ECLI:NL:GHAMS:2026:958

ECLI:NL:GHAMS:2026:958

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 23-000846-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2024:1911

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot doodslag, witwassen (meermalen gepleegd), voorhanden hebben van een vuurwapen, tweemaal zware mishandeling en een poging tot zware mishandeling, bedreiging en rijden onder invloed. Oplegging gevangenisstraf van 93 maanden met aftrek van voorarrest en tbs met dwangverpleging. Vordering benadeelde partij (ex-partner): toewijzen € 50.000,- immateriële schade en € 3.745,87 materiële schade. De overige benadeelde partijen (minderjarige kinderen) zijn niet-ontvankelijk hun vorderingen. Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden. Beslagbeslissingen,

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000846-24

datum uitspraak: 19 februari 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-255375-23 en 16-331273-22 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2026 en 19 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met een (groot)(keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of met een vleesvork in de nek en/of rug van voornoemde [benadeelde 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 1 oktober 2023, te Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer (contante) geldbedrag(en), in totaal (ongeveer) 97.940 euro en/of luxe horloge(s), althans een of meer voorwerpen

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther P99, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

4

primair hij op of omstreeks 15 juli 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere (grote) (snij)wond(en) in het gezicht, heeft toegebracht door het gezicht van voornoemde [benadeelde 1] in een kapot bierflesje, althans in glas, te duwen en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht van voornoemde [benadeelde 1] te snijden;

subsidiair hij op of omstreeks 15 juli 2023, te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [benadeelde 1] meermaals, althans eenmaal, aan de hoofdharen te trekken en/of het hoofd en/of nek van voornoemde [benadeelde 1] naar beneden te duwen, tengevolge waarvan voornoemde [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel (een of meerdere (snij)wond(en) in het gezicht), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5. hij op of omstreeks 27 juli 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (groot) aantal, althans ongeveer 60 snijwonden, heeft toegebracht door (urenlang) meermaals (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de armen en/of benen en/of billen en/of rug, althans in het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] te snijden en/of te steken;

6.

primair hij op of omstreeks 5 augustus 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde 1] (met kracht) bij/aan haar keel/nek heeft vastgepakt en/of (vervolgens) heeft gewurgd en/of haar keel/nek (met kracht) heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair hij op of omstreeks 5 augustus 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde 1] (met kracht) bij/aan haar keel/nek heeft vastgepakt en/of (vervolgens) heeft gewurgd en/of haar keel/nek (met kracht) heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7. hij op of omstreeks 29 september 2023 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, in de mond van voornoemde [benadeelde 1] te houden en/of een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op de nek van voornoemde [benadeelde 1] te richten;

8. hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, een personenauto (Volkswagen Arteon), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol en/of verdovende middelen, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de

rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring, een andere strafoplegging en andere beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 - primair poging tot moord / subsidiair poging tot doodslag op [benadeelde 1] op 1 oktober 2023 te Amstelveen

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring van poging tot moord kan volgen. Hiertoe voert zij aan dat [benadeelde 2], de minderjarige dochter van de verdachte en [benadeelde 1], hoorde dat haar vader (de verdachte) tegen haar moeder zei: “morgenochtend ga je dood” en “weet je wat ik met je ga doen ik ga je vermoorden”. Ook zoon [benadeelde 3] heeft de verdachte horen zeggen: “jij gaat dood”. [benadeelde 2] rende naar beneden, waar ze zag dat haar vader haar moeder met een mes stak en vervolgens naar een andere hoek van de kamer sleepte, om haar daar nogmaals te steken. De verdachte liep vervolgens naar de keuken om een nieuw mes te pakken, waarmee hij [benadeelde 1] opnieuw te lijf ging. Volgens de advocaat-generaal heeft de verdachte aldus op meerdere momenten de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Dit maakt dat het bestanddeel voorbedachte raad kan worden bewezen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte in een gemoedsopwelling heeft gehandeld. Hij had geen wapens bij zich toen hij naar de woning van [benadeelde 1] ging. Er is een periode van twee uur van discussie en ruzie voorafgegaan aan het steekincident, dat past niet bij een vooropgezet plan. De verdachte heeft niet de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven. Om die reden is geen sprake van voorbedachte raad en dient de verdachte te worden vrijgesproken van de poging tot moord.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt als volgt.

Op 1 oktober 2023 rond 1:42 uur ontving de (112-)meldkamer een noodoproep van de toen 11-jarige [benadeelde 2], dat haar moeder wordt aangevallen door haar vader (de verdachte) en dat haar moeder heel erg gewond is. Ter plaatse gekomen treft de politie aangeefster [benadeelde 1] aan bij haar buren. Zij heeft minstens vier steekwonden in de nek en haar haren, gezicht en kleding zitten volledig onder het bloed.

[benadeelde 1] heeft verklaard dat de verdachte en zij een discussie hadden, waarna hij haar vastpakte, tegen de muur duwde en haar begon te slaan. Toen zij op de grond zat, liep de verdachte naar de keuken, waar hij een mes pakte, liep naar haar toe en begon in haar nek te steken. [benadeelde 1] zag het bloed spuiten en zei tegen de verdachte dat ze dood zou gaan. [benadeelde 2] probeerde tussenbeide te komen. De verdachte pakte een ander mes en stak [benadeelde 1] opnieuw. Toen de andere in de woning aanwezige kinderen naar beneden kwamen, vluchtte de verdachte naar buiten.

Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij met [benadeelde 1] een discussie had over vreemdgaan. Die discussie werd heftiger. Hij weet zich niet veel meer te herinneren, het is een waas. Wel weet hij nog dat hij een mes vast had, dat hij (vermoedelijk) in de keuken gepakt had en dat hij bloed zag.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte tijdens een escalerende ruzie in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De discussie is ontaard in een gewelddadige ruzie waarbij de verdachte kennelijk in heftige drift heeft gestoken. Gelet hierop is niet met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De enkele omstandigheid dat de verdachte na het eerste steken een ander mes gepakt en [benadeelde 1] daarmee weer heeft aangevallen is daartoe onder voornoemde omstandigheden onvoldoende. Ook het gegeven dat de verdachte – kort gezegd – heeft geroepen dat hij ‘haar gaat vermoorden’ maakt dit niet anders. Niet alleen past dit bij het ontstaan van een plotselinge en hevige drift, ook heeft de verdachte geroepen dat hij haar niet nu gaat vermoorden omdat zijn ‘neefjes nu hier logeren’. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van poging tot moord.

