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de moeder dat nalaat.

De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Zoals de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de verzoeken van de ouders. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

In principaal hoger beroep

De standpunten

De moeder stelt in het hoger beroep aan de orde dat zij het niet eens is met de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld. In eerste instantie wilde zij dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan in stand zou blijven, maar voorop staat voor haar toch dat de kinderen gedurende een volledig weekend bij de vader zijn. Omgang om de week is dan het meest passend. Als de kinderen om de week van vrijdag uit school tot en met maandag naar school bij de vader zijn, kunnen zij daar beter aarden en kan de vader ook bij hun school en andere activiteiten betrokken zijn. De moeder heeft in reactie op de uitlating van de vader na de mondelinge behandeling aangegeven dat zij ook akkoord kan gaan met een regeling waarbij de kinderen op zondag vanaf 12.00 uur tot en met maandag naar school bij de vader zijn.

Op dit moment is sprake van een disbalans in de zorgverdeling en het is van belang dat de vader op het moment dat de kinderen bij hem zijn meer achtereenvolgende zorgdagen op zich neemt. Niet is gebleken dat de vader daartoe geen mogelijkheden heeft. Hij kan als zzp’er zijn eigen werktijden indelen en bovendien zou hij minder kunnen gaan werken, zodat hij de kinderen vaker kan opvangen. De huwelijkse schuld vormt daarvoor geen belemmering, ook de moeder moet daarvan immers de helft afbetalen en daarnaast verdient de vader genoeg en kan hij besparen door minder dure uitgaven te doen. Daarbij is er geen reden waarom de kinderen niet bij de vader kunnen overnachten; niet is gebleken dat de woning van de vader daarvoor ongeschikt zou zijn, zoals hij beweert. Ook geven de kinderen aan dat zij de vader vaker willen zien. Verder is het noodzakelijk dat een dwangsom wordt verbonden aan de nakoming van de omgang. Eerder hield de vader zich niet aan de omgangsafspraken. Ook verzet de vader zich sterk tegen de door de moeder verzochte regeling. De moeder verwacht dan ook niet dat de vader de regeling uit vrije wil zal nakomen. Dat zal onrust voor de kinderen veroorzaken en dat is niet in hun belang.

Volgens de vader heeft de rechtbank de huidige zorgregeling op juiste gronden vastgesteld. Een volledige weekendregeling is voor de vader praktisch niet haalbaar; hij is op vrijdag en zaterdag niet beschikbaar door zijn werk. Het maximaal haalbare voor de vader is om de kinderen wekelijks op zondag en om de week op vrijdag dan wel zaterdag van 17.00 tot 19.00 uur te zien. De vader moet zes dagen per week werken om zijn vaste lasten, kosten voor levensonderhoud en schulden te kunnen betalen. De huwelijkse schuld en vaders andere schulden hebben een grote impact op zijn financiële situatie en hij heeft daardoor niet de mogelijkheid om minder te gaan werken. Daarbij kan de vader zijn uren niet zelf indelen; als pakketbezorger moet hij een wekelijkse planning uitvoeren en de pakketten op bepaalde tijden bezorgen. Hij kan de kinderen dan ook niet naar school brengen of daar ophalen. Bovendien verloopt de omgang nu op stabiele wijze en zijn de kinderen gebaat bij een regeling die de vader goed kan nakomen. Ook is de woning van de vader niet geschikt voor de kinderen om te overnachten. De woning heeft enkel een woon- en slaapkamer en er is overlast doordat er een wietgeur hangt afkomstig van omwonenden. Gelet op het feit dat de vader praktisch niet in staat is om uitvoering te geven aan de door de moeder verzochte zorgregeling, is een dwangsom geen passend middel. Bovendien zou dat nog meer financiële druk op de vader leggen. Ook zou een dwangsom de spanning tussen de ouders verhogen en dat is niet in het belang van de kinderen.

Het advies van de raad

De raad adviseert om de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank te wijzigen, in die zin dat de kinderen om de week van zondagochtend of begin van de middag tot maandag naar school bij de vader verblijven. Op dit moment is er enkel een kortdurend omgangsmoment tussen de vader en de kinderen en het is voor hen van belang dat de vader een grotere rol in hun leven krijgt. Door het omgangsmoment te verlengen kunnen de kinderen meer tijd met de vader doorbrengen en krijgen zij ook meer een eigen plek bij hem. Ook is de vader dan meer betrokken bij het dagelijks leven van de kinderen doordat hij hen naar school brengt. Wel is een knelpunt dat het voor de kinderen belastend is als de vader de zorgregeling niet nakomt en te laat komt of de omgang afzegt. Zij hebben belang bij duidelijkheid en stabiliteit. Dat geldt nog extra voor [minderjarige 1] . Hij is hoogbegaafd en dat gaat vaak gepaard met meer sensitiviteit. Dat vaders drukke bestaan hem beperkt in zijn mogelijkheden voor de omgang neemt niet weg dat hij zijn verantwoordelijkheid als ouder moet nemen. Net als de vader heeft ook de moeder een druk leven en zij moeten samen de zorg voor de kinderen dragen. De raad acht de vader in staat om daarvoor oplossingen te vinden en het is aan hem om zich daarvoor in te spannen. Verder is het voor de kinderen fijn als zij doordeweeks de mogelijkheid hebben om met de vader te (video)bellen, aldus de raad.

