Bewijsmiddelen alleen opgenomen in originele arrest
Bewezenverklaring
Door de hiervoor opgenomen wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 8 oktober 2003 tot en met 7 oktober 2009 in de gemeente [gemeente 2] , meermalen, met [slachtoffer1] (geboren [geboortedatum slachtoffer1] 1997), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer1] , hebbende verdachte
- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer1] getoond en
- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer1] en
- zich door die [slachtoffer1] laten aftrekken en
- zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer1] geduwd/gebracht en
- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer1] geduwd/gebracht en
- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer1] geduwd/gebracht;
2.hij in de periode van 27 maart 1995 tot en met 26 maart 1998 te [plaats 2] en te [plaats 1] , meermalen, met [slachtoffer2] (geboren [geboortedatum slachtoffer2] 1986), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer2] , hebbende verdachte
- zijn tong in de mond van die [slachtoffer2] gestopt en
- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer2] getoond en
- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer2] en
- zich door die [slachtoffer2] laten aftrekken en
- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer2] geduwd/gebracht en
- de clitoris van die [slachtoffer2] aangeraakt en
- een vinger in de vagina van die [slachtoffer2] geduwd/gebracht en
- met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer2] gelikt;
3.
hij in de periode van 27 maart 1998 tot en met 26 maart 2002 te [plaats 1] en te [gemeente 3] , meermalen, met [slachtoffer2] (geboren [geboortedatum slachtoffer2] 1986), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer2] , hebbende verdachte
- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer2] getoond en
- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer2] en
- zich door die [slachtoffer2] laten aftrekken en
- zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer2] geduwd/gebracht en
- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer2] geduwd/gebracht en
- geëjaculeerd en geplast in de mond en de vagina van die [slachtoffer2] en
- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer2] geduwd/gebracht en
- die [slachtoffer2] in opdracht van verdachte een bierflesje in haar vagina laten
duwen/brengen en
- met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer2] gelikt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn stiefdochter [slachtoffer2] en zijn eigen, biologische dochter [slachtoffer1] . De feiten en omstandigheden rondom dit misbruik zijn reeds uiteengezet in de overwegingen omtrent het bewijs van het ten laste gelegde en de in dit arrest opgenomen bewijsmiddelen. Het misbruik van [slachtoffer2] is aangevangen op negenjarige leeftijd en heeft voortgeduurd totdat zij de ouderlijke woning verliet op de leeftijd van ongeveer 17 jaar. Verdachte heeft zijn misbruik vervolgens voortgezet, waarbij zijn dochter [slachtoffer1] het slachtoffer werd. In de nacht volgend op haar zesde verjaardag heeft hij zich seksueel aan haar opgedrongen. Zij dacht met iets spannends en feestelijks te maken te hebben, zij het dat zij de gedragingen van verdachte niet begreep. Verdachte heeft zijn misbruik jegens haar in steeds verdergaande mate voortgezet totdat [slachtoffer1] aan het einde van haar basisschoolleeftijd zichzelf ging beschadigen en er hulpverlening werd ingeschakeld. Het hof stelt vast dat verdachte het bewezen verklaarde volledig ontkent. Deze proceshouding komt hem weliswaar toe, maar draagt niet bij aan de verwerking van het hun aangedane leed door de slachtoffers, zij het dat zij van verdachte ook niet anders hebben verwacht.
Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 april 2016, waaruit blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is voor enig strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft, conform de eis van de officier van justitie in eerste aanleg, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gevorderd.
Het hof neemt bij de overwegingen omtrent de strafoplegging het navolgende in aanmerking. Het gaat in deze zaak om een zwaarwegend rechtsbelang, namelijk de fysieke en seksuele integriteit van beide aangeefsters. Verdachte heeft deze integriteit, als vader en verzorger, langdurig, structureel en op welhaast ultieme wijze geschonden. Hij heeft telkens opnieuw gehandeld vanuit eigen lust- en/of machtsgevoelens en is volledig voorbijgegaan aan de ongeoorloofdheid van zijn gedragingen en de impact daarvan op zijn dochters. Intimidatie heeft hij daarbij niet geschuwd, zo blijkt uit de aangiftes. Het gaat om cruciale jeugdjaren, die [slachtoffer2] en [slachtoffer1] niet meer kunnen inhalen of uitvlakken. Zij zullen hetgeen hun is aangedaan door degene die hun gevoelens van veiligheid en vertrouwen had moeten waarborgen een leven lang op enigerlei wijze meedragen, hetgeen hun - zo blijkt uit de toelichting op de vordering van [slachtoffer2] als benadeelde partij en de wijze waarop [slachtoffer1] haar evenwicht tracht te hervinden - moeilijk valt. Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van [slachtoffer2] en met name [slachtoffer1] , waarop het misbruik is aangevangen en de totale duur ervan. Oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur is daarop de enige passende reactie.
Alles afwegende acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf worden opgelegd van na te melden, gelijke duur.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2]
De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard als gevolg van de in eerste aanleg gegeven vrijspraak. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is door de verdediging inhoudelijk niet betwist, anders dan dat opnieuw tot niet-ontvankelijkheid zou moeten worden beslist op grond van vrijspraak. Nu het hof tot een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde is gekomen, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2002, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde periode.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer2] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2002 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer2] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2002 tot aan de dag der algehele voldoening.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. W.F. van Zant, raadsheren,
in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,
en op 17 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.