Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in hoger beroep van 26 januari, 24 februari en 9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, de raadsman, de nabestaanden en hun advocaat naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging is aan de verdachte tenlastegelegd, samengevat, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. primair
moord op [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
1. subsidiair
gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
1. meer subsidiair
doodslag op [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
1. meest/uiterst subsidiair
dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
2. primairverkrachting, de dood ten gevolge hebbend, van [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
2. subsidiair
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] , op 18 augustus 2022;
3. primair
wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , in de periode van 18 augustus tot en met 23 augustus 2022;
3. subsidiair
poging tot wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , in de periode van 18 augustus tot en met 23 augustus 2022.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis, daaronder begrepen het daarbij behorende herstelvonnis, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het hof komt tevens tot een andere strafoplegging en beslist anders op de vorderingen van de benadeelde partijen. Tenslotte neemt het hof – anders dan de rechtbank – geen beslissing op het beslag, omdat de verdachte daar ter zitting in hoger beroep afstand van heeft gedaan.
Beoordeling van het bewijs
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en wat ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast die voor de beoordeling van de beschuldiging relevant zijn en die niet ter discussie hebben gestaan.
Aantreffen lichaamsdelen [slachtoffer] in woning verdachte
Op de avond van 23 augustus 2022 werd de verdachte in zijn woning aangehouden. De politie trof op zolder een zwarte teil aan met daarin enkel de romp van een vrouw. In een tweede plastic bak op de zolder werden pakketten, verpakt in vuilniszakken en omwikkeld met tape, aangetroffen. In de pakketten bleken van elkaar gescheiden lichaamsdelen te zitten: een hoofd, twee armen, twee handen, twee benen en twee voeten. De laatste vingerkootjes van de vingers aan beide handen ontbraken. Het bleek te gaan om de lichaamsdelen van [slachtoffer] .
De afspraak
[slachtoffer] adverteerde onder de naam ‘ [persoon 2] ’ als sekswerker op de website [website] . Op 18 augustus 2022 had zij een vriend bezocht en daarna is zij door een taxi afgezet bij de woning van de verdachte. [slachtoffer] had die avond een afspraak met hem. Zij kwamen voor deze afspraak van een uur een tarief van 250 euro exclusief de taxikosten overeen. Om 20.04 uur stuurde [slachtoffer] de verdachte een berichtje dat zij bij zijn woning was gearriveerd. Nadien heeft [slachtoffer] geen berichten meer gestuurd.
De letsels van [slachtoffer] en de doodsoorzaak
De verdachte heeft tijdens acht politieverhoren en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep uitgebreide verklaringen afgelegd over wat er volgens hem in zijn woning is gebeurd en hoe [slachtoffer] is overleden. Hij heeft ook meegewerkt aan een, door de rechtbank gelaste, reconstructie.
Samengevat stelt de verdachte dat hij [slachtoffer] die dag heeft benaderd voor het maken van een seksafspraak bij hem thuis. De verdachte heeft [slachtoffer] eerst betaald en is daarna met haar naar de zolder gegaan, waar zij de verdachte oraal heeft bevredigd. Vervolgens zou [slachtoffer] akkoord zijn gegaan met het voorstel van de verdachte om bondageseks te hebben. De verdachte heeft een stroomstootwapen, een spreidstang, tie-wraps, een bivakmuts en een slaapmasker gepakt, waarna hij [slachtoffer] ’s polsen en hals met tie-wraps aan een halterbank heeft vastgemaakt. In eerste instantie moest zij van de verdachte met haar knieën op de bank gaan zitten. De verdachte heeft de enkels van [slachtoffer] aan de spreidstang vastgemaakt en daarna losgeknipt met een schaartje, omdat [slachtoffer] aangaf dat dit ongemakkelijk voor haar voelde. Daarna is [slachtoffer] met haar voeten op de grond aan weerszijde van de bank gaan staan en heeft de verdachte haar, met haar instemming, anaal gepenetreerd. Toen zij op enig moment aangaf dat zij geen lucht kon krijgen, is de verdachte opzoek gegaan naar een tang, waarvan hij dacht dat die op zolder moest liggen. Hij vermoedde dat de tie-wrap om haar nek te strak zat. De verdachte kon de tang niet vinden en raakte lichtelijk in paniek. Hij heeft er niet aan gedacht om te kijken waaraan het lag dat zij geen lucht meer kon krijgen en dat heeft hij ook niet aan haar gevraagd. Ook heeft hij er niet aan gedacht om te proberen haar in een andere positie te brengen. Hij is naar beneden gerend, naar de schuur om daar een tang te zoeken. Toen hij maximaal vijf minuten later weer op zolder kwam, hing [slachtoffer] bewegingsloos in de tie-wraps en was het voor de verdachte duidelijk dat zij al was overleden.
De verdachte en [slachtoffer] hebben voorafgaand aan haar bezoek en bij aankomst in de woning niet met elkaar gesproken over verdachtes fantasie om bondageseks te hebben. Ook hebben zij geen afspraken gemaakt over welke seksuele handelingen zouden worden verricht.
Verloop van forensisch pathologisch onderzoek
In verschillende fasen van de opsporing en het strafproces is door verschillende deskundigen onderzoek verricht aan de lichaamsdelen van [slachtoffer] .
De pathologen-anatoom van het NFI, [persoon 5] en [persoon 4] , hebben sectie op de lichaamsdelen uitgevoerd en hun bevindingen in een voorlopig en een definitief rapport uiteengezet. [persoon 5] was nadien aanwezig bij de reconstructie en heeft in een aanvullend bericht de vragen van de officier van justitie beantwoord.
In hoger beroep heeft, op verzoek van de verdediging, [persoon 6] , senior forensisch patholoog bij Eurofins TMFI, een second opinion verricht. Tevens heeft zij - in het door haar uitgebrachte rapport - vragen van de advocaat-generaal en de raadsman beantwoord. Op verzoek van het hof hebben de pathologen-anatoom van het NFI vervolgens hun reactie gegeven op het voornoemde rapport. Het hof heeft daarna de advocaat-generaal en de verdediging nogmaals in de gelegenheid gesteld om aan de deskundigen vragen voor te leggen. [persoon 5] en [persoon 4] hebben deze vragen beantwoord in een aanvullend bericht van 23 januari 2026. Daarnaast is door het NFI een, in deze zaak opgemaakt, rapport van gerechtsdeskundige-forensisch patholoog em. prof. [persoon 7] overgelegd. Tenslotte zijn de deskundigen [persoon 5] en [persoon 6] ter zitting in hoger beroep als deskundigen gehoord.
Forensisch pathologische bevindingen en conclusies
Gebleken is dat [persoon 6] en het NFI op diverse punten van mening verschillen en dat zij zijn gekomen tot van elkaar afwijkende constateringen over de doodsoorzaak. Het hof zal eerst uiteenzetten over welke punten de forensisch pathologen het wel eens zijn, waarna de in deze zaak centraal staande discussiepunten worden besproken. Het hof zal vervolgens tot een conclusie over de doodsoorzaak komen.
De deskundigen zijn het eens over het navolgende.
