GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.588/01
zaaknummer rechtbank: C/13/771560 / JE RK 25-463
beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F.J. Soriano te Amsterdam,
en
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] (11 jaar),
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] (7 jaar);
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] (4 jaar);
- [de vader] , hierna: de vader.
Als informant is aangemerkt:
- [gezinshuismoeder] , hierna: de gezinshuismoeder.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft op verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend.
De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat de kinderen niet uit huis hoeven te worden geplaatst omdat zij en de vader zelf voor de kinderen kunnen zorgen. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 22 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
De GI heeft op 27 november 2025 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft op 18 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en in aanwezigheid van haar persoonlijk begeleider [naam] ;
- de GI, vertegenwoordigd door twee medewerkers;
- de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Het hof heeft de GI ter zitting in hoger beroep verzocht om het meest recente plan van aanpak in te dienen. De GI heeft dit op 19 februari 2026 toegestuurd.
Bij bericht van 24 februari 2026 van de zijde van de moeder is hierop gereageerd.
De voorzitter heeft na de zitting met [minderjarige 1] gesproken. De inhoud van dit gesprek is met partijen gedeeld door middel van een brief. Zij hebben de mogelijkheid gekregen om hierop te reageren.
De voorzitter heeft de na de zitting ook met de gezinshuismoeder gesproken. De inhoud van dit gesprek is eveneens met partijen gedeeld door middel van een brief. Ook hierop hebben partijen de gelegenheid gekregen om te reageren.
Nadien is bij het hof binnengekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 19 maart 2026, met haar reactie op de gesprekken met [minderjarige 1] en met de gezinshuismoeder.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats B] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2021 te [plaats B] .
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige 3] .
De ouders zijn sinds december 2024 uit elkaar.
De vader woonde tot de uithuisplaatsing met [minderjarige 1] in de woning waar het gezin voordien gezamenlijk woonde.
De moeder verbleef tot 5 september 2025 met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij oma moederszijde. Sinds 5 september 2025 verbleven zij bij de maatschappelijke opvang van het Leger des Heils in [plaats A] .
Sinds 21 oktober 2025 wonen alle drie de kinderen samen in een gezinshuis.
De kinderrechter heeft de kinderen bij beschikking van 23 januari 2025 voorlopig onder toezicht van de GI tot 10 april 2025. Bij beschikking van 10 april 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld met ingang van 10 april 2025 tot 10 april 2026.
4. De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis verleend met ingang van 22 juli 2025 tot 10 april 2026.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderen af te wijzen.
De GI verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
De moeder vindt dat de uithuisplaatsing niet (langer) noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Tot 5 september 2025 verbleef de moeder met de twee jongsten, [minderjarige 3] en [minderjarige 2] , bij haar moeder. Dit was een tijdelijke oplossing na het uiteengaan van de ouders. Van 5 september 2025 tot de uithuisplaatsing op 21 oktober 2025, woonden de moeder, [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in de maatschappelijke opvang van het Leger des Heils. Daar hadden de kinderen stabiliteit, rust, reinheid en regelmaat. De moeder gedijde goed bij de ondersteuning die zij daar kreeg en in de veilige, gestructureerde woonomgeving. Zij was goed te begeleiden waardoor de kinderen schoon waren en op tijd op school kwamen. De plaatsing bij het Leger des Heils bood dan ook een perspectief voor het gezin op verbetering van de thuissituatie, waarin de moeder met de geboden ondersteuning het nodige kon leren. In die situatie was de uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis niet nodig. De uithuisplaatsing lijkt bovendien niet gericht te zijn op thuisplaatsing van de kinderen.
Ook ten aanzien van [minderjarige 1] denkt de moeder dat het beter met hem moet zijn gegaan toen hij alleen bij de vader woonde, omdat de spanningen en de conflicten tussen de ouders destijds niet langer prominent in zijn leven aanwezig waren.
De moeder is nog steeds met haar kinderen welkom bij het Leger des Heils. Daarmee kan een begeleide thuisplaatsing direct worden gerealiseerd. De uithuisplaatsing dient dan ook te worden beëindigd, ook omdat een plan van aanpak ontbreekt, aldus de moeder.
De GI vindt de machtiging tot uithuisplaatsing van alle drie de kinderen in hun belang noodzakelijk.