Het hof komt op basis van het voorgaande wel tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag. De verdachte heeft [benadeelde 1] meerdere malen met een mes in de nek gestoken. Dat [benadeelde 1] deze aanval heeft overleefd is niet aan de verdachte te danken.

Feit 4 – primair zware mishandeling / subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van [benadeelde 1] op 15 juli 2023 te Amstelveen

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. Hiertoe sluit zij aan bij de overweging van de rechtbank dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is geweest op het toebrengen van zwaar letsel, dat niet anders kan dan dat hij het aanmerkelijke risico op dat gevolg op de koop heeft genomen. Zij voegt hieraan toe dat aangeefster [benadeelde 1] een grote verwonding in het gezicht heeft opgelopen en zij daaraan een litteken van 6 centimeter lang heeft overgehouden. Gelet op de prominente zichtbaarheid in het gezicht van [benadeelde 1] en de grootte van het litteken is sprake van zwaar lichamelijk letsel, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er teveel onduidelijk is om te kunnen vaststellen of al dan niet sprake was van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof stelt op basis van de te bezigen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is op 15 juli 2023 vrijgekomen na een aantal maanden detentie. De verdachte en [benadeelde 1] bezochten een familiefeestje en toen ze thuis kwamen ontstond een discussie, waarbij de verdachte [benadeelde 1] betichtte van vreemdgaan. [benadeelde 1] en de verdachte gingen naar buiten en namen plaats in hun auto. In de middenconsole van de auto stond een glazen flesje Parbo bier, waarvan het bovenste deel was afgebroken. De discussie ging verder en plotseling pakte de verdachte [benadeelde 1] bij de haren en trok haar driemaal naar beneden. Bij de derde keer – zo begrijpt het hof – voelde [benadeelde 1] dat ze bloedde en zei ze tegen de verdachte dat hij moest stoppen. [benadeelde 1] blijkt een grote snijwond in haar gezicht te hebben opgelopen, die in het ziekenhuis is gehecht en waarvan het litteken tijdens de behandeling in hoger beroep nog goed zichtbaar was.

Het hof is van oordeel dat de primair tenlastegelegde zware mishandeling bewezen kan worden. De verdachte heeft zelf het kapotte flesje in de middenconsole geplaatst en wist dus dat het daar stond, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Vervolgens heeft hij het hoofd van [benadeelde 1] driemaal met kracht naar beneden geduwd en bij de derde keer leidde dit tot de snijwond in het gezicht van [benadeelde 1], waardoor zij een ontsierend litteken, en daarmee zwaar letsel, in het gezicht heeft overgehouden. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van dit letsel.

Feit 5 – zware mishandeling van [benadeelde 1] op of omstreeks 27 juli 2023

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van zware mishandeling en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in grote lijnen de verklaring van aangeefster [benadeelde 1] heeft bevestigd.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe voert hij aan dat weinig tot niets bekend is over de precieze aard en omvang van het letsel en dat ook de eventuele duur van het herstel onbekend is. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Bovendien geeft de letselrapportage onvoldoende antwoord op de vraag in hoeverre kan worden vastgesteld dat het geconstateerde letsel is veroorzaakt door het tenlastegelegde handelen van de verdachte.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt als volgt.

De verdachte en aangeefster [benadeelde 1] spraken met elkaar op 27 juli 2023 in de woning van [benadeelde 1]. De verdachte pakte op enig moment een mes en zei tegen [benadeelde 1] dat ze hem moest vertellen met wie ze naar bed was geweest. In het daarop volgende tijdsbestek van circa 00:00 uur tot 9:00 uur heeft de verdachte [benadeelde 1] onderworpen aan vragen, waarna hij haar telkens sneed of prikte met het mes in de benen, armen en in de kuitspier. [benadeelde 1] kon daarna (enige tijd) niet meer lopen waardoor zij een aantal dagen in haar slaapkamer heeft verbleven en daar haar behoefte in een emmer heeft gedaan. Sommige wonden waren dermate diep dat het vlees eruit kwam. Op 3 oktober 2023 heeft bij [benadeelde 1] letselonderzoek plaatsgevonden. Daaruit blijkt van een zeer groot aantal littekens als gevolg van snij- en steekletsels, verspreid over haar lichaam.

Het hof is van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gezien de totaliteit van de toegebrachte verwondingen, de hoeveelheid, de ernst van sommige van de verwondingen, waaronder een kuitspier die dusdanig was toegetakeld dat [benadeelde 1] enkele dagen niet kon lopen. [benadeelde 1] heeft een groot aantal littekens aan de verwondingen overgehouden waarvan moet worden aangenomen dat ten minste een deel daarvan blijvend, of in elk geval zeer lange tijd, zichtbaar is en die haar gehele lichaam ontsieren. De wonden zijn niet gehecht omdat – zo begrijpt het hof de verklaring van [benadeelde 1] – dat het risico mee zou brengen dat de verdachte opgepakt zou worden en mogelijk tbs zou krijgen. Het hof heeft – mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf – geen reden eraan te twijfelen dat de geconstateerde letsels door het tenlastegelegde handelen van de verdachte zijn veroorzaakt.

Feit 6 – poging doodslag / poging zware mishandeling op [benadeelde 1] op 5 augustus 2023

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Hiertoe voert zij aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat met het dichtknijpen van de keel ook de halsslagader kan worden dichtgeknepen, waardoor de bloedtoevoer naar de hersenen wordt belemmerd. Dit kan grote schade aan de hersenen veroorzaken en de dood als gevolg hebben. Als gevolg van de wurging is het slachtoffer buiten bewustzijn geraakt. Verbalisanten hebben waargenomen dat het slachtoffer meerdere bloeduitstortingen had, op ongeveer 5 plekken in de nek. De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als te zijn gericht op de dood van het slachtoffer en het kan niet anders dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag. De raadsman voert aan dat er weinig bekend is over de omstandigheden, zoals hoe lang en met hoeveel kracht de keel is dichtgeknepen. Om die reden kan niet gesteld worden dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de dood zou intreden.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt als volgt.

