GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.136.589
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: R. 08/10/308)
arrest van de eerste civiele kamer van 13 januari 2014
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. L.A.M. Scholten.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van 5 oktober 2010 heeft de rechtbank Almelo het op 2 juni 2010 ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [verzoeker]) uitgesproken faillissement opgeheven en gelijktijdig op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Bij vonnis van 29 oktober 2013 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en afdrachtplicht. De rechtbank heeft hiermee de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] beëindigd zonder dat daarbij de zogenoemde schone lei aan hem is verstrekt. Het hof verwijst naar dat vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Bij ter griffie van het hof op 4 november 2013 ingekomen verzoekschrift is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 29 oktober 2013 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat de schuldsane-ringsregeling op hem van toepassing blijft en zo nodig te bepalen dat de looptijd van die regeling wordt verlengd met een periode die het hof juist acht.
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 20 november 2013 en de brief met één bijlage van 3 december 2013 van mr. Scholten en de brief met bijlagen van 2 januari 2014 van de bewindvoerder, I. de Boer.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2014, waarbij [verzoeker] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Scholten. Namens de bewindvoerder is verschenen mr. R.A. van Malenstein.
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1974, woont samen met mevrouw [A] (hierna: [A]). Samen hebben zij twee kinderen van 15 en 12 jaar oud. [verzoeker] ontvangt van het UWV een uitkering ingevolge de Ziektewet en van de gemeente Enschede een aanvullende WWB-uitkering. Gedurende twee avonden per week is [verzoeker] werkzaam als vrijwilliger. Tijdens de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] heeft de Sociale Recherche Twente (hierna te noemen: de SRT), op verzoek van de gemeente Enschede, een vermogensonderzoek gestart naar de inkomsten van [verzoeker] en [A]. De aanleiding hiervoor was het vermoeden van de gemeente Enschede dat [verzoeker] een aanzienlijk aantal advertenties voor verkoop van diverse zaken, waaronder (op [geboortedatum] 2011 geboren) Stafford pups, op Marktplaats had geplaatst, en dat [verzoeker] hierdoor extra inkomsten heeft gehad die hij niet had opgegeven bij de gemeente Enschede. Tevens heeft de SRT niet aan de gemeente Enschede gemelde stortingen op de rekening van [A] van in totaal € 3.310,- onder-zocht. Vervolgens heeft de SRT aan de bewindvoerder gemeld dat er hoogstwaarschijnlijk ontvangen bijstandsgelden zullen worden teruggevorderd voor € 6.510,-. Ter zitting in hoger beroep heeft de waarnemend bewindvoerder verklaard dat de gemeente Enschede nog steeds geen terugvorderingsbesluit heeft genomen, maar dat zij nog steeds voornemens is dat te doen. Voorts zijn tijdens de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] schulden aan de Belasting-dienst ontstaan van in totaal € 1.406,-. Deze schulden houden verband met over 2011 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting van € 383,-, huurtoeslag van € 825,- en zorgtoeslag van € 198,-. Tegen deze aanslagen heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] verklaard dat hij op 3 januari 2014 telefonisch contact heeft gehad met de Belastingdienst en dat hij naar aanleiding daarvan opnieuw (een) verzoek(en) moet indienen.