Het lichaam was na het overlijden gekliefd in tien delen, met een extra klievingsvlak aan alle vingers, waarbij de vingertoppen ontbraken. Er waren postmortale veranderingen zichtbaar die passen bij een postmortaal interval van meerdere dagen. Er waren een bij leven opgelopen breuk van de achtste rib links zijwaarts en een bloeduitstorting tussen de negende en tiende rib rechts voorwaarts. De breuk is minstens enkele minuten en minder dan vier dagen voor het overlijden ontstaan. Ter hoogte van de kin bevonden zich meerdere bij leven ontstane bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen. Verspreid over het lichaam, aan de linkerflank, de linkerarm, de benen en de voeten, bevonden zich meerdere aspecifieke bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen. Uit toxicologisch onderzoek bleek dat in het lichaam van [slachtoffer] cocaïne, omzettingsproducten daarvan en cetirizine zijn aangetroffen, die het overlijden niet verklaren.
De forensisch pathologen zijn het niet eens over de meest waarschijnlijke doodsoorzaak van [slachtoffer] .
In hoger beroep heeft de forensische discussie hierover zich toegespitst op het volgende: is er sprake van een breuk in het tongbeen, zijn er bloedingen in de mondbodem- en halsspieren en zijn er wel of geen snoersporen aan de hals.
Het tongbeen
Het NFI komt – ten aanzien van het tongbeen - tot de navolgende bevindingen: Er was een breuk van de linker grote hoorn van het tongbeen, bij leven ontstaan. Deze breuk werd vastgesteld op basis van abnormale beweeglijkheid tijdens de sectie en daarna onmiskenbaar bevestigd bij lichtmicroscopisch onderzoek.Terwijl [persoon 6] stelt: Er is macroscopisch noch lichtmicroscopisch een overtuigend letsel van het tongbeen (geen breuk, geen bloeduitstorting).En verder: De door [persoon 5] gevoelde toegenomen bewegelijkheid van het tongbeen kan goed worden verklaard door de aanwezigheid van cartilago triticiae: een eivormig en kraakbeenvormig gewricht. (…) In dit geval moet er heel voorzichtig worden omgegaan met het beoordelen van lichtmicroscopisch onderzoek, want het hoofd van het slachtoffer was in gevorderde staat van ontbinding met zichtbaar matige tot gevorderde postmortale veranderingen.
In reactie daarop heeft deskundige [persoon 5] verklaard: Ik heb het hoorntje van het lichaam van het tongbeen losgesneden en ben dus bij het voelen van de toegenomen bewegelijkheid van het tongbeen niet verward door de aanwezigheid van cartilago triticiae. Daarbij was sprake van omgevende bloeduitstortingen. Bij lichtmicroscopisch onderzoek waren er slechts geringe postmortale veranderingen.Doordat wij diepere snedes van de coupes hebben gemaakt is de breuk van het tongbeen microscopisch steeds beter zichtbaar geworden.
De mondbodemspieren
Ten aanzien van de mondbodemspieren stelt [persoon 6] : Er was geen bloeduitstorting in de halsspieren of mondbodemspieren. Geen bloeduitstorting maar juist postmortale veranderingen in mondbodemspier. Door autolyse zijn de contouren van bloedvaten op enkele plaatsen niet meer te volgen, met aldaar uitgebreide autolyse (vertering) van rode bloedcellen.
De deskundigen van het NFI beschrijven: In de rechterzijde van de mondbodemspieren was beperkte bloeduitstorting.[persoon 6] brengt ter zitting naar voren: De coupes die ik heb ontvangen waren goed genoeg om te zien dat het weefsel zodanig autolytisch was dat een lichtmicroscopische beoordeling daarvan zoveel belemmeringen ondervindt dat daaraan geen vergaande gevolgen moeten worden verbonden.Waarna [persoon 5] op zitting aangeeft: Wij hebben naar aanleiding van het verschil van inzicht met [persoon 6] diepere snedes van de coupes gemaakt. Het is altijd belangrijk om microscopie te verbinden aan macroscopie en op basis daarvan conclusies te trekken en dat hebben wij gedaan. Bij de revisie van het lichtmicroscopisch onderzoek, komt em. prof. [persoon 7] tot dezelfde conclusie, namelijk dat sprake was van bloeduitstorting in de mondbodemspieren. Daarnaast zijn bij genoemde revisie in diepere sneden van de halsspieren ook bloeduitstortingen aanwezig.
De snoersporen
[persoon 6] rapporteerde over de snoersporen: Aan de hals (…) is een deel van een min of meer bandvormig snoerspoor, loodrecht op de lengteas van het lichaam verlopend, met een breedte van circa 0,5 cm. Aan de nek (…) is een deel van een bandvormig snoerspoor met een breedte van circa 0,5 cm, loodrecht op de lengteas van het lichaam verlopend.In reactie daarop stelt het NFI in een aanvullend bericht: Tijdens de gerechtelijke sectie zijn de hals en de nek bij goede belichting en met manipuleren van de huid zorgvuldig onderzocht; hierbij zijn geen (mogelijke) snoersporen of aanwijzingen daarvoor vastgesteld. De beoordeling van eventuele (discrete) snoersporen aan de hals en nek op basis van de sectiefoto’s wordt bemoeilijkt door postmortale veranderingen (waaronder verkleuring en indroging), aanwezigheid van huidplooien, postmortale manipulatie (klieving van het lichaam) en schaduwwerking. Daarnaast is op een aantal foto’s de huid plaatselijk aangespannen, wat de beoordeling verder bemoeilijkt, omdat hierdoor treklijnen in de weefsels ontstaan. Ter zitting stelt [persoon 5] in aanvulling op het voorgaande: Op de sectiefoto’s zie ik geen snoersporen, maar postmortale manipulatie en -veranderingen, schaduwwerking en treklijnen die zijn ontstaan doordat wij hebben getrokken aan het weefsel.
De deskundigen hebben ter staving van hun conclusies over de doodsoorzaak voornoemde bevindingen geïnterpreteerd. Daarbij hebben zij ook de verklaring van de verdachte betrokken.
[persoon 5] heeft naar aanleiding van de door de verdachte afgelegde verklaring twee hypotheses geformuleerd, namelijk (hypothese 1) de houding van het slachtoffer op de halterbank, vastgebonden met de tie-wrap om de nek/hals van het slachtoffer en de door verdachte uitgevoerde handelingen terwijl het slachtoffer zich in de houding bevindt (o.a. penetratie van achteren en stotende bewegingen) heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. Dan wel dat hypothese 1 vervolgens heeft geleid tot bewustzijnsverlies waarna ze is gaan ‘hangen’ in de tie-wrap en vervolgens is overleden (hypothese 2). [persoon 5] concludeert dat geen van beide voorgestelde scenario’s een goede verklaring biedt voor het overlijden, omdat in beide gevallen er geen goed afsluiten van de bloedvaten in de hals te verwachten valt waardoor het overlijden kan worden verklaard. Een ander scenario is wel mogelijk - hypothese 3 – het slachtoffer is overleden door verwurging. Volgens het NFI zijn de bevindingen veel waarschijnlijker onder de hypothese dat slachtoffer is overleden door verwurging, dan onder hypothese 1 of 2. Op de vraag waarom tot die conclusie wordt gekomen, stelt [persoon 5] dat doorgaans meer letsels te verwachten is bij verwurging dan bij strangulatie. In de hals zitten bloeduitstortingen en, inwendig in de hals, een breuk van het tongbeen. Vanuit de literatuur is bekend dat we bij verwurging in meer dan helft van gevallen dit type letsel zien.
[persoon 6] stelt daarentegen dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door verstikking, ontstaan door bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch omsnoerend, comprimerend geweld op de hals en nek: ligatuurstrangulatie.