De verdachte heeft aangeefster [benadeelde 1] bij de nek gepakt en haar geslagen. Hij greep haar bij de keel en begon haar te wurgen (het hof begrijpt: heeft de keel dichtgedrukt). [benadeelde 1] verloor het bewustzijn. Dochter [benadeelde 2] hoorde dat haar moeder en vader ruzie hadden, ze rende naar beneden en zag dat haar vader haar moeder bij de keel greep. Ook zag ze dat haar moeder bewusteloos was.

Verbalisanten kwamen ter plaatse en zagen letsel bij [benadeelde 1], te weten een opgezwollen huid rondom het linkeroog en ongeveer 5 bloeduitstortingen aan de linker- en rechterzijde van de nek.

Het hof kan niet vaststellen dat het dichtknijpen van de keel zodanig lang en met zodanige kracht is gebeurd dat daardoor een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Om die reden wordt de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Wel is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1]. Immers, de verdachte heeft de keel van het [benadeelde 1] dichtgeknepen voor een periode die lang genoeg is geweest om haar het bewustzijn te doen verliezen en met dusdanige kracht dat daardoor blauwe plekken in haar nek zijn ontstaan. Met dit handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel als gevolg van verminderdes bloedtoevoer, zou oplopen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 1 oktober 2023 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals met kracht met een keukenmes in de nek van [benadeelde 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 1 oktober 2023 in Nederland geldbedragen, in totaal 97.940 euro en een luxe horloge,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

3. hij op 1 oktober 2023 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Walther P99, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;

4. primair.hij op 15 juli 2023 te Amstelveen aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote snijwond in het gezicht, heeft toegebracht door het gezicht van [benadeelde 1] in een kapot bierflesje te duwen;

5. hij op of omstreeks 27 juli 2023 te Amstelveen aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een groot aantal snijwonden heeft toegebracht door urenlang meermaals met kracht met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de armen en benen en billen en rug van [benadeelde 1] te snijden en/of te steken;

6. subsidiair.hij op 5 augustus 2023 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [benadeelde 1] met kracht bij haar keel/nek heeft vastgepakt en vervolgens haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7. hij op 29 september 2023 te Amstelveen, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen in de mond van [benadeelde 1] te houden en een vuurwapen op de nek van [benadeelde 1] te richten;

8. hij op 1 oktober 2023 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, een personenauto (Volkswagen Arteon), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol en verdovende middelen, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Het onder 4 primair bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 8 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van gevangenisstraf en maatregel

Oplegging van gevangenisstraf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 10 van jaren, met aftrek van voorarrest, en tot de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (tbs met dwangverpleging). Voorts heeft de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden opgelegd gekregen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 impliciet primair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 primair, 7 en 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf van maximaal 5 jaren en tbs met voorwaarden dient te worden opgelegd. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de wettelijke ‘eis’ dat in geval van een hogere straf dan 5 jaren geen tbs met voorwaarden kan worden opgelegd en de geweldsfeiten volgens psychiater [deskundige 1] slechts in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De raadsman heeft aangevoerd dat hiermee de samenleving voldoende beschermd is, de kans op herhaling wordt teruggebracht tot een aanvaardbare omvang en de verdachte zijn rol als vader kan blijven vervullen. Een ‘lange combinatiestraf’ is ‘zinloos, doelloos en contraproductief’, aldus de raadsman.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft na een periode in detentie waarin hij de overtuiging had gekregen dat zijn partner ontrouw aan hem was zich in een tijdsbestek van minder dan drie maanden schuldig gemaakt aan meerdere zeer ernstige geweldsfeiten jegens zijn partner, vaak onder invloed van alcohol en MDMA en in sommige gevallen in het bijzijn van minderjarige kinderen. Ook heeft hij zijn partner bedreigd, een vuurwapen voorhanden gehad, onder invloed een auto bestuurd en zich schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen en een kostbaar horloge.

Op 15 juli 2023 – de dag waarop de verdachte uit de gevangenis was gekomen na het uitzitten van een straf van 7 maanden – kwamen de verdachte en zijn partner van een feestje. De verdachte betichtte zijn partner van vreemdgaan en er ontstond ruzie. Ze besloten verder te praten in de auto. Op enig moment duwde de verdachte het slachtoffer driemaal met kracht met het gezicht in de richting van een kapot bierflesje, dat in de middenconsole stond. Bij de derde keer raakte het slachtoffer gewond in haar gezicht. Zij heeft hieraan een groot en ontsierend litteken in het midden van haar gezicht overgehouden.

Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer een kleine twee weken later in het tijdbestek van ongeveer 9 uur onderworpen aan een ondervraging over het vermeende vreemdgaan, waarbij hij haar telkens stak, sneed of prikte met een mes als het antwoord hem niet zinde. Het slachtoffer heeft aan deze marteling een zeer groot aantal verwondingen overgehouden, verspreid over het lichaam. Zij heeft enkele dagen op bed moeten verblijven. Tijdens deze ‘martelsessie’ waren er meerdere kinderen in de woning aanwezig, waarvan een aantal de bloedsporen in de woning heeft gezien.

Op 5 augustus 2023 heeft de verdachte het slachtoffer gewurgd, als gevolg waarvan zij enige tijd het bewustzijn verloor. Een van de minderjarige dochters van de verdachte en het slachtoffer kwam naar beneden en trof haar moeder (korte tijd) bewusteloos aan. Het slachtoffer is vervolgens uit de woning kunnen ontsnappen en heeft met behulp van een toevallig aanwezige automobilist de politie ingeschakeld. Dit incident heeft geleid tot een huisverbod voor de verdachte (betreffende de woning van het slachtoffer). Dit verbod heeft de verdachte en het slachtoffer er niet van weerhouden (fysiek) contact te blijven onderhouden.

Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer op 29 september 2023 bedreigd, door een pistool in haar mond te stoppen en op haar nek te richten. Het slachtoffer was op dat moment in de overtuiging dat hij haar dood zou schieten.

