ECLI:NL:GHARL:2017:11555

ECLI:NL:GHARL:2017:11555

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-01-2017
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer 21-002399-09
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBUTR:2009:BI6925
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:2344

Samenvatting

Het hof legt een gevangenisstraf van 5 maanden en een taakstraf van 240 uur op voor grootschalige handel in softdrugs (art. 3.B en 3.C Opiumwet), witwassen en valsheid in geschrift (in verband met hypotheekfraude).

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002399-09

Uitspraak d.d.: 1 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2009 met parketnummer 16-715143-06 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [datum] ,

wonende te [adres 1] .

1. Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het door het openbaar ministerie ingestelde beroep is echter bij akte van 27 april 2011 ingetrokken.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 april 2011, 13 januari 2014, 15 januari 2014 en 18 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht.

3. Ontvankelijkheid van het beroep

Verdachte is door de rechtbank Utrecht bij vonnis van 8 juni 2009 vrijgesproken van hetgeen hem bij feit 4 onder 5a (huurovereenkomst [adres 2] ) is tenlastegelegd. Tegen een vrijspraak staat voor verdachte geen hoger beroep open. Verdachte wordt daarom voor het onderdeel 5a van feit 4 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

4. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu verdachte ernstig in zijn verdedigingsrechten is geschaad als gevolg van het niet in acht nemen van de redelijke termijn ex artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Een tweede grond is gelegen in een schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat de processen-verbaal van de getapte geheimhoudersgesprekken niet onverwijld door de officier van justitie zijn vernietigd.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de overschrijding van de redelijke termijn en de vormverzuimen ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te compenseren in de strafmaat.

Daartoe is het volgende gesteld:

De raadsman heeft aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 september 2016 heeft overwogen dat overschrijding van de redelijke termijn in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte dient dan van dien aard en zodanig ernstig te zijn dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De raadsman is van mening dat verdachte, gezien het tijdsverloop, zich ter terechtzitting niet behoorlijk kan verweren. Omdat de verweten gedragingen zo lang geleden plaatsvonden zal niet van getuigen verlangd kunnen worden dat zij daaromtrent nog kunnen verklaren, zodat verdachte tevens geschaad wordt in zijn ondervragingsrecht. Door de duur van de vervolging is de verdachte derhalve niet meer in staat een effectieve verdediging te voeren. Voorts dient rekening gehouden te worden met het feit dat verdachte al tien jaar in onzekerheid leeft en hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim een miljoen euro boven het hoofd hangt. De hele zaak trekt een zware wissel op het leven van verdachte.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat 59 geheimhoudersgesprekken niet onverwijld zijn vernietigd. De gesprekken zijn beluisterd, zodat niet kan worden uitgesloten dat de inhoud van die gesprekken is besproken en richting heeft gegeven aan het onderzoek. Er dient voorts ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte ook niet onbevangen met zijn raadsman heeft kunnen spreken.

De raadsman heeft betoogd dat beide gronden in onderlinge samenhang bezien onmiskenbaar het recht van verdachte op een eerlijk proces hebben geschonden. De normschending die is veroorzaakt door het openbaar ministerie raakt het wettelijk systeem in de kern en dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat in eerste aanleg een geringe overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld, maar dat het, mede gezien de ingewikkeldheid van de zaak, bij een enkele constatering van de overschrijding kan blijven. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het openbaar ministerie telkens getracht de zaak vlot te trekken, toen die door de complicaties, die optraden bij het vinden en horen van de door de verdediging gevraagde getuigen, vertraging opliep. Volgens de advocaat-generaal heeft in het bijzonder het horen van medeverdachte [naam 1] tot onnodige vertraging geleid. Problemen met diens opsporing, het meermalen door de Maltese autoriteiten verzetten van het geplande video-verhoor en de tussentijdse wisseling van raadsman hebben veel tijd gekost, terwijl de verdediging niets heeft gedaan om de zaak te bespoedigen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er ten gevolge van deze omstandigheden een overschrijding van de redelijke termijn kan worden vastgesteld, maar dat dit niet zeker niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en evenmin in de strafmaat verdisconteerd hoeft te worden.