In haar rapport staat daarover: Indien de op reconstructiebeelden getoonde toedracht juist is, kan in onderhavige geval overlijden middels een accidentele verhanging door een strak zittende tiewrap om hals en nek worden geconcludeerd. Daarbij hoeft zij niet meteen te zijn overleden, maar kan zij eerst verschijnselen van ademnood (zuurstoftekort) hebben gehad met onwelwording en daarna (in die verhangen toestand) zijn overleden.
Conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak
Het hof gaat voor de bepaling van de doodsoorzaak uit van de bevindingen en de conclusies van het NFI en overweegt daarbij als volgt.
In de eerste plaats acht het hof het van belang dat de deskundigen van het NFI in gezamenlijkheid de sectie hebben verricht en een beoordeling hebben kunnen maken, terwijl en nadat zij de lichaamsdelen in handen hebben gehad en hebben bekeken. Dit acht het hof met name van belang bij de beoordeling van de aanwezigheid van een breuk van het tongbeen - [persoon 5] heeft de bewegelijkheid daarvan kunnen voelen - en in het kader van de beoordeling van de bloedingen aan de mondbodem- en halsspieren, waarbij [persoon 5] heeft uitgelegd dat hij hier macroscopie aan microscopie heeft kunnen verbinden.
Het hof acht de aanwezigheid van deze deskundigen bij de sectie ook doorslaggevend voor de beoordeling van de zichtbaarheid van snoersporen, omdat deze beoordeling enkel op basis van foto’s beperkingen kent, zoals [persoon 5] heeft benadrukt.
Bovendien heeft [persoon 5] aanvullende diepere snedes van de coupes gemaakt en deze lichtmicroscopisch onderzocht. Volgens hem konden op basis daarvan ten aanzien van de tongbeenbreuk en de voornoemde bloedingen nog duidelijkere conclusies worden getrokken. Em. prof. dr. [persoon 7] heeft deze coupes ook gezien en beoordeeld en is gekomen tot dezelfde bevindingen als het NFI.
Het hof benadrukt tenslotte dat ook de overige, hiervoor niet besproken standpunten van [persoon 6] geen verandering hebben gebracht in de keuze van het hof voor het overnemen van de bevindingen en conclusies van het NFI.
Op grond van de onderzoeksbevindingen van het NFI stelt het hof vast dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door (samen) drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals (verwurgen en/of stranguleren).
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde doodslag gevorderd. De advocaat generaal volgt de conclusies van de deskundigen van het NFI betreffende de doodsoorzaak van [slachtoffer] en stelt dat de hoeveelheid en de aard van de letsels die bij het pathologisch onderzoek zijn aangetroffen passen in het scenario dat zij tegen haar wil is vastgebonden, er veel geweld op haar is toegepast en dat zij om het leven is gebracht door verwurging. Volgens de advocaat-generaal is dat scenario overtuigend, terwijl het alternatieve scenario van de verdachte onaannemelijk is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord, de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag en de meer subsidiair ten laste gelegde doodslag. Voor wat betreft het meest subsidiair ten laste gelegde, de dood door schuld, refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof, met het verzoek de verdachte partieel vrij te spreken van het bestanddeel roekeloosheid. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorbedachte raad ontbreekt en niet kan worden vastgesteld dat er een verband is tussen het intreden van de dood en de verkrachting. [slachtoffer] is door een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden tijdens de bondageseks onwel geworden, waarna zij hangende in de tie-wrap om haar hals, is gestikt. De verdachte heeft aldus een alternatief scenario gepresenteerd, dat volgens de verdediging niet door de inhoud van het dossier en objectieve bevindingen kan worden uitgesloten en op belangrijke punten zelfs wordt ondersteund. Forensisch patholoog [persoon 6] acht deze ondersteuning zo sterk dat het scenario van de verdachte door haar als zeer waarschijnlijk wordt gekwalificeerd, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van het verweer als uitgangspunt heeft te gelden dat wanneer een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.
Het hof hecht geen geloof aan het alternatieve scenario van de verdachte over het overlijden van [slachtoffer] en acht dit scenario onaannemelijk. Het hof overweegt in dit verband het volgende.
Het door de verdachte gestelde scenario geeft naar het oordeel van het hof geen verklaring voor de door het NFI vastgestelde doodsoorzaak van [slachtoffer] en het ontstaan van de letsels aan haar lichaam. [persoon 5] heeft, zoals hiervoor weergegeven, onderbouwd waarom het overlijden niet goed verklaard kan worden door deze door de verdachte opgevoerde scenario’s. Bij [slachtoffer] zijn daarnaast een ribbreuk, een groot aantal hematomen en oppervlakkige huidbeschadigingen aangetroffen. Het standpunt van de verdediging dat [slachtoffer] deze letsels al voor de afspraak met de verdachte zou hebben opgelopen, wordt naar het oordeel van het hof niet alleen weersproken door de forensische bevindingen, maar ook door de verklaring van de verdachte zelf, namelijk dat hem aan [slachtoffer] bij haar binnenkomst in zijn woning qua letsels niets is opgevallen. Ook op zolder waar verdachte en [slachtoffer] seks hebben gehad en zij, volgens verdachte, beiden naakt waren, zijn hem geen kwetsuren opgevallen. De getuige [getuige 1] , een vriend van [slachtoffer] bij wie zij voorafgaand aan de afspraak met de verdachte op bezoek was, heeft bovendien verklaard dat hij geen blauwe plekken bij haar heeft gezien. Tenslotte heeft [slachtoffer] ook niet over letsels gesproken met haar zus met wie zij dagelijks contact had.
Dat het de verdachte is geweest die de letsels bij [slachtoffer] heeft toegebracht is daarentegen aannemelijk.
De tongbeenbreuk is gedateerd op talrijke minuten tot enkele uren voorafgaand aan het overlijden, letsel aan de kaakrand op circa enkele tientallen minuten oud en bloeduitstortingen en wondreacties op beide onderbenen op maximaal enkele minuten oud. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [slachtoffer] in de woning van de verdachte deze letsels heeft opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij in die periode bij [slachtoffer] was en er zijn daarnaast geen aanwijzingen in het dossier die duiden op betrokkenheid van een andere dader. Bovendien past het voorgaande bij de geweldsfascinatie van de verdachte, zoals die uit het dossier blijkt. Hij bezocht in de periode rond 18 augustus 2022 regelmatig websites met (porno)films met zeer gewelddadig karakter en was in het bezit van pistolen en attributen die gebruikt kunnen worden bij bondage en sadomasochistische seks, zoals een stroomstootwapen en spreidstangen.
Voorts constateert het hof dat de door de verdachte afgelegde verklaringen weliswaar in grote lijnen steeds met elkaar overeenkomen, maar dat zijn verklaringen inconsequent of ontwijkend zijn wanneer hem gevraagd wordt naar cruciale momenten.
Zo verklaarde hij in het eerste politieverhoor dat de tie-wrap om de nek van [slachtoffer] ‘vrij strak’ zat, terwijl deze later ‘niet zo strak’ zou hebben gezeten en verdachte zijn vinger tussen haar hals en de tie-wrap kon krijgen.
Hij heeft ook wisselend geantwoord op de vraag of en op welke wijze hij met [slachtoffer] overlegd zou hebben over de bondage en de positie waarin zij zou hebben vastgezeten aan de halterbank.