Deze periode van emotionele en lichamelijke gruwelijke mishandelingen kwam op 1 oktober 2023 in de woonkamer van het slachtoffer tot een triest dieptepunt, toen de verdachte het slachtoffer meerdere malen in de nek stak. Ook dit keer kwam de dochter van de verdachte en het slachtoffer naar beneden. Zij heeft geprobeerd haar vader tegen te houden, onder meer door hem met een vleesvork te prikken. De kinderen die in de woning aanwezig waren, hebben de politie gebeld. Het is het slachtoffer uiteindelijk gelukt om naar haar buren te vluchten. Na dit feit te hebben gepleegd, vluchtte de verdachte in zijn auto, onder invloed van drank en MDMA, met bij zich een vuurwapen en uit misdrijf afkomstig geld. Uiteindelijk is hij na een ware dollemansrit aangehouden door de politie. Tijdens die rit heeft de verdachte meerdere malen zijn auto op de snelweg stilgezet, heeft de politie meerdere waarschuwingsschoten moeten lossen en is de verdachte uiteindelijk klemgereden en met behulp van een politiehond uit zijn auto getrokken.

De mate waarin de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zijn (inmiddels ex-) partner heeft geschonden is uitzonderlijk ernstig. Zijn overtuiging dat zij vreemdging heeft hem meermaals ernstig grensoverschrijdend gedrag doen vertonen en het slachtoffer heeft hierdoor een aantal maanden in een zeer onveilige situatie geleefd. De verdachte koos ervoor om telkens weer de combinatie van alcohol en drugs te gebruiken, waarmee hij de controle over zichzelf alleen maar verder verloor. Het slachtoffer zal hiervan de psychische en fysieke littekens voor zeer lange tijd, zo niet de rest van haar leven, moeten dragen. Het hof acht het bovendien zeer kwalijk dat minderjarige kinderen getuige zijn geweest van het geweld en in sommige geweldsincidenten betrokken zijn geraakt, omdat zij hun moeder probeerden te redden. De impact die het gewelddadig gedrag van de verdachte op hen moet hebben achtergelaten lijkt moeilijk te overschatten.

Bij de geweldsmisdrijven vallen het verboden wapenbezit, het witwassen (van bijna € 100.000,00 en een kostbaar Rolex-horloge) en het rijden onder invloed tot op zekere hoogte in het niet. Het hof hecht er echter aan te benadrukken dat ook dit ernstige feiten zijn waarvoor doorgaans forse straffen worden opgelegd.

Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer bedreiging, vuurwapenbezit, rijden onder invloed en in een verder verleden voor poging doodslag en openlijk geweld tegen personen. De verdachte liep tijdens het plegen van de voornoemde feiten in een proeftijd voor een bedreiging met een vuurwapen. Dit alles weegt het hof ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de buitengewone ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan is naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur passend en geboden, ter vergelding van het leed dat de verdachte heeft veroorzaakt en vanuit het oogpunt van normstelling. Dat de verdachte op de zitting in hoger beroep duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij zeer afkeurt wat hij heeft gedaan en heeft aangericht, maakt dit niet anders. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de straffen die voor poging tot doodslag, (poging tot) zware mishandeling, bedreiging, witwassen en rijden onder invloed worden opgelegd.

Zoals hierna onder het kopje “Oplegging van tbs-maatregel” nader uiteen wordt gezet, acht het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezenverklaarde feiten, met uitzondering van het witwassen en het verboden wapenbezit. Ten aanzien van die laatste feiten acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Hiermee houdt het hof ten voordele van de verdachte rekening bij het bepalen van de strafhoogte.

Voorts heeft het hof (ten voordele van de verdachte) rekening gehouden met feit dat aan de verdachte de maatregel tbs met dwangverpleging wordt opgelegd, zoals hieronder nader wordt toegelicht.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf van 8 jaren (96 maanden) passend en geboden. Een lichtere straf, zoals door de raadsman bepleit, doet onvoldoende recht aan de veelheid en de buitengewone aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof stelt echter vast dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Immers, het hoger beroep is op 11 april 2024 ingesteld, terwijl het hof op 19 februari 2026 arrest wijst. In een zaak als de onderhavige waarbij de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt een redelijke termijn van berechting in hoger beroep van 16 maanden aangehouden, zodat die termijn hier met ruim 6 maanden is overschreden. Deze overschrijding komt deels omdat op verzoek van de verdachte opnieuw door gedragsdeskundigen is gerapporteerd. Dat mede in aanmerking nemend, ziet het hof aanleiding om de gevangenisstraf met 3 maanden te matigen, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 93 maanden, met aftrek van voorarrest, resteert.

Vanwege de duur van de gevangenisstraf en de oplegging van de tbs-maatregel (zie hieronder) ziet het hof onvoldoende reden om ook een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Oplegging van tbs-maatregel

In eerste aanleg hebben de psychologen [deskundige 2] en [deskundige 3] en psychiater [deskundige 4] Pro Justitia gerapporteerd (rapportages van 30 januari 2024 successievelijk 26 januari 2024). Kort gezegd hebben zij geadviseerd om een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging nieuwe Pro Justitia rapportages uitgebracht. Op 10 juni 2025 heeft GZ-psycholoog [deskundige 5] gerapporteerd en op 17 juli 2025 heeft psychiater [deskundige 1] een rapport uitgebracht. Deze laatstgenoemde gedragsdeskundigen hebben – zakelijk (samengevat) weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd:

(i). De verdachte kampt met verschillende ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkelingen van de geestvermogens. De verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en daarnaast is hij zwakbegaafd. Verder kampt hij met stoornissen in het gebruik van alcohol en amfetamine (MDMA) en was er sprake van een waanstoornis (jaloerse type, op het moment van rapporteren in remissie). Volgens psycholoog [deskundige 5] worden deze stoornissen bij de verdachte ‘gekenmerkt door een beperkte frustratietolerantie en impulsbeheersing, prikkelbaarheid en gebrek aan empathisch vermogen’.

(ii). Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten.

(iii). Psychiater [deskundige 1] adviseert om de feiten 1, 4, 5, 6 en 7 sterk verminderd aan de verdachte toe te rekenen. De psychiater overweegt dat de verdachte ‘geobsedeerd was door het waanidee dat zijn partner vreemdging’ en dat er ‘vanuit zijn psychotische denkwijze voor hem geen alternatief scenario mogelijk was’. De middelenstoornissen en de antisociale persoonlijkheidsstoornis hebben daarbij ook meegespeeld (evenals de zwakbegaafdheid). Het rijden onder invloed (feit 8) is volgens de psychiater verminderd aan de verdachte toe te rekenen, de feiten 2 en 3 zijn wel aan hem toe te rekenen.

