Verkort arrest van de economische kamer
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland van 11 november 2013 met parketnummer 84-213029-12 in de strafzaak tegen
V.O.F. [verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 26 november 2014 en 25 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door haar vertegenwoordiger, de heer [vertegenwoordiger verdachte], naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
verdachte op of omstreeks 10 mei 2012, te [vestigingsplaats] in de gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van verordening (EG) nr. 853/2004, aangezien verdachte als exploitant van een levensmiddelenbedrijf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de toepasselijke bepalingen van bijlage III bij die verordening, immers heeft verdachte er niet voor gezorgd dat de opslag en het vervoer van een aantal geitenkarkassen, zijnde vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, geschiedde volgens de eisen in sectie I, hoofdstuk VII, aanhef sub 3 van die bijlage III;
- de temperatuur van voormelde geitenkarkassen lag tijdens het vervoer tussen 17.4 graden Celsius en 31.9 graden Celsius, althans boven 7 graden Celsius.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdachte
De vertegenwoordiger van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De dieren worden geslacht door V.O.F. [verdachte] en het vlees wordt gekoeld door Vee- en Vleeshandel [bedrijf] B.V. Afgesproken is dat de verantwoordelijkheid van V.O.F. [verdachte] ophoudt zodra het vlees in de koelcel van Vee- en Vleeshandel [bedrijf] B.V. zit. De slachterij en de koelcel zijn ook fysiek van elkaar gescheiden. V.O.F. [verdachte] heeft geen zeggenschap over de aflevering van het vlees aan de vervoerders. Niet V.O.F. [verdachte], maar Vee- en Vleeshandel [bedrijf] B.V. is verantwoordelijk voor het tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de vertegenwoordiger van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. In Bijlage III bij EG-Verordening 853/2004, Sectie I, hoofdstuk VII is bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat de opslag én het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de in dat hoofdstuk gestelde eisen. Uit de tekst van voornoemde EG-Verordening, in het bijzonder Bijlage III, Sectie I, hoofdstukken I en II, volgt dat een slachterij heeft te gelden als een exploitant van een levensmiddelenbedrijf. Ingevolge het bepaalde in Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII aanhef en punt 1 onder a volgt dat de postmortemkeuring onmiddellijk moet worden gevolgd door koeling in het slachthuis, om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3°C voor slachtafvallen en 7°C voor ander vlees te verzekeren. Volgens voornoemde EG-Verordening is het slachten en het koelen derhalve één ononderbroken activiteit. Dat de verantwoordelijkheid van de slachterij niet alleen het slachten omvat, volgt ook uit Bijlage III, Sectie I, hoofdstuk IV, aanhef en punt 17 van voornoemde verordening. Daarin is namelijk bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht na het slachten en de postmortemkeuring het vlees overeenkomstig hoofdstuk VII van de EG-Verordening moeten opslaan. Ingevolge het bepaalde in Bijlage III, Hoofdstuk VII aanhef en punt 3 van de Verordening moet vlees de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd. Kennelijk hebben [vertegenwoordiger verdachte] en zijn zoon [betrokkene] onderling afgesproken dat V.O.F. [verdachte] slechts verantwoordelijk is voor het slachten en Vee- en Vleeshandel [bedrijf] B.V. voor de koeling, maar op basis van voornoemde EG-Verordening geldt dat het koelen (ook) onder de verantwoordelijkheid van de slachterij valt. [betrokkene] had op 10 mei 2012 tijdens de afwezigheid van zijn vader feitelijk de touwtjes in handen. Zelf heeft hij daarover verklaard dat zijn vader de directeur is en hij de bedrijfsleider. Nu de tenlastegelegde gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, is verricht door een persoon die werkzaam was ten behoeve van verdachte, past binnen de normale bedrijfsvoering en verdachte dienstig is geweest in diens bedrijf, kan deze naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend.
Over het tenlastegelegde heeft [betrokkene] voorts verklaard dat hij de geitenkarkassen heeft laten vervoeren, hoewel hij wist dat deze te warm waren om vervoerd te mogen worden. Op basis van deze verklaring acht het hof bewezen dat [betrokkene] opzettelijk heeft gehandeld. Hij trad op dat moment (mede) namens verdachte op. Bovendien heeft [vertegenwoordiger verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij weet dat hij niet te warm vlees mag afleveren, maar dat hij de geitenkarkassen ook had laten vervoeren als hij daar op dat moment was geweest. Gelet op deze omstandigheden kan het opzet van [betrokkene] naar het oordeel van het hof ook worden toegerekend aan verdachte.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
verdachte op of omstreeks 10 mei 2012, te [vestigingsplaats] in de gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van verordening (EG) nr. 853/2004, aangezien verdachte als exploitant van een levensmiddelenbedrijf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de toepasselijke bepalingen van bijlage III bij die verordening, immers heeft verdachte er niet voor gezorgd dat de opslag en het vervoer van een aantal geitenkarkassen, zijnde vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, geschiedde volgens de eisen in sectie I, hoofdstuk VII, aanhef sub 3 van die bijlage III;
- de temperatuur van voormelde geitenkarkassen lag tijdens het vervoer tussen 17.4 graden Celsius en 31.9 graden Celsius, althans boven 7 graden Celsius.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, begaan door een rechtspersoon.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezen verklaarde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,00.
De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verdachte inmiddels failliet is verklaard, hij persoonlijk aansprakelijk is voor de ontstane schulden en zijn financiële draagkracht beperkt is.
Gelet op hetgeen de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met het opleggen van een geldboete van € 500,00. Die strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de beperkte financiële draagkracht van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 3 van EG-verordening nr. 853/2004, artikel 3 van de Regeling vleeskeuring, artikel 19 van de Landbouwwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 23, 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. L.E.M. Hendriks, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier,
en op 11 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2015.
Tegenwoordig:
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. H. Wijbrandts, advocaat-generaal,
mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De vertegenwoordiger van verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.