Het hof constateert dat de verdachte vragen over de momenten rondom het overlijden van [slachtoffer] uit de weg gaat. De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het overlijden niet bij haar was, heeft niet kunnen beschrijven in welke staat zij verkeerde toen zij aangaf niet meer te kunnen ademen, heeft niet tegen haar gesproken of überhaupt naar haar gekeken en heeft op dat moment ook niet geprobeerd haar direct te helpen door bijvoorbeeld haar houding te veranderen. Terug op zolder heeft de verdachte niet eens de moeite genomen om te controleren of zij nog ademde, maar heeft hij haar direct voor dood achtergelaten zonder hulp te bieden of hulp in te schakelen. Bij herhaling heeft de verdachte aangegeven dat hij achteraf wellicht anders had kunnen handelen, maar dat dit in het moment niet in zijn hoofd is opgekomen. Het hof acht dat ongeloofwaardig en niet passend bij het ongeluk-scenario dat door de verdachte wordt geschetst.
Daarnaast kan het hof het handelen van de verdachte na het overlijden van [slachtoffer] niet rijmen met diens verklaring dat hij sinds haar overlijden steeds ‘in lichte paniek’ zou zijn geweest en constant in beschonken toestand zou hebben verkeerd. Dit toestandsbeeld past in de visie van het hof niet bij de mate van precisie waarmee de verdachte te werk is gegaan om zich van het lichaam van [slachtoffer] te ontdoen en zijn betrokkenheid bij haar overlijden te verhullen.
Zo heeft de verdachte de pasjes uit het tasje van [slachtoffer] doorgeknipt en door het toilet gespoeld en haar kleding in de wasmachine gedaan. De verdachte heeft ook haar telefoons meegenomen naar- en bewaard in zijn losstaande opslagbox elders in [plaats] . Daar heeft hij plakjes lood afgesneden en de telefoons daarin in verpakt, met het doel dat daarmee het signaal zou wegvallen.
De verdachte heeft verklaard dat hij naar het lichaam van [slachtoffer] heeft zitten kijken en heeft bedacht om haar kleiner te maken om van haar lichaam af te kunnen komen. De verdachte is daarbij zeer zorgvuldig te werk gegaan. Hij heeft verschillende gereedschappen en goederen bij elkaar gezocht, waaronder een snijplank, mes, hakbijltje en ijzerzaag om het lichaam te klieven. De verdachte heeft verklaard dat hij, met een gasmasker op, het lichaam in stukken heeft gekliefd en de lichaamsdelen vervolgens heeft overgoten met bleekmiddel, wat ook uit het pathologisch onderzoek is gebleken. Hij heeft deze lichaamsdelen, met uitzondering van de romp en de laatste vingerkootjes, in vuilniszakken gedaan, dicht getapet en met badkamerreiniger besprayd om eventuele sporen te wissen en heeft daarbij steeds handschoentjes gebruikt. De gereedschappen heeft hij in de douche schoongemaakt en de vingertoppen van [slachtoffer] heeft hij door het doucheputje gespoeld, met als doel te voorkomen dat zijn DNA-materiaal onder haar nagels zou worden aangetroffen. Dit alles laat zich niet rijmen met de door hem gestelde mate van dronkenschap, die hem naar eigen zeggen in staat zou hebben gesteld het lichaam te klieven en past tevens niet bij de resultaten uit het onderzoek aan zijn urine en bloed. Daaruit is namelijk gebleken dat bij hem – op de dag van zijn aanhouding - een relatief laag promillage alcohol werd gemeten, zodat het hof er vanuit gaat dat het handelen van de verdachte hierdoor in elke geval niet in grote mate is beïnvloed, dit terwijl hij die dag, naar eigen zeggen, het hoofd van de romp zou hebben gescheiden.
Het hof acht de hiervoor beschreven handelingen van de verdachte weloverwogen en berekenend en niet passend bij een persoon die in staat van paniek en dronkenschap verkeerde. Dit blijkt ook uit het feit dat verdachte op 18 augustus 2022 tegen middernacht alleen door de McDrive is gereden om daar kennelijk ook eten te kopen. Deze gestelde toestand werd ook overigens niet door de moeder van de verdachte gezien, bij wie hij op zondagavond 21 augustus 2022 is gaan eten, terwijl [slachtoffer] toen deels in delen op zijn zolder lag. Zij heeft verklaard dat zij niets aan haar zoon heeft gemerkt, zijn stemming rustig was en dat zij zelfs het gevoel heeft gehad dat hij relaxt en vrolijk was.
Conclusie hof
Hoewel het onduidelijk blijft wat er zich precies in zijn woning heeft afgespeeld, stelt het hof vast dat de verdachte daar op [slachtoffer] excessief geweld heeft toegepast en dat zij op 18 augustus 2022 om het leven is gekomen door (manuele) verwurging. Het door de verdachte gestelde alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden en zal door het hof als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden ook in onderling (tijds)verband bezien oordeelt het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte dit geweld op [slachtoffer] heeft toegepast en haar ook heeft gewurgd, zodat het hof tot een bewezenverklaring komt van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde doodslag.
Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de onder 2 primair ten laste gelegde verkrachting bewezen wordt verklaard en daartoe aangevoerd dat er, gelet op haar standpunt dat [slachtoffer] tegen haar wil is vastgehouden en dat geweld op haar is toegepast, ook voldoende bewijs is dat zij tegen haar wil anale seks heeft moeten ondergaan. Het is onaannemelijk dat [slachtoffer] , een mondige prostituee, zonder onderhandeling en bijbetaling akkoord is gegaan met bondageseks en anale penetratie op een zolder met beperkte vluchtmogelijkheden. In die situatie was [slachtoffer] niet bij machte zich te verweren of onttrekken en werd zij gedwongen de handelingen door de verdachte te ondergaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde feiten bepleit.
Oordeel van het hof
Omdat het hof in het dossier geen objectieve feiten en daarmee solide aanknopingspunten aantreft op basis waarvan kan worden vastgesteld dat onder dwang seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, dan wel dat sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, zal het hof de verdachte van de onder 2 ten laste gelegde verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving vrijspreken.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van de onder 3 subsidiair ten laste gelegde poging tot het wegmaken van een lijk gevorderd. De verdachte heeft het lichaam gekliefd, de vingertoppen verwijderd en de lichaamsdelen verpakt. Daarbij heeft hij weloverwogen en doordacht gehandeld om niet in de problemen te komen, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde wegmaken van een lijk bepleit en gesteld dat hoogstens sprake is van de subsidiair ten laste gelegde poging daartoe. Het stoffelijk overschot is namelijk niet daadwerkelijk verdwenen, terwijl het pathologisch onderzoek naar de doodsoorzaak wel heeft kunnen plaatsvinden, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
De verdachte heeft verklaard dat hij het lichaam van het slachtoffer in stukken heeft gekliefd, nadat hij eerst haar tien vingertoppen had afgesneden en die door het doucheputje heeft weggespoeld. De overige lichaamsdelen werden door de verdachte los van elkaar verpakt in vuilniszakken en omwikkeld met tape.
Bij de rechtbank heeft de verdachte verklaard dat de bedoeling van de het kleiner maken van het lichaam was om zich ervan te ontdoen, zonder dat dit door de politie of anderen opgemerkt zou worden. Op de vraag wat het doel daarvan was heeft de verdachte onder andere verklaard: “(…) ik had uiteindelijk niet zoveel zin om ervoor de gevangenis in te gaan of gesnapt te worden.” En verder: “Om het hele lichaam in een keer weg te werken ging gewoon niet want het is veel te zwaar. Ik kan het wel in een tapijt rollen, maar dat vind ik ook weer zo cliché om dat achter in je auto te gooien (…). Dus ik heb eigenlijk zo klein mogelijke pakketjes proberen te maken.” Ten aanzien van de vingertoppen heeft de verdachte verklaard: “Dat je wel eens hoort op de televisie dat ze dingen onder je nagels vinden. Dus ik dacht stel dat ik haar dump en ze vinden haar even goed nog.”
