ECLI:NL:GHARL:2016:3820

ECLI:NL:GHARL:2016:3820, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-05-2016, 15/00041

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-05-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/00041
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
11 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002614 BWBR0004770 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011353 BWBR0012031 BWBR0018450 BWBR0035362 BWBR0035917 CELEX:31992R2913 EU:31992R2913

Samenvatting

Hof acht aannemelijk dat in de aankoopprijs van een door belanghebbende aangeschafte auto kosten zijn begrepen van aanpassingen die de auto geschikt maakten voor het vervoer van zijn echtgenote in een rolstoel. Deze kosten zijn als kosten van hulpmiddelen aan te merken. Aftrek van andere specifieke zorgkosten is door de Inspecteur terecht geweigerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 15/00041

uitspraakdatum: 18 mei 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2014, nummer AWB LEE 14/449, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.581 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.863. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 360.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 december 2014 ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn zoon, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door mevrouw [B] .

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

Belanghebbende is gehuwd met [C] (hierna: de echtgenote). De echtgenote lijdt aan de ziekte van Kahler.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2010 een bedrag van € 11.059 (voor toepassing van de drempel) aan specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. Deze specifieke zorgkosten zijn als volgt samengesteld:

Genees- en heelkundige hulp

€ 454

Voorgeschreven medicijnen

€ 320

Vervoer

€ 4.824

Dieet op voorschrift van een dokter of diëtist

€ 950

Extra gezinshulp

€ 3.761

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 750

Totaal specifieke zorgkosten

€ 11.059

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur geen aftrek van specifieke zorgkosten toegestaan omdat de door hem geaccepteerde kosten (genees- en heelkundige hulp ten bedrage van € 454 en extra uitgaven voor kleding en beddengoed ten bedrage van € 300) lager zijn dan de drempel.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een aftrek voor specifieke zorgkosten, voor toepassing van de drempel, van € 11.482. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

Genees- en heelkundige hulp

€ 1.197

Vervoer

€ 6.324

Dieet op voorschrift van een dokter of diëtist

€ 950

Extra gezinshulp

€ 2.261

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 750

Totaal specifieke zorgkosten

€ 11.482

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

De Rechtbank heeft de voor aftrek in aanmerking komende specifieke zorgkosten berekend op € 813 (€ 588 voor vervoer en € 225 voor genees- en heelkundige hulp, zijnde tandartskosten), hetgeen lager is dan de voor belanghebbende geldende drempel van € 1.789.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

In geschil is of de Inspecteur terecht de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en tot vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning, waarbij rekening wordt gehouden met een aftrek van specifieke zorgkosten, voor toepassing van de drempel, van € 6.295, als volgt te specificeren:

Genees- en heelkundige hulp

€ 1.957

Vervoer

€ 3.588

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 750

Totaal specifieke zorgkosten

€ 6.295

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 in de voor het jaar 2010 geldende tekst definieert de persoonsgebonden aftrek als het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 zijn de uitgaven voor specifieke zorgkosten persoonsgebonden aftrekposten.

Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp (…);

b. vervoer;

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

(…)

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

(…)."

Drempel

Niet in geschil is dat belanghebbendes verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 49.444 bedraagt en het verzamelinkomen van de echtgenote voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 9.298. De drempel bedraagt voor belanghebbende voor het onderhavige jaar op grond van artikel 6.20, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 € 1.789.

Genees- en heelkundige hulp

Op grond van het bepaalde in artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt de uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen.

Belanghebbende maakt in hoger beroep aanspraak op een bedrag van € 1.957 aan genees- en heelkundige hulp, bestaande uit kosten voor de tandarts (€ 350), apotheek (€ 289) en pedicure (€ 120) alsmede uit elektriciteitskosten voor zuurstofondersteuning (€ 228) en aan het CAK betaalde eigen bijdragen voor Zorg zonder Verblijf (€ 970). Naar aanleiding van de door belanghebbende overgelegde nota’s zijn de tandartskosten volledig door de Inspecteur geaccepteerd.

De kosten van farmaceutische hulpmiddelen zijn aftrekbaar indien deze zijn verstrekt op voorschrift van een arts (artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Ter zitting heeft de Inspecteur er mee ingestemd dat door belanghebbende voor een bedrag aan € 289 geneesmiddelen op voorschrift van een arts zijn aangeschaft.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inschakeling van een pedicure noodzakelijk was omdat zijn echtgenote door lichamelijke klachten als gevolg van haar ziekte niet in staat is zelf haar voeten te verzorgen. De kosten van een pedicure zijn alleen aftrekbaar als daar een medische noodzaak toe is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de pedicure berusten op een medische indicatie. Deze kosten komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.

