OVERWEGINGEN:
De rechter-commissaris (kinderrechter) in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft op 10 april 2015 de bewaring van verdachte bevolen en de bewaring vervolgens geschorst met ingang van die dag. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 17 november 2015. Verdachte is toen niet verschenen. De behandeling is geschorst tot de terechtzitting van
15 december 2015. Verdachte is toen wederom niet verschenen. De rechtbank heeft op die terechtzitting (bij apart geminuteerde beslissing) de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. Op die terechtzitting is geen beslissing genomen over de gevangenhouding van verdachte. De raadkamer van de rechtbank heeft op vordering van de officier van justitie op
6 januari 2016 de gevangenhouding van verdachte bevolen. Tegen deze beslissing heeft verdachte hoger beroep ingesteld.
Naar het oordeel van het hof had de raadkamer de officier van justitie niet ontvankelijk moeten verklaren, daar de raadkamer niet bevoegd was om van een vordering tot gevangenhouding (of gevangenneming) kennis te nemen nu het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep vernietigen en de officier niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 66a, 67, 67a , 71 en 282 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering.
Aldus gegeven op 20 januari 2016 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, P. van Dijken en M.M.L.A.T. Doll, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.