Psycholoog [deskundige 5] adviseert de feiten 1, 4, 5, 6 en 7 in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Volgens [deskundige 5] werd het gedrag van de verdachte ‘sterk beïnvloed door de waanstoornis, de persoonlijkheidsproblematiek en de zwakbegaafdheid’. In combinatie met alcohol en amfetamine nam de achterdocht bij de verdachte verder toe. De feiten 2, 3 en 8 zijn volgens de psycholoog volledig aan de verdachte toe te rekenen.

(iv). Over het risico op recidive schrijft psychiater [deskundige 1] dat ‘het risico op recidive van gewelddadig gedrag matig-hoog is als betrokkene geen behandeling krijgt voor zijn psychische stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens’. Een eventuele opvlamming van de waanstoornis – in een relatie kunnen waangedachten mogelijk weer opvlammen, aldus de psychiater – en/of een terugval in middelengebruik zullen (negatieve) invloed op het recidiverisico hebben. Psycholoog [deskundige 5] ‘schat de kans op recidive op zowel de korte- als de (middel-) lange termijn als hoog in als betrokkene zijn leven voor detentie oppakt zonder behandeling van de factoren die de kans op recidive verkleinen. Een eventueel opgelegd behandeltraject zal mogelijk moeizaam verlopen vanwege het beperkte zelfinzicht.’ Er zijn veel risicofactoren en slechts in beperkte mate beschermende factoren aanwezig. De beschermende factoren zijn vooral extern bepaald. Voor het middelengebruik en de antisociale persoonlijkheidsstoornis is een klinische behandeling geïndiceerd.

(v). Beide rapporteurs achtten ter beveiliging van de maatschappij/ het verminderen van de kans op recidive een tbs-maatregel aangewezen. Deze behandeling kan plaatsvinden binnen het kader van de maatregel tbs met voorwaarden mits de strafoplegging dit toelaat. Indien de gevangenisstraf uitkomt boven de vijf jaren, resteert als advies de maatregel tbs met dwangverpleging.

Tussen de rapporteurs bestaat overeenstemming over de diagnostische conclusies en het advies.

De onder (i) en (ii) genoemde conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen. Daarom maakt het hof die tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vast staat dat er bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van (een) ziekelijke stoornis(sen) en (een) gebrekkige ontwikkeling(en) van de geestvermogens. Wat betreft de (mate van) toerekeningsvatbaarheid – waarbij zij opgemerkt dat de mate an sich geen constituerende factor is voor de oplegging van een tbs-maatregel – overweegt het hof als volgt. Het hof onderkent dat [deskundige 1] afwijkend heeft geadviseerd in die zin dat volgens deze deskundige de geweldsfeiten (1, 4, 5, 6, en 7) sterk verminderd aan de verdachte kunnen worden toegerekend. [deskundige 5] komt, evenals de psychologen [deskundige 2] en [deskundige 3] en psychiater [deskundige 4] in hun Pro Justitia rapportages, op dit punt tot verminderde toerekeningsvatbaarheid. In hetgeen [deskundige 1] ter onderbouwing van zijn advies strekkende tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid heeft gerapporteerd, ziet het hof onvoldoende reden om op dit punt af te wijken van de adviezen van de andere gedragsdeskundigen. In het bijzonder weegt het hof de door [deskundige 1] (en [deskundige 5]) geconstateerde waanstoornis, die niet is geconstateerd door [deskundige 2], [deskundige 3] en [deskundige 4], niet zodanig mee dat de mate van toerekenbaarheid als sterk verminderd moet worden beschouwd. Dit betekent dat het hof ten aanzien van – kort gezegd – de geweldsfeiten tot verminderde toerekeningsvatbaarheid komt, hetgeen een matigend effect heeft op de hoogte van de op te leggen straf, zoals hiervoor is overwogen.

Het hof komt voorts tot de conclusie dat de veiligheid van anderen/ de algemene veiligheid van personen de oplegging van een tbs-maatregel eist. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de hiervoor onder (iv) en (v) weergegeven conclusies en adviezen van [deskundige 1] en [deskundige 5], die het hof in zoverre overneemt. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte eerder meermalen (onherroepelijk) is veroordeeld voor (ernstige) geweldsmisdrijven en hij het onder 4 bewezenverklaarde feit heeft gepleegd vrijwel onmiddellijk nadat hij de gevangenis had verlaten. Bovendien liep hij in een proeftijd (vanwege bedreiging en verboden wapenbezit). Kennelijk heeft zelfs een voorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden en een opgelegd behandeltraject (dat nog niet/nauwelijks van de grond was gekomen) hem er niet van kunnen weerhouden om zeer gewelddadige strafbare feiten te plegen. Vanwege de duur van de op te leggen gevangenisstraf, die – rekening houdende met de verminderde toerekeningsvatbaarheid – de duur van vijf jaren ruimschoots te boven gaat, is oplegging van de tbs-maatregel in de vorm van tbs met voorwaarden wettelijk gezien niet mogelijk. Reeds hierom is het hof van oordeel dat oplegging van tbs met voorwaarden geen optie is. Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, eist dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Concluderend stelt het hof vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van tbs en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De maatregel zal worden opgelegd wegens een poging tot doodslag, twee zware mishandelingen, een poging tot zware mishandeling, en een bedreiging. Dit betreffen misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Dit brengt met zich dat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Anders dan door de raadsman bepleit zal het hof, mede in acht nemende hetgeen bij de strafmotivering is overwogen over de aard en ernst van de feiten, geen advies opnemen als bedoeld in artikel 37b lid 2 Sr. Wel hecht het hof eraan nadrukkelijk op te merken dat het de huidige duur van de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek zeer onwenselijk acht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 93 maanden, met aftrek van voorarrest, en tbs met dwangverpleging passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter zitting van 29 januari 2026 voorwaardelijk verzocht om het horen van “de gedragsdeskundigen”, mocht het hof overwegen om tbs met dwangverpleging op te leggen, doch uitsluitend indien de naast deze maatregel op te leggen straf niet langer dan 5 jaren zal zijn. Gelet op de op te leggen straf is voornoemde uitsluitende voorwaarde niet vervuld, zodat het verzoek geen nadere bespreking behoeft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285, 287, 302 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslag

Het hof is van oordeel dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. De volgende voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet:

- 20,4 gram verdovende middelen (G6410973);

- 1 STK pistool (G6402460);

- 1 STK huls (G6402575);

- 1 STK patroon (G6402576);

- 1 STK patroon (G6402629);

- 12 STK patroon (G6407335);

- 20 STK verdovende middelen (G6402561).

