OVERWEGINGEN:
De advocaat-generaal heeft zich onder verwijzing naar de bewoordingen van artikel 14e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift moet worden behandeld ter terechtzitting van het hof en dat de hoofdzaak daartoe zo nodig eerder ter terechtzitting moet worden aangebracht. De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd.
Het hof is van oordeel dat uit de bewoordingen van het tweede lid van artikel 14e Sr slechts volgt dat het verzoekschrift moet worden behandeld door het gerechtshof dat bevoegd is tot het oordelen op het hoger beroep in de hoofdzaak. Gelet op het (mogelijk) ingrijpende karakter van een bevel tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de (bijzondere) voorwaarden dient een verzoek als bedoeld in artikel 14e, tweede lid, Sr met de nodige voortvarendheid te worden behandeld. Het wachten met de behandeling van dit verzoek tot de terechtzitting van het gerechtshof in de hoofdzaak, indien die zitting niet binnen korte termijn is te verwachten, is niet in overeenstemming met de bedoeling van deze bepaling. Gelet op het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering is voorafgaande aan het aanbrengen ter terechtzitting de raadkamer van het hof aangewezen om een verzoek als het voorliggende te behandelen. De raadkamer acht zich derhalve bevoegd.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte bij vonnis van 5 augustus 2016 ter zake van mishandeling onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen, waarvan 125 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de algemene voorwaarden dat verdachte:
en onder de bijzondere voorwaarden, verkort weergegeven, dat verdachte:
De rechtbank heeft Reclassering Nederland opgedragen toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden (…).
De rechtbank heeft in het vonnis bevolen dat de voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn. Met betrekking tot dit bevel heeft de rechtbank overwogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten mishandeling van zijn levensgezel, en dat, gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het daarmee samenhangende recidiverisico, ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank het bevel summier heeft gemotiveerd. Wat betreft het recidive risico heeft de raadsman aangegeven dat hij dat niet volledig kan beoordelen omdat hij met uitzondering van het vonnis nog niet beschikt over de processtukken in eerste aanleg. De raadsman heeft verder aangegeven dat verdachte zich na het feit dat zich op
4 november 2015 heeft voorgedaan, gedurende zes à zeven weken heeft laten opnemen in een kliniek in verband met zijn drugsverslaving.
De raadsman heeft primair de vraag gesteld of ernstig rekening moet worden gehouden met herhaling zoals bedoeld in artikel 14e Sr. Subsidiair heeft hij op gedeeltelijke opheffing van het bevel gevraagd, namelijk van het locatieverbod en van de opnameverplichting in de forensische verslavingskliniek. De eerstgenoemde voorwaarde betreft een zeer ruim gebied en is daarom disproportioneel, mede met het oog op het aanvaarden van een werkkring. Laatstgenoemde voorwaarde draagt, aldus de raadsman, een sterk vrijheidsbenemend karakter, terwijl de vraag gesteld kan worden wat de meerwaarde is na het hiervoor genoemde verblijf in de verslavingskliniek.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en daarbij een aanvullend advies overgelegd van Reclassering Nederland van 29 september 2016. Daaruit blijkt onder meer dat de reclassering nog steeds achter het plan van aanpak staat en zonder klinisch behandeling te weinig mogelijkheden ziet om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstellingen.
Gezien de bewezenverklaring en de strafmotivering, die mede is gebaseerd op voorlichtingsrapportage van de reclassering en een rapport van een forensisch psycholoog, waaruit blijkt dat er sprake is van een ernstige persoonlijkheidspathologie en problematisch middelengebruik, waardoor verdachte niet instaat is zijn emoties te hanteren en de kans groot is dat bij toenemende stress en problemen sprake kan zijn van een agressieve acting-out, waardoor het recidiverisico hoog moet worden geacht, is het hof voorshands met de rechtbank van oordeel dat er voldoende gronden zijn om de opgelegde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dat verdachte zich gedurende een relatief korte periode heeft laten opnemen in een verslavingskliniek brengt daarin geen verandering. Voor het hof weegt daarbij zwaar dat verdachte gedurende de procedure in eerste aanleg bij herhaling de in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde bijzondere voorwaarden, met name het vrijwel gelijkluidende locatieverbod heeft overtreden, hetgeen tot twee keer toe heeft geleid tot de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Alles afwegende is het hof voorshands van oordeel dat in dit geval de met de dadelijke uitvoerbaarheid gediende belangen, te weten het verminderen van het recidivegevaar door gedragsverandering bij verdachte en de veiligheid van het slachtoffer, zwaarder moeten wegen dan het persoonlijke belang van de verdachte.
Het hof ziet daarom thans onvoldoende aanleiding om het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden geheel dan wel gedeeltelijk op te heffen en overigens evenmin om die voorwaarden te wijzigen. De daartoe strekkende verzoeken zullen worden afgewezen.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst af het verzoek tot opheffing of gedeeltelijke opheffing van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden in het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 augustus 2016;
Aldus gegeven op 6 oktober 2016 door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, P. van Dijken en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.