Het oordeel van het hof

De redelijke termijn

Verdachte is op 8 mei 2007 aangehouden. Op 21 augustus 2007 heeft een pro formazitting plaats gevonden bij de Rechtbank Utrecht. De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman toegewezen om 10 getuigen te horen. Naar aanleiding van de pro formazitting op 8 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het horen van 5 getuigen toegewezen. Op 21 januari 2009 heeft de rechtbank opnieuw een verzoek tot het horen van 5 getuigen toegewezen, onder wie [naam 1] (onder voorwaarde dat hij kon worden opgespoord) en het verzoek tot het doen van onderzoek naar de geheimhouders- gesprekken eveneens toegewezen. De zaak is vervolgens op 21 april 2009, 23 april 2009 en 3 juni 2009 inhoudelijk behandeld, gelijktijdig met de zaken tegen medeverdachten [naam 2] en [naam 3] . Op 8 juni 2009 is het vonnis uitgesproken.

De raadsman heeft bij appelschriftuur van 1 juli 2009 en ter terechtzitting op 27 april 2011 onder meer verzocht om 31 getuigen te horen en een reclasseringsrapport te doen opmaken. Bij tussenarrest van 11 mei 2011 heeft het hof het verzoek tot het horen van 15 getuigen (onder wie [naam 1] ) toegewezen, alsmede het verzoek tot het opstellen van een reclasseringsrapport. De inhoudelijke behandeling zou gelijktijdig plaatsvinden met de zaken tegen zes medeverdachten. Bij brief van 19 augustus 2013 heeft mr. C. van Oort zich gesteld.

Op 13 januari 2014 is de zaak opnieuw ter terechtzitting behandeld. Uit het proces-verbaal terechtzitting blijkt dat alle genoemde getuigen met uitzondering van [naam 1] zijn gehoord. De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het horen van deze getuige, van wie de raadsvrouw geen adres wist. Het hof heeft de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen om [naam 1] alsnog te horen. Bij brief van 27 januari 2015 heeft mr. Y. Moszcowicz zich gesteld.

Nadat het adres van [naam 1] bekend is geworden, heeft het hof op 26 november 2014 een rechtshulpverzoek gericht aan het IRC. Vervolgens zijn met de Maltese autoriteiten afspraken gemaakt om [naam 1] te horen op respectievelijk 17 april 2015, 2 oktober 2015 en 30 november 2015. Om onbekende redenen zijn deze afspraken telkens door de Maltese autoriteiten afgezegd. Op het verzoek om een nieuwe afspraak voor het verhoor te plannen, werd niet gereageerd. De advocaat-generaal heeft bij emailbericht van 7 maart 2016 aangedrongen op een vlotte afdoening van de zaak. Uiteindelijk is voorgesteld om het verhoor op 27 juli 2016 te laten plaatsvinden. Zowel de raadsman als de advocaat-generaal heeft meegedeeld op deze datum verhinderd te zijn.

De raadsheer-commissaris heeft vervolgens op 19 juli 2016 beslist dat, gelet op de gedateerdheid van de zaak en de moeizame communicatie met de Maltese autoriteiten, het verhoor op 26 juli 2016 doorgang zou vinden en de raadsman en de advocaat-generaal verzocht om met het oog daarop op voorhand schriftelijk vragen in te sturen.

Bij brief van 25 juli 2016 heeft de raadsman (opnieuw) verzocht het verhoor aan te houden en meegedeeld dat hij vanuit tactische overwegingen geen vragen zal indienen.

Uit bovenstaande weergave van het verloop van de procedure blijkt dat er veel tijd nodig is geweest voor het horen van een groot aantal getuigen. Met name het horen van getuige [naam 1] is de oorzaak geweest van langdurige, ongewenste vertraging. Het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris waren voor het horen van deze getuige aangewezen op de medewerking van de Maltese autoriteiten en op het uitstel hebben zij geen invloed gehad. Uiteindelijk is besloten dat het verhoor van [naam 1] op 27 juli 2016 per video-verbinding zou plaatsvinden. De raadsman van verdachte heeft ervoor gekozen geen vragen in te dienen.

Het hof heeft te beoordelen of er door het geschetste tijdsverloop sprake is van een, door de Hoge Raad in het arrest van 13 september 2016 bedoeld uitzonderlijk geval, dat zou kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarbij neemt het hof de volgende overweging van de Hoge Raad tot uitgangspunt :

“Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM - dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld zodanige inbreuk op de rechten van de verdachte is gemaakt, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM.”