Voorts is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en aan de verdachte toebehorende voorwerpen. Om die reden verklaart het hof de volgende, nog niet teruggegeven voorwerpen, verbeurd:

- € 75.000,00 (G6402502);

- € 22.940,00 (G6402464);

- 1 STK horloge (G6403447);

- 1 STK personenauto [kenteken] (G6166380);

- 1 STK mes (G6402720);

- 1 STK mes (G6402721);

- 1 STK mes (G6402718);

- 1 STK mes (G6402719);

- 1 STK mes (G6402716);

- 1 STK mes (G6402715).

Ten aanzien van de volgende in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen oordeelt het hof dat deze dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende:

- € 1,50 ( G6410978);

- 1 STK telefoontoestel (G6402477);

- 1 STK ondergoed (G6402440);

- 1 STK blouse (G6402437);

- 1 STK handdoek (G6402438);

- 1 STK videocamera (G6402584);

- 1 STK badjas (G6407460);

- 1 STK telefoontoestel (G6406547);

- 2 STK sok (G6403063);

- 1 STK riem (G6403087);

- 2 STK schoenen (G6403062);

- 1 STK broek (G6403056);

- 1 STK ondergoed (G6403060);

- 1 STK trui (G6402478);

- 1 STK vork (G6402717);

- 1 STK telefoontoestel (G6402663);

- 1 STK papier (G6402593);

- 1 STK verpakkingsmateriaal (G6402589);

- 1 STK videocamera (G6402579);

- 1 STK beelddrager (G6402578);

- 1 STK telefoontoestel (G6402479);

- 1 STK ring (G6402452);

- 1 STK armband (G6402455);

- 1 STK halsketting (G6402451).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 122.906,92, waarvan € 22.906,92 aan materiële schade en

€ 100.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 22.218,83.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De gevorderde materiele kosten bestaan uit:

Ter toelichting op de gevorderde materiële schade benoemt de advocaat van de benadeelde partij dat, in aanvulling op de stukken die in eerste aanleg zijn overgelegd, een nadere onderbouwing is toegezonden die betrekking heeft op de post ‘kosten in verband met nog te ondergane laserbehandeling’ (post 5). Dit betreft een factuur voor de behandeling van de littekens ten bedrage van € 218,95. Hij merkt daarnaast op dat de gevorderde vergoeding van de tas en kleding door de rechtbank ten onrechte is afgewezen, omdat deze posten voldoende zijn onderbouwd. Voor de overige gevorderde en niet door de rechtbank toegewezen toekomstige materiële schadeposten (het hof begrijpt: de posten 2 en 8 en post 5 voor een bedrag van € 4.380,00 minus € 218,95 = € 4.161,05) verzoekt de advocaat de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Ter toelichting op de immateriële schade heeft de advocaat van de benadeelde partij aangevoerd dat de toekenning van een bedrag van € 20.000,00 door de rechtbank geen recht doet aan de uitzonderlijke aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de verstrekkende gevolgen daarvan op de benadeelde. In dit kader noemt hij onder meer de relationele context waarbinnen het geweld plaatsvond, het stelselmatige karakter, de aanwezigheid van meerdere minderjarige kinderen, het extreme karakter van het gepleegde geweld – met in sommige gevallen het opzet op de dood – en het volledige gebrek aan mededogen. De benadeelde heeft aan het geweld blijvend en onherstelbaar fysiek letsel overgehouden, verspreid over haar hele lichaam. Ook heeft de benadeelde psychisch letsel, in de vorm van een complexe PTSS, ten gevolge van het geweld opgelopen. Hiervoor heeft zij EMDR-therapie moeten volgen.

De benadeelde en haar kinderen hebben bovendien gedurende 21 maanden Intensieve Hulpverlening Vrijwillig (IVH) gevolgd, die bestond uit drie bijeenkomsten per week. Het gevorderde bedrag is volgens de advocaat in lijn met de zogenoemde Rotterdamse Schaal en de lijn in de jurisprudentie.

De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank omtrent de vorderingen van de benadeelde partij opgemerkt dat ook voornoemd bedrag van € 218,95 voor vergoeding in aanmerking komt, evenals de gevorderde schade van de tas en kleding, nu deze posten niet zijn betwist. Voorts stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat een hoger bedrag aan immateriële schade moet worden toegekend dan de rechtbank heeft gedaan.

De verdediging heeft de gevorderde materiële schadevergoeding niet betwist. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de raadsman het hof om daarvan een schatting te maken naar billijkheid.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schadevergoeding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair, 4 primair, 5 en 6 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 3.745,87. Deze schade bestaat kort gezegd uit de posten 1, 3, 4, 5 (tot een bedrag van € 218,95), 6, 7, 9, 10. Nu de verdediging de gevorderde schade in zoverre niet heeft betwist en deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt is de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor de gevorderde toekomstige medische kosten en reiskosten ter hoogte van € 5.000,00, de toekomstige kosten voor lasertherapie aan het gezicht en lichaam ter hoogte van € 4.161,05 en het forfaitaire bedrag voor verhuiskosten ter hoogte van € 10.000,00 geldt dat vooralsnog onvoldoende duidelijk is dat deze schade daadwerkelijk zal optreden terwijl het een onevenredige belasting van het strafproces vormt om de behandeling ter terechtzitting aan te houden met het oog op een nadere onderbouwing. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de ingangsdata van de wettelijke rente per post als volgt bepalen:

- ten aanzien van het eigen risico (post 1 ad € 385,00) op 31 december 2023;

- ten aanzien van de kosten in verband met een ooglidcorrectie (post 3 ad € 975,00)

op 22 januari 2024;

- ten aanzien van de kosten in verband met lasertherapie (camouflagetherapie) gelaat (post 4 ad in

totaal € 298,88): € 148,88 op 28 november 2023 en € 150,00 op 8 januari 2024;

- ten aanzien van de kosten voor microneedling van het gelaat (post 5 ‘camouflagetherapie’,

toegekend tot een bedrag van € 218,95) op 16 december 2025;

- ten aanzien van de kosten in verband met fysiotherapie, (post 6 ad € 500,00) op 19 februari 2024;

- ten aanzien van de kosten voor een nieuw messenblok (post 7 ad € 59,95) op 1 oktober 2023;

- ten aanzien van de kosten tas (post 9 ad € 1.153,16) op 15 juli 2023;

- ten aanzien van de kosten kleding (post 10 ad € 154,93) op 15 juli 2023.