De door belanghebbende opgevoerde elektriciteitskosten zien op meerkosten in verband met de beademing van de echtgenote. De Inspecteur heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat die kosten een directe relatie hebben met de behandeling van de echtgenote en daarom dienen te worden gerekend tot de uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001.

De door belanghebbende verschuldigde eigen bijdragen voor Zorg zonder Verblijf, zijnde krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigde bijdragen, komen op grond van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet voor aftrek in aanmerking.

Vervoer

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij bij de aanschaf van de auto extra kosten heeft gemaakt omdat de auto door speciale aanpassingen geschikt is gemaakt voor het vervoer van zijn echtgenote in een rolstoel. De extra kosten heeft belanghebbende gesteld op € 9.000, waarvan hij een derde gedeelte aan het onderhavige jaar toerekent. Hij heeft hiertoe een in het jaar 2015 opgemaakte offerte overgelegd. De Inspecteur heeft in dit verband gesteld dat belanghebbende de auto in 2009 heeft gekocht voor € 19.250. Op dat moment bedroeg de nieuwprijs van een niet aangepaste auto van hetzelfde merk en type € 16.447. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij € 9.000 aan aanpassingskosten heeft gemaakt. Daarnaast wijst de Inspecteur erop dat de afschrijving van de auto over een te korte termijn is verdeeld, omdat belanghebbende de auto ook thans nog in zijn bezit heeft.

Het aanpassen van een auto om deze geschikt te maken voor rolstoelvervoer kan aangemerkt kan worden als een aanpassing die hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt als bedoeld in artikel 6.17, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. De kosten daarvan kunnen dan als kosten van hulpmiddelen in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft hetzelfde te gelden voor de extra kosten die begrepen zijn in de aankooprijs van een gebruikte auto waaraan die aanpassingen al zijn aangebracht.

De bewijslast van de hoogte van die extra kosten rust op belanghebbende. Met de in het jaar 2015 opgemaakte offerte heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de aanschaf van de auto in het jaar 2009 tot een bedrag van € 9.000 aan extra kosten vanwege de aanpassingen heeft gemaakt. Wel acht het Hof aannemelijk dat in de aankoopprijs van de auto een bedrag is begrepen dat is toe te rekenen aan de aanpassingen. Belanghebbende heeft immers een gebruikte auto gekocht voor € 19.250. Zonder aanpassingen zou deze auto minder hebben gekost dan de door de Inspecteur gestelde nieuwprijs van € 16.447. Gelet hierop stelt het Hof de aanpassingskosten in goede justitie op € 6.000. Het Hof acht aannemelijk dat de aanpassingen van de auto niet alleen voor de echtgenote van belanghebbende bruikbaar zijn en daarom gedurende enkele jaren een niet te verwaarlozen marktwaarde behouden. Gelet hierop acht het Hof een afschrijvingstermijn van vijf jaar redelijk, zodat aan de jaren 2009 tot en met 2013 telkens € 1.200 kan worden toegerekend.

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

Op grond van het bepaalde in artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt de uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed.

De Inspecteur heeft het in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vermelde forfaitaire bedrag van € 300 in aanmerking genomen. Om voor het hogere bedrag van € 750 in aanmerking te komen, dient belanghebbende te doen blijken dat zijn extra uitgaven hoger zijn dan € 600. Belanghebbende heeft ter onderbouwing hiervan nota’s overgelegd. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met deze nota’s en de daarop gegeven toelichting niet heeft doen blijken dat de werkelijke kosten als gevolg van de ziekte van de echtgenote hoger zijn dan € 600. De Inspecteur heeft de extra uitgaven voor kleding en beddengoed dan ook terecht beperkt tot € 300.

Heffingsrente

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van het nader vastgestelde belastbare inkomen betreft.

Conclusie

Het Hof berekent de voor aftrek in aanmerking komende specifieke zorgkosten op € 350 (tandartskosten) + € 289 (medicijnen) + € 588 (vervoerskosten) + € 1.200 (ombouwkosten auto) + € 228 (elektriciteit) + € 300 (extra uitgaven voor kleding en beddengoed), ofwel in totaal € 2.955. Dit leidt tot de conclusie dat de totale specifieke zorgkosten leiden tot een aftrek van € 1.166, het bedrag waarmee zij de drempel van € 1.789 overstijgen. Het belastbare inkomen uit werk en woning dient nader te worden vastgesteld op € 40.581 -/- € 1.166 = € 39.415.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gedeeltelijk gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken vast op € 7,82 voor zijn reiskosten in eerste aanleg en € 17,76 voor de reiskosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 25,58.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.415 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.863,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 25,58,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 44 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 18 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 mei 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2016/1121 V-N 2016/39.23.13 NTFR 2016/1791 met annotatie van Mr. A.A. Fase FutD 2016-1300 Viditax (FutD) 2016052403
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?