De zorgregeling

Het wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a lid 2 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter – voor zover hier van belang – op verzoek van de ouders of van een van hen onder meer een beslissing inzake een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsmede een door ouders onderling getroffen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt in dat geval een zodanige beslissing als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

De beoordeling door het hof

Uit de stukken en op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn in juni 2023 gescheiden. Sindsdien zijn er problemen in hun communicatie ontstaan. De moeder is na de echtscheiding met de kinderen in de echtelijke woning blijven wonen. Op dat moment was de vader op zoek naar een andere woning, die hij na een aantal maanden heeft gevonden. Na het uiteengaan van de ouders is het hen gelukt om in een ouderschapsplan afspraken te maken, onder meer over de omgang, maar daarover zijn zij het nu niet langer eens. Sinds augustus vindt er – zoals in de bestreden beschikking is bepaald – iedere zondag van 12.00 tot 18.00 uur omgang tussen de vader en de kinderen plaats.

Naar het oordeel van het hof is sinds het moment dat de ouders in het ouderschapsplan afspraken hebben gemaakt over de omgang sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de door hen overeengekomen zorgregeling moet worden gewijzigd. Sinds de echtscheiding is de vader meer gaan werken, hetgeen nu een aanzienlijk deel van zijn week in beslag neemt en daarmee invloed heeft op zijn mogelijkheden tot het verzorgen en opvoeden van de kinderen. Uit de door de vader overgelegde stukken blijkt dat hij in juli 2024 een overeenkomst van opdracht is aangegaan en gedurende zes dagen per week werkt, te weten van maandag tot en met zaterdag. Onder die omstandigheden is de door de ouders onderling getroffen zorgregeling, op grond waarvan er – kort gezegd – iedere week op woensdag, zaterdag en zondag omgang met de vader zou moeten zijn, niet (langer) werkbaar.

Het hof acht de vader wel in staat om ruimte te vinden in zijn schema voor het vervullen van meer zorgtaken dan hij nu verricht, en zal daarom ook de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank wijzigen. Met de raad is het hof van oordeel dat de vader zijn verantwoordelijkheid als ouder dient te nemen. Een ouder die het gezag over een kind heeft, heeft niet enkel het recht maar ook de verplichting het kind te verzorgen en op te voeden. De moeder is hoofdopvoeder en draagt al het merendeel van de zorg voor de kinderen, terwijl ook zij een drukke baan heeft. Ook van de vader kan worden verwacht dat hij een groter aandeel dan nu in de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft en betrokken is bij hen. Het hof acht het passend en haalbaar dat de kinderen om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijven, en zal in het licht van het verzoek van de moeder deze regeling aldus vaststellen.

Het hof stelt voorop dat het in het belang van de kinderen is dat zij in het weekend meer tijd met hun vader kunnen doorbrengen. Daardoor krijgen zij de ruimte om de band met hem verder op te bouwen en is daarvoor meer tijd en rust. Gebleken is dat de kinderen ook behoefte hebben aan meer contact met de vader en daarnaar vragen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de woning van de vader niet geschikt is voor de kinderen om te overnachten, zoals de vader beweert. Bij de door het hof vast te stellen zorgregeling kan de vader op vrijdag na zijn werk vanaf 18.00 uur met de kinderen zijn (de vader heeft zelf al aangegeven vanaf 17.00 uur beschikbaar te kunnen zijn) en vervolgens de zaterdag om de week als vrije dag opnemen. De vader heeft aangevoerd dat hij dan twaalf dagen achtereenvolgend moet werken, omdat hij om de week zijn vrije zondag moet wisselen met de zaterdag. Naar het oordeel van het hof heeft de vader echter niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem financieel niet mogelijk is om iets minder te werken. De vader werkt als pakketbezorger en is zzp’er. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij € 1.200,- tot € 1.300,- per week omzet maakt (minimaal € 4.800,- per maand). Daarvan gaan nog af de nodige kosten (denk aan benzine en onderhoud/afschrijving van zijn vervoermiddel) en belasting. Ook moet de vader maandelijks € 150,- als afbetaling voor de huwelijkse schuld aan de ouders van de moeder voldoen.

Het hof gaat bij deze stand van zaken ervan uit dat de vader na aftrek van voornoemde kosten in ieder geval een redelijk bedrag aan inkomsten overhoudt. De vader heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden, nu hij naast de stukken over de huwelijkse schuld geen andere financiële stukken in het geding heeft gebracht. Voor zover de vader heeft gesteld nog andere lasten in verband met schulden te hebben, heeft hij daarin geen inzicht gegeven.

Het hof overweegt verder als volgt. De door het hof vastgestelde zorgregeling brengt met zich mee dat het contactmoment van de vader en de kinderen langer zal duren, aangezien de kinderen een groot gedeelte van het weekend bij de vader verblijven, maar leidt er ook toe dat de frequentie van het contactmoment wordt verminderd van één keer per week naar om de week.