Immateriële schadevergoeding

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast.

De verdachte heeft gedurende een aantal maanden herhaaldelijk een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de benadeelde, als gevolg waarvan zij een complexe PTSS (diagnose door een arts) en vele verwondingen heeft opgelopen. De fysieke en emotionele gevolgen zal de benadeelde partij vermoedelijk voor de rest van haar leven ervaren. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen daaromtrent in de strafmotivering is overwogen. De benadeelde kan dus zowel op – kort gezegd – de grond ‘lichamelijk letsel’, als de grond ‘aantasting in persoon op andere wijze’(als bedoeld in artikel 6:106, lid 2 BW) aanspraak maken op een schadevergoeding.

Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof de Rotterdamse Schaal geraadpleegd en rekening gehouden met wat rechters in soortgelijke zaken toekennen.

Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 50.000,00. De verdachte is tot de vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering in zoverre nadere onderbouwing en debat vergt, hetgeen naar het oordeel van het hof tot een onevenredige belasting van het strafgeding leidt. Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023 en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.000,00 aan immateriële bestaande uit schokschade, dan wel aantasting in de persoon anderszins. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend.

Vast staat dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de moeder van de benadeelde partij, het primaire slachtoffer [benadeelde 1]. De vraag die aan het hof voorligt, is of de schade die [benadeelde 2], dochter van [benadeelde 1], als derde als gevolg daarvan heeft geleden voor vergoeding in aanmerking komt.

Op grond van artikel 6:95, eerste lid, BW bestaat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Voor een aanspraak op vergoeding van personenschade is dus allereerst een wettelijke grondslag voor aansprakelijkheid (voor zover hier van belang: een onrechtmatige daad) vereist.

Voor anderen dan het slachtoffer (‘derden’) die schade lijden door de verwonding of het overlijden van het slachtoffer, bieden de artikelen 6:107, 107a en 108 BW aan bepaalde derden een recht op vergoeding van bepaalde vormen van schade. Deze artikelen zien echter niet op de onderhavige vordering van [benadeelde 2]. Daarbij overweegt het hof ten aanzien de artikelen 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en 6:108, derde lid, BW het volgende. Deze artikelen bieden aan een in beginsel in de wet limitatief omschreven kring van naasten en nabestaanden, een aanspraak op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag aan smartengeld, de zogenoemde ‘affectieschade’. Het moet dan gaan om het overlijden van – kort gezegd – het (directe) slachtoffer dan wel ‘ernstig en blijvend letsel’. Van ‘ernstig en blijvend letsel’ is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Zonder af te doen aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor [benadeelde 1] heeft gehad, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat sprake is van ‘ernstig en blijvend letsel’ als hiervoor bedoeld. De benadeelde kan aldus geen aanspraak maken op affectieschade. Overigens is namens de benadeelde partij ook geen beroep gedaan op deze grondslag.

Verder kan door een derde aanspraak worden gemaakt op immateriële schade in geval de dader het oogmerk had dergelijke schade aan de derde toe te brengen, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Ook die situatie doet zich niet voor. Immers, uit het dossier volgt niet dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om specifiek aan [benadeelde 2] immateriële schade toe te brengen.

Tot slot kan onder omstandigheden op grond van de zogenoemde schok- of shockschade aanspraak worden gemaakt op vergoeding van schade. Het moet dan gaan om een geval waarin iemand (de verdachte) een ander door een misdrijf doodt of verwondt, en daardoor ook onrechtmatig handelt tegenover degene bij wie de confrontatie met dat misdrijf (of de gevolgen daarvan) een hevige emotionele schok teweeg brengt. Op deze schokschade komt het hof hierna terug.

Buiten deze gevallen bestaat voor een derde geen aanspraak op schadevergoeding die het gevolg is van de verwonding, het overlijden of anderszins kwetsing van een ander. De wetgever heeft bewust voor deze begrenzing gekozen. Ook bij de invoering van de aanspraak op vergoeding van affectieschade in 2019 heeft de wetgever bewust aan deze begrenzing vastgehouden.

Wat betreft het beroep op schokschade overweegt het hof het volgende. Zoals hiervoor overwogen kan iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Daarbij geldt dat voor vergoeding van schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. De vaststelling door de rechter dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd. Als de rechter op grond van een rapportage van een deskundige tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel, kan hij tot toewijzing van schadevergoeding overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

Uit het dossier komt naar voren dat [benadeelde 2] het op haar moeder uitgeoefende geweld zelf heeft waargenomen (feiten 1 en 6), dan wel direct daarna de met de gevolgen daarvan is geconfronteerd (feit 5). Ondanks dat het hof er niet aan twijfelt dat deze confrontaties een grote impact hebben gehad op [benadeelde 2] is het hof van oordeel dat ook deze omstandigheden an sich niet kunnen leiden tot toewijzing van immateriële schadevergoeding aan [benadeelde 2], aangezien het gestelde geestelijk letsel naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate objectiveerbaar kan worden vastgesteld. De advocaat van [benadeelde 2] heeft, hoewel daartoe uitdrukkelijk door het hof uitgenodigd, geen stukken overgelegd van een arts of andere deskundige die het gestelde geestelijk letsel van [benadeelde 2] kunnen onderbouwen. Anders dan de advocaat van [benadeelde 2] heeft betoogd, zijn ook anderszins geen stukken overgelegd als hiervoor bedoeld. De overgelegde Start- en afsluitbrieven over het IHV-traject van 7 maart 2024 successievelijk 6 januari 2026 kunnen in elk geval deze leemte niet opvullen, nu die brieven – waarin slechts in zeer algemene bewoordingen wordt geschreven over ‘intensieve hulpverlening’ – geen blijk geven van het bestaan van in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel bij [benadeelde 2].