Voorafgaand aan de machtiging tot uithuisplaatsing probeerde de moeder de aanwijzingen van de betrokken hulpverlening op te volgen, maar zij had hier moeite mee. Het lukte haar niet om de kinderen te begrenzen, ze haalde [minderjarige 2] te laat van school en [minderjarige 2] zag er slecht uit, [minderjarige 3] kreeg niet op tijd zijn medicatie voor zijn bronchitis en de moeder heeft het contact met de gezinscoaches en AST-begeleider van Cordaan verbroken, waardoor er geen zicht meer was op de kinderen. Vervolgens is de moeder zonder voorafgaand overleg met de GI verhuisd naar de maatschappelijke opvang van het Leger des Heils, terwijl de machtiging tot uithuisplaatsing al was uitgesproken. Tijdens de gezinsopname bij het Leger des Heils is de situatie niet gestabiliseerd, zoals de moeder stelt. Zij was overdag alsnog vaak bij de oma moederszijde of met de kinderen op straat. Ook kreeg de GI signalen dat de moeder in een auto zat met een onbekende man die blowde en/of een joint in zijn hand had. Ook in deze periode bracht en haalde de moeder [minderjarige 3] te laat naar de voorschoolse respectievelijk van zijn buitenschoolse opvang. Voorts zou zij met [minderjarige 3] op straat zijn gesignaleerd met personen die bekend zijn met alcohol- en/of drugsgebruik. Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat er grote zorgen zijn over de emotionele aansluiting van de ouders bij hem. Hij woonde in de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing bij de vader maar de vader kan onvoldoende inspelen op de behoefte van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] overstijgt zijn ouders en dus ook zijn vader in hun capaciteiten en komt dan ook tekort in de opvoeding.
Inmiddels verblijven de kinderen in een gezinshuis, waardoor er sprake is van een stabiele woonsituatie. Zij hebben een goede klik met de gezinshuisouder en voelen zich veilig. Er vinden sinds januari 2026 wekelijks begeleide bezoeken met de ouders plaats. Er zijn nog geen omgangsverslagen, omdat er nog te weinig begeleide omgangsmomenten zijn geweest. Hierdoor is er nog geen zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders. Wel is gezien dat de ouders moeite hebben met het begrenzen van de kinderen.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat hij welwillend tegenover de uithuisplaatsing staat. Hij vindt het jammer dat hij de kinderen niet zelf in huis kan hebben. Maar als de machtiging tot uithuisplaatsing betekent dat de kinderen een kans krijgen op een beter leven, dan staat hij daarvoor open.
De gezinshuismoeder heeft tijdens het gesprek met de voorzitter verteld dat zij vindt dat de uithuisplaatsing in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Bij aankomst in het gezinshuis moesten de kinderen nog veel basisvaardigheden leren, zo moesten zij leren om hun tanden te poetsen en de jongste twee kinderen waren nog niet (volledig) zindelijk.
De ouders en de kinderen zouden elkaar graag vaker willen zien. De gezinshuismoeder hoopt dat met passende begeleiding de contacten tussen de kinderen en hun ouders zich positief verder kunnen ontwikkelen.
Ook hebben de kinderen een sterke band met elkaar. Zij ontwikkelen zich goed in het gezinshuis en er ontstaat steeds meer vertrouwen tussen de gezinshuismoeder en de kinderen. De kinderen kunnen, indien nodig, tot hun meerderjarigheid in het gezinshuis blijven wonen en daar opgroeien.
[minderjarige 1] voelt volgens de gezinshuismoeder een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn ouders en zijn broertjes.
De persoonlijk begeleider van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat zij de moeder heeft leren kennen tijdens haar verblijf met de jongste twee kinderen bij de maatschappelijke opvang van het Leger des Heils. De moeder had moeite met het opvoeden, begrenzen en begeleiden van de kinderen. Zij had hier hulp bij nodig en stond daarvoor open. Zij pakte informatie door middel van pictogrammen gelijk op. Ook gaf zijn geen weerwoord wanneer de opvoedondersteuning haar adviseerde, en zij observeerde wanneer er bij de kinderen pedagogisch werd ingegrepen.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad vindt het nodig dat duidelijkheid voor de kinderen wordt geschapen en een beëindiging van de uithuisplaatsing niet in hun belang is. De raad heeft daarbij benadrukt dat het van groot belang is dat de GI duidelijkheid verschaft over de doelen tijdens de uithuisplaatsing en gewezen op het feit dat de raad in maart 2025 het belang van doelen aan de beschermingsmaatregel al heeft benadrukt.