Strafbaar is het oogmerk van de verdachte om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hiervan is sprake zodra de handelingen die zijn verricht naar de uiterlijke verschijningsvorm of naar opgave van de verdachte erop gericht zijn te voorkomen dat anderen het lijk waarnemen. Daarvan is hier naar oordeel van het hof, gelet op de handelingen van de verdachte en zijn verklaring daarover, sprake. Daarnaast heeft de verdachte bewust niet de autoriteiten ingelicht en heeft hij daarmee het door artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) beschermde belang geschonden.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van een voltooid delict, dan wel een poging daartoe overweegt het hof het navolgende.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder lijk niet alleen hoeft te worden verstaan een stoffelijk overschot van een mens dat zo compleet is dat dit lichaamsfuncties kan vervullen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat één stoffelijk overschot meerdere “lijken” in de zin van deze bepaling zou kunnen opleveren. Het begrip lijk omvat dus ook delen van een lijk.
In deze zaak zijn delen van het lijk, te weten de tien vingertoppen van het slachtoffer, weggemaakt door deze via het doucheputje weg te spoelen. Daarmee is sprake van een voltooid delict.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. meer subsidiairhij op 18 augustus 2022 te IJmuiden [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door haar hals met zijn handen met kracht samen te drukken en/of samengedrukt te houden, ten gevolge waarvan zij door verwurging is overleden;
3. primairhij in de periode van 18 augustus 2022 tot en met 23 augustus 2022 te IJmuiden het lijk van [slachtoffer] heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Hetgeen onder 1 meer subsidiair en 3 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:
een lijk wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor doodslag, verkrachting en een poging tot het onttrekken van haar lijk tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: de tbs-maatregel met dwangverpleging).
Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest en met oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. De advocaat-generaal heeft daarbij gevorderd dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z Sr wordt opgelegd. De advocaat-generaal is bij de eis uitgegaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om hoogstens een gevangenisstraf van 32 maanden op te leggen bij een bewezenverklaring van meerdaadse samenloop van de onder 1 uiterst subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde feiten. Hij heeft verzocht geen tbs-maatregel op te leggen. De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van voornoemde feiten niet wordt voldaan aan de voor oplegging van een tbs-maatregel vereiste bewezenverklaring van een misdrijf met een strafmaximum van 4 jaren of meer. Subsidiair heeft hij bepleit dat er bij de verdachte ten tijde van de feiten geen sprake was van de vereiste gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis en dat er geen sprake is van herhalingsgevaar. De deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC ) hebben in hoger beroep een stoornis in het gebruik van alcohol vastgesteld, maar deze is matig van ernst. Er zijn door de deskundigen geen aanwijzingen voor andere stoornissen gevonden. De deskundigen hebben geen mogelijke risicofactoren kunnen identificeren en er is geen patroon van ernstige gewelds- of zedendelicten. Daarbij gedraagt de verdachte zich goed in detentie en heeft hij geen positieve urinecontroles gehad. Tenslotte heeft de raadsman bepleit dat daarom ook geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd dient te worden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op de 34-jarige [slachtoffer] en het daarna wegmaken van delen van haar lichaam. Hij heeft haar op grove wijze mishandeld en uiteindelijk door verwurging om het leven gebracht in zijn woning, nadat zij daarnaartoe was gegaan in het kader van haar prostitutiewerk. De verdachte heeft [slachtoffer] haar leven ontnomen. Haar laatste momenten moeten verschrikkelijk zijn geweest. De verdachte heeft haar lichaam vervolgens dagenlang op zijn zolder laten liggen en op gruwelijke wijze in delen gekliefd. De toppen van haar vingers heeft hij weggemaakt door deze door het doucheputje te spoelen om zo zijn opsporing te voorkomen. De verdachte wilde zich om dezelfde reden ook ontdoen van de andere lichaamsdelen, maar zover is het niet gekomen vanwege de komst van de politie. Het handelen van de verdachte duidt op een volstrekt gebrek aan respect en empathie voor zowel [slachtoffer] , als haar nabestaanden, aan wie onherstelbaar en onbeschrijflijk leed is aangedaan. Doordat de verdachte het lichaam zodanig heeft toegetakeld hebben de nabestaanden niet op een waardige manier afscheid van hun geliefde dochter, zus en nicht kunnen nemen. Het handelen van de verdachte heeft een enorme impact op de nabestaanden van [slachtoffer] , zo is wel gebleken uit hun indringende spreekrechtverklaringen. Zo bracht de zus van [slachtoffer] onder meer naar voren dat zij na dagen van wanhopig zoeken naar haar zus, voelde dat haar wereld stilstond toen zij hoorde wat haar was overkomen. Zij verkeert inmiddels in een situatie van eindeloze rouw. De wreedheid van het handelen van de verdachte is voor de nabestaanden onbegrijpelijk, evenals zijn – op zittingen – getoonde onverschillige houding ten opzichte van het menselijk leven en zijn gebrek aan berouw. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Tbs met dwangverpleging
De tbs-maatregel kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast moeten de door de verdachte begane feiten, voor zover hier van belang, een misdrijf betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
Bij de beoordeling van de vraag of bij de verdachte ten tijde van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het dossier waaronder de navolgende rapportages over de persoon van de verdachte:
Het hof heeft voorts acht geslagen op wat de deskundigen psychiater [persoon 13] en GZ-psycholoog [persoon 19] ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht.
In hoger beroep is de verdachte op het verzoek van de verdediging opnieuw in het Pieter Baan Centrum geobserveerd en heeft opnieuw gedragskundig onderzoek plaatsgevonden, waaraan de verdachte slechts gedeeltelijk heeft meegewerkt. De verdachte ging volgens de psychiater en psycholoog weliswaar herhaaldelijk met hen in gesprek, maar hij hield zich daarbij op de vlakte en liet over het algemeen weinig van zichzelf en zijn innerlijke belevingen zien. De verdachte werkte niet mee aan het psychologisch testonderzoek en de psychomotorische observatie en wilde al snel niet meer meewerken met het milieuonderzoek. Ondanks deze beperkingen hebben de deskundigen gesteld dat zij genoeg informatie hebben kunnen verzamelen om tot diagnostische conclusies te komen. Zij hebben in hun rapport van 30 september 2025 onder meer het volgende beschreven:
Uit het geheel van het onderzoek komt naar voren dat hij in samenhang met de emotioneel en affectief verwaarlozende omstandigheden waaronder hij is opgegroeid, nauwelijks gehecht is en - mogelijk vanuit een laag zelfbeeld - weinig (positieve) verwachtingen heeft van anderen. Hij gaat zijn eigen gang, richt zich op zichzelf en is niet erg geïnteresseerd in het wel en wee van anderen (…); eerder kan het voorkomen dat hij neerkijkt op anderen, hen devalueert of wantrouwt. Betrokkene trekt zich weinig aan van sociale conventies, leidt sociaal een tamelijk teruggetrokken leven en heeft vrijwel geen (behoefte aan) wederkerige relaties met anderen. (…) Zijn egocentrische levenswijze (hij verwacht toch niets van de ander) gaat - soms in combinatie met alcoholgebruik - herhaaldelijk gepaard met regelovertredend, onverantwoordelijk en roekeloos gedrag (en dientengevolge met contacten met politie en Justitie). (…) Daarnaast valt echter ook op dat er in het verleden slechts beperkt sprake is geweest van fysiek geweld en betrokkene niet eerder veroordeeld is geweest voor seksueel geweld - hetgeen een zekere mate van controle over zijn impulsen en emoties lijkt te impliceren. Betrokkene is nauwelijks in staat tot zelfkritische reflecties (de egocentrische grondhouding ervaart hij niet als wezensvreemd) en hij uit in het verlengde daarvan vrijwel geen (spontane) spijt of wroeging. Hij is beperkt in staat zich in te leven in de gedachten, gevoelens en motivatie van anderen. Meer in het algemeen lijkt hij emotioneel en affectief tamelijk leeg te zijn. Onderzoekers hebben al met al geen zicht gekregen op diepere wensen en behoeftes. Duidelijk is wel dat hij deze leegte meer recent opvulde met onder andere alcoholgebruik en het kijken naar allerlei al dan niet schokkend beeldmateriaal. Het voorgaande is zo nadrukkelijk en consistent in betrokkenes volwassen leven aanwezig dat gesproken moet worden van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken.
