ECLI:NL:GHARL:2014:9241

ECLI:NL:GHARL:2014:9241, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-10-2014, 24-000949-11

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24-000949-11
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0013129 BWBR0031789 BWBR0032316

Samenvatting

De strafzaak in eerste aanleg is op 7 mei 2007 berecht door de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Groningen. Het daartegen ingestelde hoger beroep is op 25 januari 2010 berecht door het gerechtshof ’s-Gravenhage, zitting houdende te Leeuwarden. De ontnemingszaak in eerste aanleg is op 21 oktober 2010 berecht door de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Groningen. Daartegen is destijds tijdig hoger beroep ingesteld. Deze zaak is ingezonden naar het gerechtshof in Leeuwarden. De zaak is aangebracht ter zitting van het hof van 13 oktober 2014. Tot 1 januari 2013 gold het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen. Dat besluit is van rechtswege vervallen met het vervallen van artikel 59 Wet op de Rechterlijke Organisatie bij de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart. Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep dat is ingesteld tegen de ontnemingszaak.

Uitspraak

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1946],

wonende te [adres], [woonplaats].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 oktober 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat het hof zich onbevoegd zal verklaren. De advocaat-generaal heeft deze vordering na voorlezing aan het hof overgelegd.

Beoordeling

De strafzaak in eerste aanleg is op 7 mei 2007 berecht door de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Groningen. Het daartegen ingestelde hoger beroep is op 25 januari 2010 berecht door het gerechtshof ’s-Gravenhage, zitting houdende te Leeuwarden.

De ontnemingszaak in eerste aanleg is op 21 oktober 2010 berecht door de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Groningen. Daartegen is destijds tijdig hoger beroep ingesteld.

Tot 1 januari 2013 gold het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen. Dat besluit is van rechtswege vervallen met het vervallen van artikel 59 Wet op de Rechterlijke Organisatie bij de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van het genoemde Besluit kon tot 1 januari 2013, bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit of aan gespecialiseerde zittingscapaciteit in de hoofdplaats of een nevenzittingsplaats binnen het ressort, het bestuur van een gerechtshof de Raad voor de rechtspraak verzoeken tijdelijk één of meer nevenzittingsplaatsen buiten het ressort aan te wijzen voor de behandeling van een zaak of categorieën van zaken met het oog op een snellere behandeling van die zaken.

Sinds 1 januari 2013 bestaat voor de Raad niet langer de mogelijkheid om op deze manier nevenzittingsplaatsen aan te wijzen; een expliciete keuze van de wetgever (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart, Kamerstukken 32 891, nr. 3, pag. 19 en 20). De achterliggende gedachte hiervan is dat het nieuwe stelsel erop is ingericht dat alle rechtbanken en gerechtshoven hun “eigen’ zaken behandelen, op grond van de normale regels inzake de relatieve bevoegdheid.

De aanwijzingsbesluiten van de Raad op grond van artikel 7 van het Besluit zijn met deze wijziging eveneens van rechtswege vervallen. Hiervoor in de plaats is gekomen de bevoegdheid van de minister om, bij tijdelijk gebrek aan voldoende zittingscapaciteit, bij ministeriële regeling (gehoord de Raad en, indien het strafzaken betreft, eveneens gehoord het College van Procureurs-Generaal) tijdelijk een ander gerechtshof aan te wijzen die de zaken afhandelt.

Op grond van art. CVI van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart zijn de vóór 1 januari bestaande zittingsplaatsen die niet zijn aangewezen in het Besluit zittingsplaatsen gerechten automatisch “overige zittingsplaatsen” in de zin van art. 21b, tweede lid, Wet RO geworden. Maar dat zijn dan overige zittingsplaatsen van het gerecht in wiens rechtsgebied de betreffende zittingsplaatsen zijn gelegen.

Op grond van het bovenstaande zal het hof zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van de onderhavige zaak.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 13 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Elzinga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFS 2015/15
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?