ECLI:NL:GHARL:2014:1900

ECLI:NL:GHARL:2014:1900, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-03-2014, 200.140.594

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 10-03-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.140.594
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Verzoek in hoger beroep tot terugwijzing naar de rechtbank afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.140.594

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) C/16/12/37 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 10 maart 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

advocaat: mr. J. Visscher.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 januari 2012 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 januari 2014 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd en is bepaald dat [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.

Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij ter griffie van het hof op 21 januari 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 13 januari 2014 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en (zo begrijpt het hof) te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem wordt voortgezet met vergoeding van de kosten van de behandeling van het hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlage, van de brief met bijlagen van 18 februari 2014 en het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van 28 februari 2014 van de advocaat van [appellant], alsmede van de brief met bijlagen van 24 februari 2014 van de bewindvoerder [bewindvoerder].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2014, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd omdat [appellant], die wel rechtsgeldig en behoorlijk was opgeroepen maar niet ter terechtzitting was verschenen, kort gezegd, de uitvoering van de schuldsanering heeft gefrustreerd door niet te voldoen aan zijn informatieplicht. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat [appellant] vanaf september 2013 niet heeft voldaan aan zijn afdrachtverplichting en waarschijnlijk ook niet aan zijn sollicitatieverplichting.

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en is op de eerste plaats van mening dat zijn aanhoudingverzoek door de rechtbank ten onrechte is afgewezen, waardoor hij niet ter zitting kon verschijnen om zijn standpunt kenbaar te maken. [appellant] verzoekt het hof primair om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank omdat hij anders een feitelijke instantie mist.

[appellant] is verder van mening dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten onrechte heeft beëindigd. Daartoe voert hij met betrekking tot het niet nakomen van de informatieplicht aan dat hij vermoedt dat zijn ex-partner voor hem bestemde post heeft achtergehouden waardoor hij geen gehoor heeft kunnen geven aan de brieven van de bewindvoerder. [appellant] is voorts van mening dat, nu de communicatie met de bewindvoerder grotendeels via de e-mail verliep, het onbegrijpelijk is dat de bewindvoerder niet via de e-mail bij hem heeft geïnformeerd waarom hij niet reageerde op de brieven. Alle e-mails tot en met mei 2013 bevinden zich in het dossier. Met betrekking tot het niet voldoen aan zijn afdrachtverplichting verklaart [appellant] dat voorheen alles werd geregeld door zijn voormalige werkgever. Na zijn ontslag in september 2013 is dat stopgezet. Daarnaast is boedelafdrachtverplichting op de achtergrond geraakt doordat hij tijdelijk geen werk had en voorts door de hectiek rondom zijn echtscheiding, de omgangsregeling met de kinderen, zijn ontslag en de zoektocht naar een nieuwe baan. [appellant] stelt dat hij per december 2013, toen hij weer werk had, weer aan de boedel is gaan afdragen. [appellant] stelt dat van verwijtbaarheid geen sprake is, te meer daar hij inmiddels door zijn huisarts is doorverwezen voor nader onderzoek naar zijn concentratieproblemen. Van (ernstige) verwijtbaarheid is naar de mening van [appellant] geen sprake.

De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat [appellant] sinds (eind) mei 2013 niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht over de beëindiging van zijn arbeidscontract en over zijn inkomstenbronnen. [appellant] heeft de brieven van de bewindvoerder sinds mei 2013 niet beantwoord, de gevraagde informatie niet verstrekt en de bewindvoerder niet geïnformeerd. Ook heeft [appellant] zijn sollicitatieplicht geschonden. [appellant] had in de periode van september 2013 tot en met december 2013 geen werk, zodat de sollicitatieverplichting wel van kracht was. In de periode dat [appellant] werkloos was en een beroep deed op een uitkering heeft hij ook niet voldaan aan zijn afdrachtverplichting. Ook als sprake is van een uitkering is er in beginsel een afdrachtverplichting. Hoewel de bewindvoerder door het ontbreken van de vereiste informatie niet in staat is geweest het vrij te laten bedrag en de boedelafdracht te berekenen, is er een boedelachterstand ontstaan van in elk geval twee maanden wegens de minimale maandelijkse afdrachtverplichting van € 60,10.

Het hof wijst het primaire verzoek van [appellant] tot terugwijzing naar de rechtbank af. Daartoe overweegt het hof dat volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer Hoge Raad 17 januari 2014 ECLI:NL:HR:2014:96) door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals deze voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter ter beslissing wordt overgebracht en dat de hogere rechter zich, behoudens de in voormeld arrest omschreven uitzonderingen - welke zich hier niet voordoen -, niet aan zijn taak mag onttrekken door (een gedeelte van) de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. Dat toepassing van deze regel meebrengt dat in een aantal gevallen een deel van het geschil slechts in één feitelijke instantie wordt beslist, doet aan de gelding van deze regel niet af.

Het hof is verder van oordeel dat ook in hoger beroep is komen vast te staan dat [appellant] sinds mei 2013 niets meer aan de bewindvoerder heeft laten horen (terwijl daarvoor juist alle aanleiding was in verband met onder meer de gewijzigde arbeids- en privéomstandigheden), waardoor hij stelselmatig niet heeft voldaan aan de kernverplichting uit de schuldsaneringsregeling om de bewindvoerder, gevraagd en ongevraagd, te informeren over alles wat van belang is voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling. Daarbij acht het hof van belang dat vaststaat dat de informatieverzoeken van de bewindvoerder naar het juiste adres van [appellant] (dat hij na de feitelijke scheiding heeft betrokken) zijn verstuurd. Dit levert reeds voldoende grond op om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem tussentijds te beëindigen. Daarnaast heeft [appellant] niet aan zijn sollicitatieplicht voldaan door niet aantoonbaar viermaal per maand te solliciteren nadat hij in september 2013 werkloos was geworden en slechts oproepcontracten had verkregen. [appellant] heeft de bij zijn sollicitatieoverzicht behorende brieven niet overgelegd en niet structureel viermaal per maand gesolliciteerd. Het hof houdt het ervoor dat hij onvoldoende heeft gesolliciteerd. Voorts heeft hij een boedelachterstand van in elk geval € 120,20 laten ontstaan, terwijl voor het overige de omvang ervan niet door de bewindvoerder kan worden berekend omdat [appellant] de daarvoor benodigde informatie niet heeft aangeleverd.

Het hof wil aannemen dat [appellant] als gevolg van zijn echtscheiding, de omgangsproblema-tiek en zijn ontslag grote problemen in een hectische tijd heeft ondervonden, maar dat rechtvaardigt niet zijn inactiviteit in de schuldsaneringsregeling gedurende vele maanden. De verwijtbaarheid is evenmin komen te vervallen door zijn concentratieproblemen (hij wordt op AD(H)D getest). Daarvoor had hij administratieve hulp kunnen en moeten zoeken.

De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] zou moeten voortduren, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 januari 2014.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, A.W. Steeg en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2014.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?