GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
arrest van 12 september 2017
in de gevoegde zaken van
1. zaaknummers 200.141.151/01, 200.164.392/01 (zaak 1, waarbij de afzonderlijke zaaknummers waar nodig zullen worden aangeduid met zaak 1a en zaak 1b)
[appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2],
advocaat: mr. J.M.E. Hamming, kantoorhoudend te Drachten,
tegen
1. [geïntimeerde1] ,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde1],
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s.,
advocaat: mr. J. Bolt, kantoorhoudend te Groningen,
alsmede
2. zaaknummer 200.204.944/01 (zaak 2)
1. [appellant] ,
2. [appellante] ,
wonende te [B] ,
wonende te [B] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s.,
advocaat: mr. J. Bolt, kantoorhoudend te Groningen.
tegen
[appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] ,
wonende te [A] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2],
advocaat: mr. J.M.E. Hamming, kantoorhoudend te Drachten.
1. Het verdere verloop van de gedingen in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 mei 2017 hier over.
Beide partijen hebben een akte genomen.
Op de rolzitting van 11 juli 2017 hebben beide partijen arrest verzocht en daartoe aanvullend gefourneerd. Het hof heeft een datum voor arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling van de grieven en de vorderingen
Het hof heeft bij arrest van 16 mei 2017 partijen een voorstel gedaan voor de wijze waarop zij hun geschil zouden kunnen regelen. Dit voorstel is niet aanvaard.
Partijen dienden zich vervolgens uit te laten over de schade die [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] heeft aangebracht aan het verharde deel van het toegangspad van [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s.
[appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] heeft aangegeven dat hij bereid is om een bedrag van € 1.000 ,- zoals volgens hem de deskundige kennelijk voorstaat, te accepteren. Anders stelt [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] een (aanvullend) deskundigenrapport naar de hoogte van de schade voor.
Volgens [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. is het door Nooren geraamde bedrag van € 1.000, - door prijsverhogingen van de afgelopen jaren niet meer toereikend. Herstel van talud en herstel van het gescheurde betonpad kost aanmerkelijk meer. [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. stellen dat oplapping van het gescheurde pad geen oplossing is en dat het pad als geheel vervangen moet worden. Zij stellen een nader deskundigenrapport voor over de kosten van herstel.
Het hof heeft in het tussenarrest reeds overwogen dat de bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid en de omvang van de schade aan het toegangspad op [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. rust. Het hof heeft vervolgens [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. in zoverre in het bewijs geslaagd geacht dat het hof bewezen acht dat een aantal scheuren in de betonverharding en de taludverzakking zijn veroorzaakt door [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] en dat [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. daardoor schade hebben geleden. Het hof heeft evenwel een compleet nieuwe betonverharding zoals door [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. voorgestaan afgewezen, reeds omdat bepaald niet vaststaat dat het pad scheurvrij was voordat [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] daarvan gebruik maakte voor het afvoeren van de robiniabomen. Het hof verwijst naar het deskundigenbericht van ing. [C] . Het hof ziet geen reden om op deze beslissing terug te komen.
Anders dan [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] stelt, is het herstel van het pad door ing. [D] niet begroot op € 1.000, -. Dit bedrag heeft alleen betrekking op het herstel van het talud, voor zover niet begrepen in de nota van Borg. Geen der partijen heeft aangegeven dat dit herstel in de nota van Borg was inbegrepen, zodat ook het hof daarvan uit gaat. Het hof zal de kosten van herstel van het talud, rekening houdende met een gestegen prijsniveau sedertdien, begroten op € 1.200,-. Ing. [D] heeft een compleet nieuwe betonverharding destijds geschat op € 14.000,- Het hof schat de kosten van plaatselijk herstel door opvulling van scheuren met asfalt of een vergelijkbaar materiaal, aan de hand van op het internet beschikbare prijstabellen die diverse asfalteringsbedrijven voor reparatie aan onder meer betonpaden in rekening brengen, tussen de 10 en 30 euro per m2, afhankelijk van de diepte van de scheuren (het hof verwijst naar www.asfaltering.nl en www. zwammerdamgroep.nl). Uitgaande van een gemiddelde prijs van 20 euro per m2 en een door het hof geschatte oppervlakte aan te herstellen scheuren van ongeveer 150 m2, schat het hof de kosten op herstel van de scheuren die door [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] zijn veroorzaakt op € 3.000,-. Het hof acht geen termen aanwezig voor een nader deskundigenbericht, omdat uit het deskundigenbericht van ing. [C] afdoende blijkt dat niet kan worden vastgesteld welke scheuren in welke mate door [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] zijn veroorzaakt, zodat ook aan een nader deskundigenbericht altijd een hoog schattingsgehalte zal kleven.