De rechtbank heeft [verzoeker] de schone lei onthouden, omdat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en afdrachtplicht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. wist, althans behoorde te weten, dat de verkoop van de pups een voor de schuld-saneringsregeling relevante financiële aangelegenheid betrof waarover hij de bewindvoerder diende te informeren ten einde te bespreken wat er met de opbrengst moest gebeuren. Temeer nu het een opbrengst van maar liefst € 2.300,- betrof, oordeelde de rechtbank dat [verzoeker] had moeten begrijpen dat hij niet, zonder de bewindvoerder te informeren, vrij mocht beschikken over dat geld. Het verweer van [verzoeker] dat hij nauwelijks winst heeft gemaakt omdat hij ook kosten voor de pups heeft gemaakt, trof naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Daarbij heeft de rechtbank ten eerste overwogen dat [verzoeker] op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt welke kosten hij heeft moeten maken in verband met de pups en ten tweede dat niet aannemelijk is dat de kosten voor een nestje pups het bedrag van de opbrengst, in totaal € 2.300,-, te boven gaat. Uit de verklaring van [verzoeker] dat hij met de opbrengst van de pups (tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane) schulden aan familie en vrienden heeft afgelost, blijkt bovendien dat na aftrek van alle kosten met betrekking tot de pups kennelijk nog een substantieel bedrag overbleef, aldus de rechtbank.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [verzoeker] mogelijk ook nieuwe schulden heeft laten ontstaan, maar dat dit thans niet kan worden vastgesteld aangezien er nog een bezwaar-schriftprocedure loopt bij de Belastingdienst en de gemeente Enschede nog geen beslissing heeft genomen naar aanleiding van het vermogensonderzoek van de SRT. De rechtbank zag geen aanleiding om de (definitieve) beslissingen van de Belastingdienst en de gemeente
Enschede af te wachten, nu los daarvan is gebleken van toerekenbare tekortkomingen in de
nakoming van de informatie- en afdrachtplicht uit de schuldsaneringsregeling die reeds
voldoende grond vormen om [verzoeker] geen schone lei te verlenen.
Het hof oordeelt als volgt.Gebleken is dat [verzoeker] vanuit een faillissementssituatie in de schuldsaneringsregeling is gekomen waarbij hij al in de eerste maand van deze regeling geld van familie heeft moeten lenen (volgens [verzoeker]: € 600,-, € 300,- en € 350,-, in totaal € 1.250,-) om rond te kunnen komen. [verzoeker] heeft volgens zijn verklaring met de opbrengst van de Stafford pups voornoemde bedragen aan zijn familieleden terugbetaald. Het hof is van oordeel dat in de eerste plaats valt aan te rekenen dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden heeft gemaakt en in de tweede plaats dat hij de opbrengst van de pups (die het hof na aftrek van door [verzoeker] gemaakte kosten in redelijkheid bepaalt op € 1.600,-) niet aan de bewindvoerder heeft afgedragen.
Hoewel deze tekortkoming heeft geleid tot een boedelachterstand van € 1.600,-, is het hof van oordeel dat deze tekortkoming niet zwaarwegend genoeg is om daaraan thans het door de rechtbank verbonden gevolg - het onthouden van de schone lei - te verbinden. Tegenover de tekortkoming van [verzoeker] staat naar het oordeel van het hof het standpunt van de bewindvoerder dat [verzoeker] gedurende de schuldsaneringsregeling zijn (overige) uit die regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren is nagekomen en dat een eventuele door het hof te bepalen verlenging van de looptijd van deze regeling op zijn steun kan rekenen. [verzoeker] heeft zich ter zitting in hoger beroep in staat en bereid verklaard om de boedelachterstand van € 1.600,- in één jaar (met de kinderbijslag van € 250,- per kwartaal en een bijdrage van € 50,- per maand) in te lopen.
3.5 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] moet worden voortgezet en dat de looptijd van die regeling, met inachtneming van het aanbod van [verzoeker], moet worden verlengd met vijftien maanden, te weten tot5 januari 2015. Het hof wijst [verzoeker] erop dat hij zich gedurende de resterende looptijd van die regeling stipt dient te houden aan alle (overige) uit de regeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de maandelijkse verplichting tot boedelafdracht.
Tot slot acht het hof van belang op te merken dat ook indien [verzoeker] gedurende de verlengde schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen naar behoren nakomt, niet zeker is dat hij aan het einde daarvan (alsnog) de schone lei zal verkrijgen. Dit houdt verband met de onzekere uitkomsten ten aanzien van het hiervoor onder 3.1 en 3.2 genoemde voorgenomen terugvorderingsbesluit van de gemeente Enschede en de belastingschuld(en). Hierover zal de rechtbank te zijner tijd een beslissing moeten nemen.
3.7 Het hoger beroep slaagt derhalve. Het hof zal beslissen als hierna te melden.
4.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 29 oktober 2013 en, opnieuw recht doende:
wijzigt de termijn als bedoeld in artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet, gedurende welke de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van kracht is, en stelt deze termijn vast op vier jaar en drie maanden, te rekenen vanaf de dag van uitspraak (5 oktober 2010) tot toepassing van die regeling, derhalve tot 5 januari 2015.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, A.W. Steeg en L.M. Croes, en is op 13 januari 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.