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte is op 8 mei 2007 aangehouden en op diezelfde datum heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een grote hoeveelheid hennep en geld is aangetroffen. Verdachte is aangehouden in het schuurtje waar met hennep gevulde kartonnen dozen aanwezig waren, die net daarvoor door leverancier [naam 4] waren afgeleverd. Verdachte moet zich hebben gerealiseerd waarvan hij werd verdacht. Het onderzoek naar het witwassen is kort daarop gestart en het (eind)proces-verbaal is op 20 september 2007 gesloten. Verdachte beschikte op dat moment over alle voor zijn verdediging benodigde gegevens en wist precies waar hij zich tegen had te verweren. Verdachte heeft zich in het vooronderzoek echter veelvuldig beroepen op zijn zwijgrecht en geen stukken overgelegd die zijn mogelijke verweren zouden kunnen onderbouwen. Evenmin heeft hij in die fase mededelingen gedaan, die aanknopingspunt konden bieden voor in het kader van zijn verdediging relevante onderzoekshandelingen. De eerste van een aantal zittingen heeft plaats gevonden in 2007, waarbij telkenmale verzoeken tot het horen van een uiteindelijk groot aantal getuigen zijn toegewezen. De meeste getuigen zijn ook binnen vijf maanden gehoord. Tijdens de procedure in hoger beroep is opnieuw een groot aantal getuigen gehoord. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof niet in dat verdachte onvoldoende in staat zou zijn gesteld dan wel thans niet meer in staat zou zijn om zijn verdediging effectief te voeren. De procedure heeft weliswaar meer tijd in beslaggenomen dan de zaken tegen de medeverdachten (- die in 2014 zijn veroordeeld-), maar dat tijdsverloop is in overwegende mate te wijten aan de problemen rond het horen van getuige [naam 1] .

Tegen deze achtergrond wijst het hof naar rechtsoverweging 2.3.2 van hetzelfde arrest van de Hoge Raad:

“In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - getuigen. Genoemd voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.”

Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Dat neemt niet weg dat de vervolging aanmerkelijk langer heeft geduurd dan in het licht van het bepaalde in artikel 6 EVRM voor redelijk gehouden mag worden, hetgeen een schending van de door dat artikel beschermde rechten van verdachte inhoudt.

De geheimhoudersgesprekken

Het hof constateert op grond van het dossier dat diverse tapgesprekken die als geheimhoudergesprekken kunnen worden aangemerkt uit de periode januari 2007 tot mei 2007, pas op 4 respectievelijk 8 maart 2008 dan wel pas op 12 februari 2009 zijn vernietigd en dat daarmee geen sprake is van onverwijlde vernietiging in de zin van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van art. 359a Sv moet het hof bij het bepalen van de sanctie op een onherstelbaar vormverzuim rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt en de ernst van het feit waarvan iemand wordt verdacht.

Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn als de politie en/of het openbaar ministerie ernstig inbreuk heeft/hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in dit soort zaken, bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging is, mede van belang is of de geheimhoudergesprekken onderzoeksgegevens die van belang zijn, hebben opgeleverd. Ook is van belang of er aanwijzingen zijn dat naar aanleiding van de gesprekken met de geheimhouder nadere onderzoekshandelingen zijn verricht.

Het hof neemt in dit verband het volgende in aanmerking:

- de advocaat-generaal heeft verklaard dat de vernietigde gesprekken met geheimhouders niet richtinggevend zijn geweest voor het onderzoek, zoals de officier van justitie in eerste aanleg ook al heeft gezegd;

- door de getuige [naam 5] , opsporingsambtenaar bij de belastingdienst is op 9 november 2011 bij de rechter-commissaris te Utrecht verklaard dat hij destijds als financieel rechercheur betrokken is geweest bij het onderzoek Strik en rapportages heeft opgemaakt met betrekking tot de geheimhoudersgeprekken. Bij het onderzoek naar hypotheken en banken is geen gebruik gemaakt van tapgesprekken, aldus [naam 5] ;

- uit de verklaring van verbalisant [naam 6] bij de rechter-commissaris leidt het hof af dat de tapgesprekken in het algemeen pas geruime tijd na de opname werden uitgewerkt;

Het hof leidt uit de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] af dat geheimhoudersgesprekken geen sturende rol hebben gespeeld. Uit het procesdossier is het hof ook overigens niet gebleken van enige sturing van het onderzoek op basis van geheimhoudergesprekken.

Gelet op het bovenstaande acht het hof niet aannemelijk dat de geheimhoudergesprekken sturend zijn geweest voor (de start van) het onderzoek.

Nu ook overigens niet is gesteld noch is gebleken dat politie en openbaar ministerie ten aanzien van het niet onverwijld vernietigen van getapte geheimhoudergesprekken doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte of medeverdachten verdachte tekort heeft gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, wordt het verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verworpen.