Mitsdien begroot het hof de totale schade aan het toegangspad die nog voor rekening van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] komt, op € 4.200,-.
De slotsom
Het hof zal in zaak 1 het vonnis van 16 oktober 2013 vernietigen, inclusief de in hoger beroep niet aangevochten beslissing onder 7.1 (de veroordeling van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] tot betaling van de nota van Borg ad € 960,63). Het hof zal die beslissing uit efficiencyoverwegingen verplaatsen naar het eindarrestgedeelte. Ook het vonnis van 14 januari 2015 wordt vernietigd. Het hof zal in deze procedure, nu die gericht was tegen de deelvonnissen, geen nieuw dictum formuleren. Dat komt in procedure 2 aan de orde. In deze deelvonnissen is geen kostenveroordeling opgenomen, zodat het hof in die procedure geen beslissing behoeft te nemen over de proceskosten in eerste aanleg. Wel dient het hof in deze procedure te beslissen over de proceskosten in hoger beroep.
Het hof zal [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure begroten, waarbij het hof voor wat betreft het salaris van de advocaat van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] in aanmerking neemt twee memories van grieven, één comparitie (ter plaatse), zijnde drie punten, derhalve 3 punten naar tarief II.
In zaak 2 zal het hof het eindvonnis van 28 september 2016 vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] veroordelen tot betaling van de nota van Borg en de hiervoor berekende schadevergoeding van € 4.200. Rente is niet gevorderd. Over de nota van Borg is rente verschuldigd vanaf de betekeningsdatum van het vonnis waarin deze veroordeling oorspronkelijk was opgenomen. Nu het hof deze veroordeling betreffende de nota van Borg uitsluitend om efficiencyredenen vernietigt zal het hof daarom over dat bedrag de wettelijke rente toewijzen vanaf 31 oktober 2013.
Over de schadevergoeding is eerst rente verschuldigd na de betekening van dit arrest.
De overige vorderingen van [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. zal het hof afwijzen. De afwijzingen in de voorwaardelijke reconventie zal eveneens worden vernietigd, nu de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld in retrospectief alsnog niet in vervulling zijn gegaan. De bij eiswijziging toegevoegde vordering betreffende de erfdienstbaarheid van melkkar en voetpad was reeds eerder al door de rechtbank buiten beschouwing gelaten omdat deze erfdienstbaarheid door vermenging teniet was gegaan. Ook de kostenveroordeling in reconventie blijft niet in stand, omdat aan voorwaardelijk ingestelde vorderingen geen kostenveroordeling wordt verbonden wanneer de voorwaarde waaronder ze zijn ingesteld niet in vervulling is gegaan.
De veroordeling van [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. (nr. 3.2) in de kosten van de deskundige komt voor bekrachtiging in aanmerking. Het hof zal ook daar een rentecomponent over toekennen. De rechtbank heeft de kosten van de procedure in conventie gecompenseerd. Het hof acht dat, ook gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep, een juiste uitkomst, zodat het hof die beslissing zal overnemen. Het hof zal uit efficiencyoverwegingen het gehele dictum in conventie herformuleren.
Gelet op de uitkomst van het hoger beroep zal het hof de kosten van deze procedure compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in zaak 1A
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 oktober 2013.
in zaak 1B
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 januari 2015;
in beide gevoegde zaken (1A en 1B)
veroordeelt [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] begroot op € 1.206,99 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris voor de advocaat van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] ;
In zaak 2
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 september 2016 voor zover in conventie gewezen en opnieuw rechtdoende
veroordeelt [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] tot betaling aan [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. van € 960,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 oktober 2013;
veroordeelt [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] tot betaling aan [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. van een bedrag groot € 4.200,- ter zake van schadevergoeding;
veroordeelt [geïntimeerden zaak 1/appellanten zaak 2] c.s. in de kosten van de deskundige, aan de zijde van [appellant zaak1/geïntimeerde zaak 2] tot op heden begroot op € 2.453,10 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 oktober 2016;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
vernietigd genoemd vonnis van 28 september 2016 voor zover in voorwaardelijke reconventie gewezen en verstaat dat de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld, niet in vervulling zijn gegaan zodat aan behandeling van deze vorderingen niet wordt toegekomen;
compenseert de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten dient te dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. K.M. Makkinga en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2017.