Betrokkene is gewend aan geregeld alcoholgebruik, zodanig dat van een stoornis in het gebruik van alcohol, matig van ernst, gesproken moet worden. Bij betrokkene kan alcohol dempend werken bij onwelgevallige gevoelens (waaronder stress), terwijl het hem ook wat losser kan maken en dan, bij het uitgaan, sociale contacten kan vergemakkelijken.
(…)
Uit de verkregen informatie valt weliswaar af te leiden dat betrokkenes seksualiteit onpersoonlijk is, dat zijn vele seksuele partners inwisselbaar waren en dat hij - blijkens zoektermen, (verwijzingen naar) beeldmateriaal en de bij huiszoeking aangetroffen seksattributen - belangstelling had voor extreme vormen van (gewelddadige en/of vernederende) seks. Dit is echter onvoldoende om met zekerheid een parafiele stoornis of hyperseksualiteit vast te stellen, dan wel uit te sluiten. (…) Voor andere stoornissen dan genoemd zijn in het huidige onderzoek geen aanwijzingen gevonden.
(…)
De persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in het gebruik van alcohol waren - vanwege het chronische karakter daarvan - ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. (…) Mede door betrokkenes stellige ontkenning is het voor ondergetekenden niet duidelijk van welk (gedragskundig) delictscenario moet worden uitgegaan bij het plegen van deze feiten. Vanwege de gelijktijdigheid achten ondergetekenden het waarschijnlijk dat elementen van de bovenbeschreven persoonlijkheidsstoornis op enigerlei wijze van invloed zijn geweest, echter over de wijze waarop en de mate waarin dat het geval zou zijn geweest, kunnen zij geen onderbouwde uitspraken doen. Zo is onvoldoende zicht verkregen op betrokkenes stemmingen, emoties, afwegingen en keuzes direct voorafgaand aan en tijdens deze feiten,
op de eventuele samenhang met de actuele situatie (zoals de interactie met het slachtoffer) dan wel de samenhang met oudere gevoelens (zoals frustraties of woede over zijn ontslag en zijn functioneren sindsdien). Vervolgens is ook niet duidelijk geworden of en zo ja welke elementen van de beschreven persoonlijkheidsstoornis hierbij van betekenisvolle invloed zijn geweest. Tenslotte is evenmin duidelijk geworden of andere, situationele factoren van relevante of meer bepalende invloed zijn geweest op het verloop van de ten laste gelegde feiten. Dat geldt ook voor de invloed van het voorafgaande alcoholgebruik. Gelet op het voorgaande onthouden ondergetekenden zich van een advies over het al dan niet verminderd toerekenen van de feiten 1 en 2. (…) Zij zien bij de uitvoering van feit 3, indien
bewezen, geen - door de persoonlijkheidsstoornis getriggerde - pathologische dynamiek die
hem hiertoe zou hebben aangezet, dan wel zijn keuzevrijheid zou hebben beperkt.
Het hof verenigt zich met de bevindingen van de rapporteurs en neemt hun conclusies over, voor zover deze betrekking hebben op de conclusies ten aanzien van de bij de verdachte bestaande persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken en een stoornis in het gebruik van alcohol. Ook verenigt het hof zich met de conclusie dat deze stoornissen bestonden ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.
Toerekening
Ten aanzien van feit 1 hebben de rapporteurs gesteld dat het waarschijnlijk is dat elementen van de persoonlijkheidsstoornis van invloed zijn geweest en dat dat ook geldt voor de invloed van het alcoholgebruik voorafgaande aan dit feit. De rapporteurs kunnen geen onderbouwde uitspraken doen over de wijze waarop en de mate waarin dit van invloed zijn geweest.
Het hof heeft bezien of de bij de verdachte vastgestelde stoornissen zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde hebben beïnvloed. Het hof is van oordeel dat dit het geval is.
Rapporteurs zien bij de verdachte persoonlijkheidsproblematiek die gekleurd wordt door antisociale kenmerken, zoals een egocentrische levenshouding, onverantwoordelijk en roekeloos gedrag en het gebrek aan berouw en narcistische kenmerken, waaronder het vertonen van eigengereid gedrag en het neerkijken op en devalueren van anderen. Het hof is van oordeel dat deze kenmerken bij uitstek van invloed lijken te zijn geweest op zijn gedragskeuzes, waarin de verdachte dus werd beperkt. Dit geldt ook voor de stoornis in het gebruik van alcohol. Een stoornis die volgens de psychiater forensisch relevant is, omdat de verdachte onder invloed van alcohol een kwade dronk kon hebben zo bleek uit informatie van zijn moeder en ex-vriendin, die aangaven dat zijn karakter veranderde onder invloed van alcohol. De verdachte was met andere woorden als gevolg van zijn stoornissen in mindere mate in staat om in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het door hem gepleegde feit.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de bij de verdachte vastgestelde stoornissen zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde hebben beïnvloed en wel zodanig dat de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde doodslag als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.
Ten aanzien van de uitvoering van feit 3 hebben de rapporteurs geconcludeerd dat de verdachte geheel toerekeningsvatbaar is. Zij zien niet dat de gediagnostiseerde persoonlijkheidsstoornis hem heeft belemmerd in zijn keuzevrijheid ten aanzien van dit feit. De verdachte was in staat om de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te zien. Het hof verenigt zich ook met deze conclusie.
Misdrijf met een wettelijke omschrijving van een gevangenisstraf van vier jaar of meer
Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.
