Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht, waaronder begrepen de procesafspraken van 3 juni 2025.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en zal dit dan ook bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken, die hierna worden weergegeven.
Procesafspraken
Inleiding
Tussen het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, en de verdachte, vertegenwoordigd door zijn raadslieden, zijn op 3 juni 2025 procesafspraken gemaakt. Deze procesafspraken zijn op schrift gesteld en ondertekend door de verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen op 12 juli 2025 en door de advocaat-generaal op 16 september 2025. Vervolgens is dit document aan het hof verstrekt.
In de overeenkomst procesafspraken is, voor zover relevant, het volgende vermeld. De verdachte heeft (tijdig) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdediging heeft daarna het openbaar ministerie benaderd om in deze zaak procesafspraken te maken en op 17 september 2024 een concreet voorstel gedaan. Vanaf dat moment zijn de verdediging en het openbaar ministerie in gesprek geweest over eventuele procesafspraken. Dit heeft erin geresulteerd dat beide procespartijen op 3 juni 2025 tot een akkoord zijn gekomen.
Het openbaar ministerie en de verdachte zijn tot de volgende procesafspraken gekomen:
Procedurele waarborgen
Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 zijn de procesafspraken voorgehouden en is de inhoud en de totstandkoming daarvan door de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte bevestigd en toegelicht.
De verdachte heeft ter terechtzitting op vragen van het hof verklaard dat hij achter de overeenkomst staat en deze heeft begrepen. Hij is voldoende voorgelicht om deze keuze te maken en is zich ervan bewust dat hij afstand doet van bepaalde verdedigingsrechten.
Op basis van de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Gelet op het voorgaande komen de procesafspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Inhoudelijke beoordeling
De procesafspraken in deze strafzaak in hoger beroep leveren een zekere efficiencywinst op. Het appel van de verdediging dateert van 25 maart 2024. Er liggen meerdere, uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, terwijl er nog geen regiezitting is gepland. Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat, mede gelet daarop, de redelijke termijn in hoger beroep nog meer zal worden overschreden dan op dit moment reeds het geval is. Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of deze bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ten eerste of ook is voldaan aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak.
Het hof neemt bij de beoordeling van de procesafspraken (mede) in aanmerking het tijdsverloop tot op heden. De verweten gedragingen dateren uit 2020 en 2021. De verdachte zit sinds 18 november 2023 in voorlopige hechtenis. De redelijke termijn is in hoger beroep, ten tijde van deze uitspraak, overschreden. Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 januari 2026 blijkt dat de verdachte recent niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Tot slot neemt het hof in de overwegingen mee dat in deze strafzaak geen personen als benadeelde partij zijn aangemerkt.
Het hof stelt vast dat aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 Sv is voldaan en is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten. Het hof zal daarom de gemaakte procesafspraken overnemen, met dien verstande dat met de afspraak over het doen van afstand van rechtsmiddelen voorafgaand aan het oordeel van het hof, nog geen rechtsgeldige afstand wordt gedaan van het recht om cassatieberoep in te stellen.
Nu het hof de procesafspraken overneemt, zal het hof het vonnis waarvan beroep bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof de kwalificatie van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde verbeterd leest als:
Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander inlichtingen te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 78 maanden met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft op basis van de tussen het openbaar ministerie en de verdachte overeengekomen procesafspraken gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 65 maanden met aftrek van het voorarrest.
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging aan te sluiten bij de overeengekomen procesafspraken en er aandacht aan te besteden dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van het vervoer van 1.131 kilogram cocaïne en aan het medeplegen van de verkoop van 982 gram cocaïne. De handel in cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Het gebruik van (hard)drugs is verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Bovendien gaat het gebruik en de handel van drugs veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweld, overlast en illegale geldstromen. Bij beide feiten vervulde de verdachte een belangrijke rol. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitlokking van een mishandeling. Het hof acht dit een zeer ernstig feit. Uit chats volgt dat de verdachte planmatig en gewetenloos te werk is gegaan bij het “bestellen” van deze mishandeling. Door deze mishandeling is de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschaad.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen een langdurige gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook in aanmerking genomen dat geruime tijd is verstreken sinds de bewezenverklaarde feiten, de reclassering het recidiverisico als laag inschat en er veel beschermende factoren in het leven van de verdachte zijn.
Het hof stelt tot slot vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte heeft namelijk op 24 maart 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 4 februari 2026 – een jaar en ruim tien maanden later – arrest wijst. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld. Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim zes maanden, maar zal aan die constatering geen gevolgen verbinden, mede gelet op de overeengekomen procesafspraken.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat generaal in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten zoals die blijken uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. Daarom ziet het hof aanleiding de tot stand gekomen procesafspraken in zijn uitspraak over te nemen, voor zover deze zien op de beslissingen die het hof moet nemen, en de verdachte een gevangenisstraf conform deze afspraken op te leggen. Deze gevangenisstraf acht het hof passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 (vijfenzestig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2026.
De griffier en mr. M.L.M. van der Voet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.