Uit het voorgaande volgt dat [benadeelde 2], die niet het directe slachtoffer is geweest van het door de verdachte gepleegde geweld en in zoverre niet als het primaire slachtoffer kan worden aangemerkt, op grond van het thans ter beschikking staande dossier geen aanspraak heeft op vergoeding van de gestelde immateriële schade. Dat, zoals de rechtbank in haar vonnis al overwoog, de bewezenverklaarde geweldsdelicten uitermate belastend voor [benadeelde 2] zijn (geweest), lijdt geen twijfel maar in dit geval evenmin tot een ander oordeel.

Nu het aanhouden van de behandeling de zaak ter nadere onderbouwing van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding komt het hof tot de slotsom dat de benadeelde partij [benadeelde 2] gelet op het voorgaande niet in de vordering kan worden ontvangen en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat er evenmin een grondslag bestaat voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

De benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] – zoon en dochter van [benadeelde 1] – hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in beide gevallen € 15.000,00 bestaande uit schokschade, dan wel aantasting in de persoon. Beide vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00.

Beide benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het dossier volgt dat beide kinderen op 1 oktober 2023 zijn geconfronteerd met de directe gevolgen van het op hun moeder uitgeoefende geweld. Zij hebben hun zwaar toegetakelde moeder vanuit de met bloed besmeurde woning naar de buren begeleid na het door de verdachte uitgeoefende geweld.

Uitgaande van en verwijzende naar wat het hof zojuist bij de bespreking van de vordering van [benadeelde 2] aan kaders en de beoordeling daarvan heeft weergegeven, komt het hof ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] tot een gelijkluidende conclusie.

De benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] kunnen gelet op het voorgaande niet in hun vorderingen worden ontvangen en deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat er evenmin een grondslag bestaat voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ter hoogte van € 7.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

[benadeelde 5] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het dossier volgt dat [benadeelde 5] geen directe getuige is geweest van wat haar moeder [benadeelde 1] bij de bewezenverklaarde geweldsfeiten is aangedaan.

Het hof is, uitgaande van en verwijzende naar wat het hof zojuist bij de bespreking van de vordering van [benadeelde 2] aan kaders en de beoordeling daarvan heeft weergegeven, van oordeel dat er geen basis is voor toewijzing van de vordering en dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv.

De benadeelde partij [benadeelde 5] kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv, bestaat evenmin grondslag voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr.

Vordering tenuitvoerlegging in 16-331273-22

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf dient te worden toegewezen.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan verschillende strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 (drieënnegentig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- € 75.000,00 (G6402502);

- € 22.940,00 (G6402464);

- 1 STK horloge (G6403447);

- 1 STK personenauto [kenteken] (G6166380);

- 1 STK mes (G640766);

- 1 STK mes (G6402720);

- 1 STK mes (G6402721);

- 1 STK mes (G6402718);

- 1 STK mes (G6402719);

- 1 STK mes (G6402716);

- 1 STK mes (G6402715).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 20,4 gram verdovende middelen (G6410973);

- 1 STK pistool (G6402460);

- 1 STK huls (G6402575);

- 1 STK patroon (G6402576);

- 1 STK patroon (G6402629);

- 12 STK patroon (G6407335);

- 20 STK verdovende middelen (G6402561).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- € 1,50 ( G6410978);

- 1 STK telefoontoestel (G6402477);

- 1 STK ondergoed (G6402440);

- 1 STK blouse (G6402437);

- 1 STK handdoek (G6402438);

- 1 STK videocamera (G6402584);

- 1 STK badjas (G6407460);

- 1 STK telefoontoestel (G6406547);

- 2 STK sok (G6403063);

- 1 STK riem (G6403087);

- 2 STK schoenen (G6403062);

- 1 STK broek (G6403056);

- 1 STK ondergoed (G6403060);

- 1 STK trui (G6402478);

- 1 STK vork (G6402717);

- 1 STK telefoontoestel (G6402663);

- 1 STK papier (G6402593);

- 1 STK verpakkingsmateriaal (G6402589);

- 1 STK videocamera (G6402579);

- 1 STK beelddrager (G6402578);

- 1 STK telefoontoestel (G6402479);

- 1 STK ring (G6402452);

- 1 STK armband (G6402455);

- 1 STK halsketting (G6402451).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 4 primair, 5 en 6 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 53.745,87 (drieënvijftigduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en zevenentachtig cent), bestaande uit € 3.745,87 (drieduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 4 primair, 5 en 6 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.745,87 (drieënvijftigduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en zevenentachtig cent), bestaande uit € 3.745,87 (drieduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 237 (tweehonderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade:

- ten aanzien van het eigen risico (post 1 ad € 385,00) op 31 december 2023;

- ten aanzien van de kosten in verband met een ooglidcorrectie (post 3 ad € 975,00) op 22 januari 2024;

- ten aanzien van de kosten in verband met lasertherapie (camouflagetherapie) gelaat (post 4 ad in totaal € 298,88): € 148,88 op 28 november 2023 en € 150,00 op 8 januari 2024;

- ten aanzien van de kosten voor microneedling van het gelaat (post 5 ‘camouflagetherapie’, toegekend tot een bedrag van € 218,95) op 16 december 2025;

- ten aanzien van de kosten in verband met fysiotherapie, (post 6 ad € 500,00) op 19 februari 2024;

- ten aanzien van de kosten voor een nieuw messenblok (post 7 ad € 59,95) op 1 oktober 2023;

- ten aanzien van de kosten tas (post 9 ad € 1.153,16) op 15 juli 2023;

- ten aanzien van de kosten kleding (post 10 ad € 154,93) op 15 juli 2023.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 oktober 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2023, parketnummer 16-331273-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck en mr. C.H. Sillen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2026.

mrs. H.A. van Eijk en C.H. Sillen is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.K. van Eck en mr. C.H. Sillen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?