Algemene veiligheid van personen
Het hof acht het niet verantwoord om de verdachte na zijn gevangenisstraf onbehandeld terug te laten keren in de samenleving, gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde handelen en vanwege wat is gebleken over de persoon van de verdachte. In het rapport van 2025 hebben de deskundigen van het PBC weliswaar beschreven dat het voor hen niet mogelijk is geweest om kritisch onderbouwde uitspraken te doen over op de verdachte toegespitste kans op herhaling van (zeer) ernstige gewelds- en/of zedendelicten, maar zij hebben daarbij ook aangegeven dat dat vooral komt doordat het niet duidelijk is wat de gedragskundig relevante risicofactoren bij de verdachte zijn door zijn stellige ontkenning en zijn beperkte medewerking aan het onderzoek. Ook de reclassering heeft, blijkens het advies van 5 november 2025, vanwege de proceshouding van de verdachte geen betrouwbare risicotaxatie kunnen doen. Het hof acht recidivegevaar aanwezig gelet op het volgende. Uit voornoemde rapporten is gebleken dat de verdachte na zijn ontslag niet in staat meer was zijn leven zelfstandig op orde te houden. Hij begon meer alcohol te drinken, kwam in financiële problemen en bekeek veelvuldig schokkend seksueel en gewelddadig videomateriaal. Tegen die achtergrond is hij tot een explosie van geweld tegen [slachtoffer] gekomen. Het hof sluit niet uit dat de verdachte in zijn leven, als hij na een langdurige detentie zonder behandeling vrijkomt, opnieuw problemen zal ondervinden en zijn leven eenzelfde soort wending zal nemen met alle gevolgen van dien. Temeer omdat de verdachte geen ziektebesef of- ziekte inzicht, noch spijt- of schuldgevoel heeft getoond tegenover de onderzoekers van het PBC en ter zitting in hoger beroep. Het hof acht de kans groot dat de verdachte na een langdurige detentie onder invloed van zijn stoornissen opnieuw tot een ernstig strafbare feiten zal komen, indien hij geen adequate behandeling krijgt. Teneinde het risico op gewelddadige recidive tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te brengen, is het noodzakelijk dat de verdachte langdurig klinisch wordt behandeld en dat deze behandeling zal plaatsvinden in een forensisch psychiatrische setting op grond van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Dat de stoornissen van de verdachte in detentie niet tot problemen hebben geleid, doet aan de noodzaak tot behandeling daarvan niet af.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor tbs kan worden opgelegd en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van tbs en van het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Ongemaximeerd
De maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof acht het niet noodzakelijk een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De verdachte zal in het kader van de opgelegde tbs-maatregel worden behandeld en eventueel voorbereid op en begeleid bij een terugkeer in de samenleving. Naar het oordeel van het hof zullen de risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in dat kader voldoende worden gemonitord en ondervangen.
Gevangenisstraf
Doodslag behoort tot de ernstigste delicten die de wet kent. In zaken waarin doodslag bewezen is verklaard worden doorgaans onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van zeer lange duur opgelegd. In deze zaak acht het hof het, gelet op het zeer ernstige en schokkende samenstel van de bewezenverklaarde feiten, in beginsel passend bij het bepalen van de duur daarvan uit te gaan van de daarop van toepassing zijnde wettelijke strafmaxima. Het hof komt dan ook tot een gevangenisstraf van langere duur dan door de rechtbank is opgelegd. In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde.
Het hof stelt tot slot vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep sprake is geweest van overschrijdingen van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, van respectievelijk bijna zeven maanden en ruim vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen gevangenisstraf met drie maanden tot gevolg moet hebben.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partijen
Oordeel van het hof
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (vader), [benadeelde partij 2] (moeder) en [benadeelde partij 3] (zus) hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding. Bij het vonnis waarvan beroep zijn de vorderingen gedeeltelijk toegewezen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard.
Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen.
Het hof zal hierna de afzonderlijke vorderingen bespreken. Daaraan voorafgaand zal het hof enkele, voor de beoordeling van de vorderingen relevante, juridische kaders schetsen.
Juridische kaders
Algemeen
Ingevolge artikel 51f, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kunnen – voor zover van belang – indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
Affectieschade
Indien een persoon onder de in artikel 6:108 lid 4 sub a tot en met f BW genoemde naasten valt of een geslaagd beroep doet op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW) komt hij of zij op grond van artikel 6:108 lid 3 BW voor vergoeding van affectieschade in aanmerking. De hoogte van deze vergoeding is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.
Kosten van lijkbezorging
Op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
Reis- en verblijfkosten in verband met rechtszaak
Kosten van de benadeelde partij voor aanwezigheid bij de rechtszaak zijn aan te merken als proceskosten. Proceskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. Ingevolge artikel 532 Sv (oud: 592a Sv) dient de rechter in zijn uitspraak niettemin tevens te beslissen over de (proces)kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zullen worden gemaakt. Bij begroting van deze kosten wordt in beginsel dezelfde maatstaf gehanteerd als in civiele procedures. De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 238 lid 1 Rv komen reis- en verblijfskosten (van de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij) slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover zonder gemachtigde wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij echter met een gemachtigde of advocaat, dan komen op grond van artikel 238 lid 2 Rv in beginsel slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] – vader van [slachtoffer] - bedraagt € 29.520,93, bestaande uit € 17.500 immateriële schade en € 12.020,93 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft de materiële schade subsidiair gevorderd als proceskosten. Dit deel van de vordering bestaat uit de volgende posten:
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW, in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade, heeft de benadeelde partij als ouder van het (niet thuiswonende) overleden slachtoffer recht op een vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade. Het hof wijst dit deel van de vordering dan ook toe.
Materiële schade
De posten 1 en 3 zien op kosten van lijkbezorging, die niet door de verdediging zijn weersproken. Het hof is van oordeel dat ook deze kosten genoegzaam zijn gesteld en voor zover mogelijk onderbouwd. In de toelichting op de vordering is naar voren gebracht dat de kosten zien op het heen- en weer reizen van de woonplaats van de benadeelde partij in Oekraïne naar Nederland voor het ophalen van de as van zijn dochter en het kopen van een plek op een begraafplaats, bestellen en laten leggen van een grafsteen en het houden van een afscheidsceremonie. Het hof acht het, met de advocaat-generaal, billijk ook deze kosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Derhalve zal de vordering tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging, op grond van artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108 lid 2 BW, worden toegewezen.
Proceskosten
De posten 2 en 4 betreffen reis- en verblijfkosten die verband houden met de onderhavige strafprocedure, zodat deze door het hof als proceskosten worden geduid.
Voor de benadeelde partij is het reeds vanwege zijn woonplaats (in Oekraïne) bijzonder lastig om zonder hulp van een gemachtigde te procederen. Een reële mogelijkheid om zonder gemachtigde te procederen en de vordering zelf ter terechtzitting toe te lichten – in welk geval er in beginsel aanspraak op reiskosten had kunnen worden gemaakt – had de benadeelde partij niet. Zo bezien wringt het dat hij als benadeelde partij geen aanspraak kan maken op reiskosten in de vorm van proceskosten. Daar staat tegenover dat de aanwezigheid van de benadeelden ter terechtzitting gelet op de aard en inhoud van de vordering en het feit dat zij door een gemachtigde worden bijgestaan bezien vanuit hun positie als benadeelde ook niet noodzakelijk is. Het hof ziet gelet hierop geen grond om van het uitgangspunt af te (kunnen) wijken.
Dat de vader van [slachtoffer] in haar hoedanigheid van nabestaande ter zitting aanwezig heeft willen zijn en het spreekrecht heeft willen uitoefenen is volstrekt begrijpelijk en ook relevant voor het strafproces. Daar komt bij dat hij in onzekerheid leeft over wat er precies met (het lichaam van) zijn dochter is gebeurd, terwijl de verdachte daarover op de betreffende zittingen zou hebben kunnen verklaren, zodat hij dit uit zijn mond kon horen. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid om reiskosten toe te kennen aan slachtoffers (nabestaanden) die om die reden ter zitting aanwezig (willen) zijn.
Alhoewel het hof het in het alleszins billijk zou vinden dat de vader van [slachtoffer] de reiskosten vergoed zou krijgen, ziet het – gelet op het bovenstaande juridische kader – geen ruimte om deze reiskosten, ook niet als proceskosten, ten laste van de verdachte te laten komen, omdat de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met bijstand van een gemachtigd advocaat en dus niet in persoon heeft geprocedeerd – terwijl deze kosten ook niet op andere wijze voor vergoeding in aanmerking komen.