Het hof ziet voorts niet dat verdachte door het verzuim nadeel heeft geleden, dat zou nopen tot een compensatie in de strafoplegging. Gelet op het voorgaande ziet het hof, anders dan de raadsman heeft bepleit, aanleiding om te volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim.

5. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

6. De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1:hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig - heeft gehad (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

2:hij op of omstreeks 8 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 63 kilo, althans een (grote) hoeveelheid (van meer dan 30 gram) van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

3:dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer voorwerp(en), waaronder

- een personenauto (merk: Mercedes, kenteken [kenteken 1] ), gekocht rond juli 2006 voor (ongeveer) €33.000,-- en/of

- een personenauto (merk: Peugeot, kenteken [kenteken 2] ), gekocht rond januari 2007 voor (ongeveer) € 12.600,-- en/of

- een caravan (merk: Tabbert), gekocht voor (ongeveer) € 12.000,-- en/of

- een keuken, gekocht rond juni 2006 voor (ongeveer) € 15.900,-- en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) € 104.855,- -(op 8 mei 2007) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) € 9.874,-- (op 8 mei 2007) en/of

- ( in elk geval) 12 bedragen van (telkens) (ongeveer) €25.000,-, althans een of meer geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer) €25.000,--,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat (onder meer) een of meer van deze voorwerpen en/of dit geld, althans een of meer van deze geldbedragen, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

4:dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 oktober 2006, althans tot en met 1 september 2005, te Amersfoort en/of te Barneveld en/of te ’s-Hertogenbosch, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) geschrift(en), te weten (onder meer)

1a. een werkgeversverklaring (gedateerd 13 december, zonder jaartal), waarin [naam 7] als werkgever staat vermeld en hij, verdachte, als werknemer (blz. 6/1505) en/of

1b. een werkgeversverklaring (gedateerd 11 december 2002), waarin [naam 8] als werkgever staat vermeld en [naam 2] als werknemer (blz. 6/1506) en/of

2a. een huurovereenkomst (gedateerd 14 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 9] (blz. 6/1 645) en/of

2b. een huurovereenkomst (gedateerd 14 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 10] (blz. 6/1 649) en/of

2c. een huurovereenkomst (gedateerd 11 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 3] (blz. 6/1 653) en/of

3a. een huurovereenkomst (gedateerd 1 januari 2003) (met betrekking tot een woongedeelte achter de winkel), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 12] (blz. 6/1684) en/of

3b. een huurovereenkomst (gedateerd 1 januari 2003) (met betrekking tot winkelruimte), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 12] (blz. 6/1687) en/of

3c. een huurovereenkomst (gedateerd 1 april 2004), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 13] (blz. 6/1 680) en/of

4a. een werkgeversverklaring (gedateerd 10 juli 2003), waarin [naam 14] als werkgever staat vermeld en hij, verdachte, als werknemer (blz. 6/1589) en/of

4b. een salarisspecificatie betreffende de maand juni 2003 ten behoeve van hem, verdachte, (blz. 6/159 1) en/of

5a. een huurovereenkomst (gedateerd 15 augustus 2006), waarop als verhuurder staat vermeld hij, verdachte, en als huurders [naam 15] en [naam 16] (blz. 6/1 700)

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst door - zakelijk weergegeven - op dit/deze geschrift(en) onware gegevens te vermelden over (onder meer) het bestaan van - (een) werkgevers-/werknemersverhouding(en) tussen de op (een of meer) voormelde werkgeversverklaring(en) genoemde personen en/of

- ( een) verhuurders-/huurdersverhouding(en) tussen de op (een of meer) voormelde huurovereenkomst(en) genoemde personen en/of over de duur van deze overeenkomst(en) en de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen en/of opbrengsten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (ten behoeve van (een) hypothecaire financiering(en) met betrekking tot het onroerend goed

1. [adres 3]

2. [adres 4]

3. [adres 5]

4. [adres 6]

5. [adres 2] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Uit vaste jurisprudentie blijkt immers dat het enkele voorhanden hebben van geldbedragen onvoldoende is voor een bewezenverklaring van het “verbergen en verhullen van de herkomst van die geldbedragen.”

