GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.076.577
(zaaknummer rechtbank Zutphen 111764)
arrest van de eerste kamer van 28 mei 2013
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidPaysquare B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante,
hierna: Paysquare,
advocaat: mr. H.C.S. Tilma,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. C.W.J. de Bont.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 21 april 2010 en het vonnis in verzet van 11 augustus 2010, die de rechtbank Zutphen tussen Paysquare als eiseres, tevens geopposeerde en [geïntimeerde] als gedaagde, tevens opposant heeft gewezen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 oktober 2010,
de memorie van grieven, met producties,
de memorie van antwoord, met producties.
Vervolgens heeft Paysquare de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald op één dossier.
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in het vonnis van 11 augustus 2010 onder ‘De feiten’. Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:
Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaard - verstekvonnis van de rechtbank Zutphen van 2 mei 2007 is [geïntimeerde] veroordeeld om aan Paysquare te betalen € 5.497,28, vermeerderd met rente en de proceskosten
Het verstekvonnis is niet in persoon aan [geïntimeerde] betekend.
[geïntimeerde] heeft bij verzetdagvaarding van 19 maart 2010 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis.
4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
In het vonnis in verzet van 11 augustus 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzet door [geïntimeerde] tijdig en op juiste wijze is ingesteld, zodat [geïntimeerde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen. De rechtbank heeft de vorderingen van Paysquare alsnog afgewezen, omdat Paysquare zich erop kan beroepen dat de handtekening op het aanvraagformulier van de Mercedes card is vervalst, zodat geen rechtsgeldige aanvraag voor een Mercedes card tot stand is gekomen.
De enige grief van Paysquare is gericht tegen het ontvankelijkheidsoordeel van de rechtbank.
Het hof oordeelt als volgt. Nu het vonnis in verzet of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte niet aan [geïntimeerde] in persoon is betekend, geldt ingevolge artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als maatstaf voor de aanvang van de verzettermijn of de veroordeelde enige daad heeft gepleegd “waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is”. Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten.
De door Paysquare vermelde omstandigheden laten niet de conclusie toe dat [geïntimeerde] eerder dan vier weken voorafgaand aan de verzetdagvaarding van 19 maart 2010 een daad van bekendheid als hiervoor bedoeld heeft verricht. Daartoe overweegt het hof als volgt:
Het feit dat [geïntimeerde] de brief van juridisch advies en incassobureau Medicas van 27 november 2009 heeft ontvangen en zich daarmee tot een advocaat heeft gewend, levert geen daad van bekendheid op van [geïntimeerde]. Gesteld noch gebleken is dat bij de brief van 27 november 2009 van Medicas aan [geïntimeerde] een kopie van het verstekvonnis was ingesloten. In die brief wordt weliswaar verwezen naar een vonnis van 2 mei 2007, maar verdere gegevens over de inhoud van dat vonnis ontbreken. Het in die brief genoemde overzicht van de toenmalige schuldpositie van € 9.400,18 komt bovendien niet overeen met hetgeen waartoe [geïntimeerde] bij verstek is veroordeeld.Uit het feit dat [geïntimeerde] zich met deze brief heeft gewend tot een advocaat vloeit dan nog niet zonder meer voort dat hij over voldoende gegevens beschikte over (de inhoud) van zijn veroordeling om zich daartegen tijdig en adequaat te verzetten.
De telefonische reactie van de advocaat van [geïntimeerde] aan Medicas in december 2009 en de brief van zijn advocaat van 13 januari 2010 rechtvaardigen evenmin de conclusie dat [geïntimeerde] een daad van bekendheid heeft verricht als hiervoor bedoeld. Nog daargelaten dat het hier daden van de advocaat betreft en niet van [geïntimeerde] zelf en dat Paysquare niet heeft gesteld - en niet is gebleken - dat deze daden aan [geïntimeerde] moeten worden toegerekend, schrijft zijn advocaat immers in zijn brief van 13 januari 2010 met zoveel woorden dat hij zijn cliënt niet kan adviseren omdat hij niet beschikt over nadere stukken en verzoekt hij in die brief om een afschrift van het vonnis van 2 mei 2007. De brief van 15 januari 2010 van de advocaat van [geïntimeerde], waarin hij de ontvangst van het vonnis bevestigt en verzoekt om een kopie van de dagvaarding en het betekeningsexploot, leidt evenmin tot een ander oordeel. Paysquare heeft niet gemotiveerd gesteld dat aan deze brief een daad van [geïntimeerde] voorafging, waaruit zijn bekendheid met het vonnis noodzakelijk voortvloeit. Uit de tekst van die brief kan dit niet worden afgeleid. De advocaat schrijft juist dat het toegezonden vonnis voor hem onvoldoende is om zijn cliënt op dat moment te kunnen adviseren. Hierbij moet worden bedacht dat het verstekvonnis de grondslag van de vordering niet vermeldt, noch de opbouw ervan.
5. Slotsom
De grief van Paysquare faalt zodat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Paysquare in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
griffierecht € 280,-
salaris advocaat € 632,- (1 punt x tarief I)
Totaal € 912,-
6. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis in verzet van de rechtbank Zutphen van 11 augustus 2010;
veroordeelt Paysquare in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 280,- voor griffierecht en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.J. de Kerpel-van de Poel en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2013.