Overigens zijn de onder post 4 genoemde kosten ook niet onderbouwd. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.
Conclusie
Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 22.930,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2022. Het hof zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , de moeder van [slachtoffer] , bedraagt € 20.000,- en betreft immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van het hof
Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW, in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade, heeft de benadeelde partij als ouder van het (niet thuiswonende) overleden slachtoffer recht op een vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade. Het hof wijst de vordering dan ook toe tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2022. Het hof zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof zal de vordering voor het overige afwijzen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , de zus van [slachtoffer] , bedraagt € 7931,10 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit de volgende posten:
1. Crematiekosten € 2.195,-
2. Reis- en verblijfkosten in verband met de identificatie van € 1279,38het slachtoffer
3. Reis- en verblijfkosten in verband met het bijwonen van de € 1956,72zittingen en uitoefening van het spreekrecht in eerste aanleg
4. Toekomstige reis- en verblijfkosten in verband met het bijwonen € 2.500,-van de zitting en uitoefening van het spreekrecht in hoger beroep
De benadeelde partij heeft de gevorderde reis- en verblijfkosten subsidiair gevorderd als proceskosten.
Oordeel van het hof
Materiële schade
De onder post 1 genoemde kosten betreffen kosten van lijkbezorging, die niet door de verdediging zijn weersproken. Het hof is van oordeel dat ook deze kosten genoegzaam zijn gesteld en voor zover mogelijk onderbouwd. Het hof acht het, met de advocaat-generaal, billijk ook deze kosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Derhalve zal de vordering tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging, op grond van artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108 lid 2 BW, worden toegewezen.
De onder 2 genoemde reis- en verblijfkosten in verband met de identificatie van het slachtoffer kunnen niet als zodanig worden aangemerkt en ook overigens ziet het hof voor de toewijzing daarvan geen grondslag in de wet, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.
Proceskosten
De posten 3 en 4 betreffen reis- en verblijfkosten die verband houden met de onderhavige strafprocedure, zodat deze door het hof als proceskosten worden gekwalificeerd.
Verwezen wordt hier naar wat in dit kader is opgemerkt bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , de vader van [slachtoffer] . Ook hier geldt dat het volstrekt begrijpelijk en ook relevant voor het strafproces is, dat de zus van [slachtoffer] in haar hoedanigheid van nabestaande ter zitting aanwezig heeft willen zijn en het spreekrecht heeft willen uitoefenen. Alhoewel het hof het in het alleszins billijk zou vinden dat ook de zus van [slachtoffer] de reiskosten vergoed zou krijgen, ziet het hof – gelet op het juridisch kader – geen ruimte om deze reiskosten, ook niet als proceskosten, ten laste van de verdachte te laten komen omdat in deze procedure zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep is geprocedeerd met bijstand van een gemachtigd advocaat en dus niet in persoon. Naar het oordeel van het hof biedt de wet, meer in het bijzonder artikel 238 Rv, in dat geval geen recht op vergoeding van deze schade, terwijl deze kosten ook niet op andere wijze voor vergoeding in aanmerking komen. Overigens zijn de onder post 4 genoemde kosten ook niet onderbouwd. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.
Conclusie
Het hof zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 2.195, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2022. Het hof zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, waaronder begrepen het daarbij behorende herstelvonnis, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.930,04 (tweeëntwintigduizend negenhonderddertig euro en vier cent) bestaande uit € 5.430,04 (vijfduizend vierhonderddertig euro en vier cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.930,04 (tweeëntwintigduizend negenhonderddertig euro en vier cent) bestaande uit € 5.430,04 (vijfduizend vierhonderddertig euro en vier cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 134 (honderdvierendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 augustus 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 augustus 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.195,00 (tweeduizend honderdvijfennegentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.195,00 (tweeduizend honderdvijfennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 augustus 2022.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. R.A.E. van Noort en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van A.E. Harteveld en mr. C.T. Snellenberg, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2026.
Bijlage – Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) met zijn hand(en) met kracht samen te drukken en/of dicht te knijpen en/of samengedrukt en/of dicht(geknepen) te houden en/of een kabelbinder en/of (een) ander(e) voorwerp(en) om haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) vast/dicht/toe te snoeren en/of vast/dicht/toe gesnoerd te houden, ten gevolge waarvan zij (door verwurging en/of strangulatie, althans door verstikking) is overleden;
1. subsidiairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) met zijn hand(en) met kracht samen te drukken en/of dicht te knijpen en/of samengedrukt en/of dicht(geknepen) te houden en/of een kabelbinder en/of (een) ander(e) voorwerp(en) om haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) vast/dicht/toe te snoeren en/of vast/dicht/toe gesnoerd te houden, ten gevolge waarvan zij (door verwurging en/of strangulatie, althans door verstikking) is overleden; welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting, althans wederrechtelijke vrijheidsberoving, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;
1. meer subsidiairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) met zijn hand(en) met kracht samen te drukken en/of dicht te knijpen en/of samengedrukt en/of dicht(geknepen) te houden en/of een kabelbinder en/of (een) ander(e) voorwerp(en) om haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) vast/dicht/toe te snoeren en/of vast/dicht/toe gesnoerd te houden, ten gevolge waarvan zij (door verwurging en/of strangulatie, althans door verstikking) is overleden;
1. meest subsidiairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden, althans in Nederland, roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig, haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) met zijn hand(en) met kracht heeft samengedrukt en/of heeft dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dicht(geknepen) heeft gehouden en/of een kabelbinder en/of (een) ander(e) voorwerp(en) om haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) heeft vast/dicht/toe gesnoerd en/of vast/dicht/toe gesnoerd heeft gehouden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;
2. primairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het met zijn (verdachtes) penis binnendringen van de anus en/of vagina van die [slachtoffer] en/of welk geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft hebben bestaan dat verdachte die [slachtoffer] in een staande en/of voorovergebogen positie bij haar beide polsen en/of bij haar hals en/of bij haar benen/enkels met kabelbinders, althans met voorwerpen heeft vastgemaakt/vastgebonden (vastgezet) aan een fitnessbank en/of aan (een) of meer ander(e) object(en), en/of terwijl hij achter die [slachtoffer] stond haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) met zijn hand(en) met kracht heeft samengedrukt en/of heeft dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dicht(geknepen) heeft gehouden en/of een kabelbinder en/of (een) ander(e) voorwerp(en) om haar luchtpijp en/of haar keel/hals(streek) heeft vast/dicht/toe gesnoerd en/of vast/dicht/toe gesnoerd heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij (door verwurging en/of strangulatie, althans verstikking) is overleden;
2. subsidiairhij op of omstreeks 18 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] bij haar beide polsen en/of bij haar hals en/of bij haar benen/enkels met kabelbinders, althans met voorwerpen, vast te binden aan een fitnessbank en of aan (een) of meer ander(e) object(en);
3. primairhij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2022 tot en met 23 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, het lijk van [slachtoffer] heeft vernietigd, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen;
3. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2022 tot en met 23 augustus 2022 te IJmuiden , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk het lijk van [slachtoffer] te vernietigen, verbergen, weg te voeren en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, het lijk/lichaam van die [slachtoffer] in twintig delen heeft gekliefd en/of tien delen van het lijk/lichaam van die [slachtoffer] (te weten de vingertoppen) heeft vernietigd, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
=========================================================================
[…]