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het verhullen van het bedrag van € 9.874,--, dat onder feit 3, zesde aandachtstreepje is tenlastegelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Nu slechts het ‘voorhanden hebben’ van een geldbedrag ad € 9.874,-- is bewezenverklaard dient verdachte van het witwassen van dit bedrag te worden vrijgesproken.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte ook zou moeten worden vrijgesproken van het witwassen van de onder feit 3, vijfde en zevende gedachtestreepje, tenlastegelegde geldbedragen, deelt het hof die opvatting niet. De door de raadsman in dit verband aangehaalde jurisprudentie ziet niet op het omzetten of overdragen van door een misdrijf of misdrijven verworven voorwerpen. De geldbiljetten, die werden aangetroffen in de kluis in de woning van de moeder van verdachte zijn daar verborgen. De geldbiljetten (van meestal € 50) aangeboden aan de [bank] zijn ter omzetting (in bankbiljetten van € 500) overgedragen aan de [bank] , waarmee de verschillende bestanddelen van het witwassen van die geldbedragen zijn vervuld.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de overige tenlastegelegde feiten, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

8. Bewezenverklaring

5. [adres 2] .

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig - heeft gehad (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

2:

hij op of omstreeks 8 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 63 kilo, althans een (grote) hoeveelheid (van meer dan 30 gram) van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

3:

dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer voorwerp(en), waaronder

- een personenauto (merk: Mercedes, kenteken [kenteken 1] ), gekocht rond juli 2006 voor (ongeveer) € 33.000,-- en/of

- een personenauto (merk: Peugeot, kenteken [kenteken 2] ), gekocht rond januari 2007 voor (ongeveer) € 12.600,-- en/of

- een caravan (merk: Tabbert), gekocht voor (ongeveer) € 12.000,-- en/of

- een keuken, gekocht rond juni 2006 voor (ongeveer) € 15.900,-- en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) € 104.855,-- (op 8 mei 2007) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) € 9.874,-- (op 8 mei 2007) en/of

- (in elk geval) 12 bedragen van (telkens) (ongeveer) € 25.000,--, althans een of meer geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer) €25.000,--,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat (onder meer) een of meer van deze voorwerpen en/of dit geld, althans een of meer van deze geldbedragen, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

4:

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 oktober 2006, althans tot en met 1 september 2005, te Amersfoort en/of te Barneveld en/of te `s-Hertogenbosch, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (althans alleen, een) geschrift(en), te weten (onder meer)

1a. een werkgeversverklaring (gedateerd 13 december, zonder jaartal), waarin [naam 7] als werkgever staat vermeld en hij, verdachte, als werknemer (blz. 6/1505) en/of

1b. een werkgeversverklaring (gedateerd 11 december 2002), waarin [naam 8] als werkgever staat vermeld en [naam 2] als werknemer (blz. 6/1506) en/of

2a. een huurovereenkomst (gedateerd 14 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 9] (blz. 6/1 645) en/of

2b. een huurovereenkomst (gedateerd 14 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 10] (blz. 6/1 649) en/of

2c. een huurovereenkomst (gedateerd 11 februari 2005), waarop als verhuurders staan vermeld hij, verdachte, en [naam 2] en als huurder [naam 3] (blz. 6/1 653) en/of

3a. een huurovereenkomst (gedateerd 1 januari 2003) (met betrekking tot een woongedeelte achter de winkel), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 12] (blz. 6/1684) en/of

3b. een huurovereenkomst (gedateerd 1 januari 2003) (met betrekking tot winkelruimte), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 12] (blz. 6/1687) en/of

3c. een huurovereenkomst (gedateerd 1 april 2004), waarop als verhuurder staat vermeld [naam 11] en als huurder [naam 13] (blz. 6/1 680) en/of

4a. een werkgeversverklaring (gedateerd 10 juli 2003), waarin [naam 14] als werkgever staat vermeld en hij, verdachte, als werknemer (blz. 6/1589) en/of

4b. een salarisspecificatie betreffende de maand juni 2003 ten behoeve van hem, verdachte, (blz. 6/159 1) en/of

5a. een huurovereenkomst (gedateerd 15 augustus 2006), waarop als verhuurder staat vermeld hij, verdachte, en als huurders [naam 15] en [naam 16] (blz. 6/1 700)

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst door - zakelijk weergegeven - op dit/deze geschrift(en) onware gegevens te vermelden over (onder meer) het bestaan van - (een) werkgevers-/werknemersverhouding(en) tussen de op (een of meer) voormelde werkgeversverklaring(en) genoemde personen en/of

- (een) verhuurders-/huurdersverhouding(en) tussen de op (een of meer) voormelde huurovereenkomst(en) genoemde personen en/of

over de duur van deze overeenkomst(en) en de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen en/of opbrengsten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (ten behoeve van (een) hypothecaire financiering(en) met betrekking tot het onroerend goed

1. [adres 3]

2. [adres 4]

3. [adres 5]

4. [adres 6]

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

11. Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, indien niet naar behoren verricht, te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis.