De beoordeling door het hof
De GI heeft op 19 februari 2026 het Plan van aanpak van 6 februari 2026 (hierna: Plan van aanpak) toegestuurd. Hierin staan de door de GI gestelde doelen voldoende beschreven; er wordt dan ook voorbij gegaan aan de in dit verband door de moeder aangevoerde bezwaren. Uit het Plan van aanpak komt het volgende naar voren. Bij het gezin is al eerder hulpverlening betrokken geweest. Tussen 2020 en eind 2022 zijn vier verschillende hulpverleningsinstanties in het gezin gestart. Alle vier hebben zij de hulpverlening echter binnen enkele maanden weer afgesloten. De redenen hiervoor waren ofwel onduidelijk, of waren gelegen in de omstandigheid dat de hulpverlening niet meer bij het gezin werd binnengelaten, of omdat de ouders het vertrouwen in de hulpverlening hadden opgezegd. De kinderen zijn al eerder onder toezicht van de GI gesteld, namelijk van 17 oktober 2023 tot 17 juli 2024. Deze ondertoezichtstelling is afgesloten omdat de GI er voldoende vertrouwen in had dat de ouders hun samenwerking met de hulpverlening vrijwillig zouden voortzetten.
Begin januari 2025 is opnieuw een ondertoezichtstelling verzocht nadat gebleken was dat de situatie van de kinderen onveilig was bij de ouders thuis. Kort daarvoor, in december 2024, hadden de ouders besloten uit elkaar te gaan omdat er sprake was van huiselijk geweld en omdat de moeder de vader beschuldigde van seksueel misbruik van de jongste twee kinderen. De vader mocht daarom niet meer alleen met hen zijn, waardoor de moeder alleen voor hen moest zorgen. De moeder is vervolgens met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdelijk bij haar moeder ingetrokken.
Uit de stukken die zich in het dossier bevinden en uit hetgeen ter zitting nader is toegelicht is gebleken dat de kinderen bij de ouders thuis niet de dagelijkse zorg kregen die zij nodig hebben. Zo was er sprake van onvoldoende basale verzorging in de vorm van schone kleren, structuur, gezonde voeding en een schoon huis. Ook lukte het de ouders niet om de kinderen te corrigeren in hun gedrag. Het lukte beide ouders niet om aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de kinderen. De ouders waren onvoldoende emotioneel beschikbaar voor de kinderen. De kinderen kwamen te laat op school en [minderjarige 1] was vaker dan gemiddeld afwezig op school. De ouders belastten hem voorts met volwassenzaken.
Nadat de vader en de moeder uit elkaar zijn gegaan zijn deze zorgen onverminderd aanwezig gebleven. Ook tijdens het verblijf van de moeder met de twee jongste kinderen in het kader van de gezinsopname bij het Leger des Heils is de situatie niet gestabiliseerd en bleven de zorgen ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onverminderd groot.
Dit geldt eveneens ten aanzien van de zorgen over [minderjarige 1] , die in de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing bij de vader woonde. Gebleken is dat de vader onvoldoende kon aansluiten bij de behoefte van [minderjarige 1] en hem onvoldoende structuur kon bieden.
Bij de moeder is sprake van een verstandelijke beperking als gevolg van niet aangeboren hersenletsel en ook bij de vader is sprake van een verstandelijke beperking. [minderjarige 1] overstijgt de ouders op intellectueel niveau. De GI verwacht dat [minderjarige 2] ook spoedig op dat punt zal belanden.
Uit de analyse en conclusie in het Plan van aanpak blijkt dat de kinderen sinds hun uithuisplaatsing in oktober 2025 bij het gezinshuis in hun ontwikkeling vooruitgegaan zijn. Zij zien er verzorgd en schoon uit, doen het goed op school en maken grote stappen in hun ontwikkeling. Zo is [minderjarige 3] zindelijk geworden, heeft [minderjarige 1] Havo-advies gekregen en doet [minderjarige 2] het goed op zijn nieuwe school. Zij zijn op sociaal en emotioneel gebied gegroeid en luisteren beter. Het gezinshuis biedt de kinderen regelmaat, structuur, veiligheid en regels.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd. De uithuisplaatsing was en is nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk.
Gebleken is dat het de ouders onvoldoende lukt om de vereiste zorg, structuur en grenzen te bieden die de kinderen nodig hebben. Het standpunt van de moeder dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is omdat, naar het hof begrijpt, direct gewerkt kan worden aan thuisplaatsing door middel van een gezinsopname bij het Leger des Heils, acht het hof met de raad niet in het belang van de kinderen. Nog los van het feit dat de moeder alleen met de twee jongste kinderen (en niet met [minderjarige 1] ) bij het Leger des Heils zou kunnen verblijven, is gebleken dat ook tijdens het verblijf aldaar sprake was van een zorgelijke situatie en de bovenomschreven problemen onvoldoende konden worden weggenomen.
De kinderen verblijven sinds 21 oktober 2025 in het gezinshuis. Zij verblijven daar met zijn drieën en ontwikkelen zich goed. Het is dan ook in het belang van de kinderen om deze positieve ontwikkeling door te zetten.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.