Het hof acht het daarbij in het belang van de kinderen dat zij ook tussentijds nog een contactmoment met de vader hebben. Dat kan fysiek plaatsvinden, bijvoorbeeld tijdens een moment doordeweeks, in de avond of overdag in het geval de vader een dag (gedeeltelijk) vrij kan nemen. De vader kan dan ook betrokken zijn bij de school van de kinderen, hetgeen van belang is voor zijn rol in hun leven. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard daarvoor af en toe de mogelijkheid te hebben. Het hof benadrukt dat het voor de kinderen belangrijk is dat de vader zich daarvoor inspant. In het geval dat een extra fysiek omgangsmoment niet haalbaar is, kunnen de vader en de kinderen telefonisch contact hebben dan wel videobellen met elkaar. De moeder staat open voor een extra contactmoment, fysiek dan wel digitaal, zo heeft zij ter zitting verklaard. Het hof acht de ouders in staat om daarover in onderling overleg afspraken te maken.

Dwangsom

De beoordeling door het hof

Ten aanzien van de dwangsom strekkende tot nakoming van de zorgregeling door de vader overweegt het hof als volgt. Zoals genoemd dient naast de moeder ook de vader zijn verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van de zorg voor de kinderen. Het hof ziet echter dat de vader zich verzet tegen uitbreiding van de (duur van de) contactmomenten met de kinderen. Ook nadat de vader van het hof na de zitting opnieuw de gelegenheid heeft gekregen om zijn mogelijkheden na te gaan, is hij niet met een substantiële uitbreiding gekomen. Dit terwijl er onvoldoende belemmeringen zijn vastgesteld, die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de vader geen mogelijkheden heeft voor meer contact in de door het hof vast te stellen vorm, zoals is toegelicht onder 5.8 en deels onder 5.9.

Ook zijn de kinderen erbij gebaat dat de zorgregeling op stabiele en continue wijze verloopt, zoals de raad ter zitting heeft verklaard. Gelet op de mate waarin de vader zich verzet tegen meer dan wel langere contactmomenten en het belang van de kinderen bij nakoming van de omgang, acht het hof een dwangsom nodig als prikkel voor een juiste en regelmatige nakoming van de zorgregeling. De vader heeft aangevoerd dat een dwangsom niet passend is, aangezien hij financieel genoodzaakt zou zijn om veel te werken. Zoals is toegelicht onder 5.8, heeft de vader niet met financiële stukken onderbouwd dat hij zich in een zodanig benarde financiële positie zou bevinden dat hij daarnaast niet ook zijn vast te stellen aandeel in de zorg voor de kinderen op zich zou kunnen nemen. Daarbij heeft te gelden dat wanneer de vader de regeling nakomt, hij geen financieel nadeel zal ondervinden van deze veroordeling. Een dwangsom is onder deze omstandigheden dan ook een passend middel en het hof zal aan de veroordeling van de vader een dwangsom verbinden.

In incidenteel hoger beroep

Informatieregeling

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:253a lid 2 BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd. De rechter neemt ook in dat geval een zodanige beslissing als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

De standpunten

De vader stelt dat de moeder haar informatieplicht jegens de vader niet nakomt. Zij informeert hem onvoldoende over de verblijfplaats van de kinderen tijdens haar vakanties. De vader wordt daardoor in zijn gezag beperkt. Het is dan ook van belang dat het hof bepaalt dat de moeder de vader volledig informeert en anders een dwangsom verbeurt.

De moeder voert aan dat zij de vader al voldoende informeert wanneer dat nodig is. Daarbij heeft de vader ook het gezag en kan hij dan ook zelf informatie opvragen. De noodzaak van vaders verzoek ontbreekt en er is dan ook geen grond om een dwangsom op te leggen.

De beoordeling door het hof

Het hof overweegt als volgt. Hoewel de communicatie tussen de ouders soms moeizaam verloopt, is het hof gebleken dat zij wel met elkaar kunnen overleggen. Het ligt dan ook op de weg van de ouders om elkaar waar nodig over en weer te informeren over de verblijfplaats van de kinderen tijdens vakanties en het hof acht de ouders daar ook goed toe in staat. Overige informatie over de kinderen kan de vader als gezag dragende ouder, evenals de moeder, zelf opvragen, bijvoorbeeld bij school. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de gevraagde informatieregeling vast te leggen en zal het verzoek van de vader daarover afwijzen. Gelet op het voorgaande zal het hof ook het verzoek van de vader tot het opleggen van een dwangsom aan de moeder om nakoming van de informatieregeling te verzekeren, afwijzen.

Het hof zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren als door de moeder verzocht. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met wijziging van het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan van 6 april 2023 in zoverre, dat de kinderen met ingang van vrijdag 24 april 2026 bij de vader verblijven om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

veroordeelt de vader om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 250,- per keer dat hij voornoemde zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in principaal en incidenteel hoger beroep:

wijst de verzoeken van partijen in hoger beroep voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B.F. Beijderwellen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?