De raadsman heeft een psychiatrisch rapport, opgemaakt op 11 januari 2017 door

H. de Jong, psychiater te Koudum, overgelegd. Uit het rapport zou blijken dat verdachte na tien jaar in onzekerheid te hebben geleefd, een gebroken man is. De langdurige vervolging en de ontnemingsvordering van ruim een miljoen euro hangen als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken of dat, subsidiair, de gevangenisstraf beperkt zou moeten worden tot de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De overschrijding van de redelijke termijn en het niet onverwijld vernietigen van de geheimhoudersgesprekken zou gecompenseerd dienen te worden door af te zien van het mede opleggen van een taakstraf.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tenminste vier maanden schuldig gemaakt aan het verhandelen en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs. Deze handel heeft op grote schaal en op professionele wijze plaatsgehad. Verdachte heeft uit deze verboden handel aanzienlijk financieel voordeel genoten. Verdachte heeft deze inkomsten, waarvan hij wist dat het van misdrijven afkomstig was, voorhanden gehad en deze proberen te onttrekken aan het zicht van politie en justitie. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en deze vervolgens, zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt, in omloop te brengen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Daarnaast heeft verdachte zich in een aantal gevallen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Voor een werkbare samenleving is het van essentieel belang dat burgers in het maatschappelijk verkeer vertrouwen kunnen stellen in de juistheid van bepaalde geschriften. Deze geschriften worden bovendien als controlemechanismen gebruikt door financiële instellingen om tot een verantwoorde kredietverlening over te gaan en zij dienen om een gezonde en stabiele economie te bevorderen. Door gebruik te maken van valse werkgeversverklaringen en huurovereenkomsten met het oogmerk een hypotheek te verkrijgen, heeft verdachte zowel het vertrouwen van de burgers als dat van de financiële instellingen beschadigd. Dit kan een ontwrichtende werking hebben op het economisch verkeer.

Dit zijn ernstige feiten waarvoor in beginsel de oplegging van een forse gevangenisstraf passend en geboden is.

Het hof heeft kennisgenomen van het overgelegde psychiatrische rapport. Het hof maakt uit de rapportage echter op dat de problemen van verdachte zoal niet grotendeels voortvloeien uit, dan toch tenminste sterk samenhangen met zijn drugsgebruik en een gestoord rouwproces. Het hof zal - zoals hierboven overwogen - rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de zaak complex en omvangrijk is en er sprake was van meer verdachten en een groot aantal getuigenverhoren, stelt het hof vast dat de zaak voortvarender behandeld had kunnen en moeten worden, in het bijzonder nu een langdurige gevangenisstraf en een aanzienlijke ontneming werden gevorderd. Het hof houdt voorts rekening met het feit dat, zo blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 december 2016, verdachte -behoudens twee overtredingen van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994- geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Voorts is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

De ernst van de feiten rechtvaardigen het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Het enkele feit dat de voorlopige hechtenis indertijd is geschorst en verdachte zich na zijn schorsing niet opnieuw aan soortgelijke strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, maakt dat niet anders. Nu het hof echter heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in ernstige mate is overschreden, zal dit verdisconteerd moeten worden in de strafmaat. Het hof zal om die reden geen gevangenisstraf opleggen van een langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. In plaats daarvan zal het hof, naast een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, een taakstraf opleggen van de maximale duur. Dit laatste om de ernst van de feiten te benadrukken. Gelet op de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een substantieel bedrag, zal het hof afzien van het opleggen van een geldboete, zoals opgelegd aan medeverdachte [naam 2] .

12. Beslag

Het hof heeft geen beslaglijst in het dossier aangetroffen, zodat over mogelijk (nog) inbeslaggenomen voorwerpen geen beslissing kan worden genomen.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging;

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de vrijspraak

van het tenlastegelegde onder 5a van feit 4;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd onder feit 3 met betrekking tot het geldbedrag groot € 9.874,-- en spreekt verdachte daarvan vrij;

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 1 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. de Groot
  • mr. P.R. Wery
  • mr. T.M.L. Wolters

Griffier

  • mr. N.E. Versloot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand