ECLI:NL:GHARL:2018:3458

ECLI:NL:GHARL:2018:3458, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-04-2018, 21-006236-15

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 16-04-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21-006236-15
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2015:6541
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:492
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Gevangenisstraf voor mensenhandel en faillissementsfraude. Verdachte wordt deels vrijgesproken van de hem tenlastegelegde mensenhandel. Bijzondere overweging omtrent de vraag wanneer sprake is van een uitbuitingssituatie binnen de verslavingszorg. Dat de instelling (en verdachte) een financieel belang hadden bij de beperkingen en verplichtingen die aan cliënten werden opgelegd, betekent nog niet dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Pas als gesproken kan worden van een ernstige disbalans in het voordeel van de instelling (en dus verdachte), kan dit naar het oordeel van het hof geduid worden als uitbuiting.

Uitspraak

2. Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de integrale vrijspraak bepleit van verdachte ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde is de verdediging van mening dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat verdachte betalingen heeft gedaan in het zicht van het faillissement waardoor schuldeisers zijn benadeeld. Op deze vaststelling past echter wel de kanttekening dat er wel een rechtsgrond voor deze betalingen aanwezig was, hetgeen van invloed is op de hoogte van de eventueel op te leggen straf.

4. Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Algemene overwegingen

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 273f Sr en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Het belang dat ten grondslag ligt aan de strafbaarstelling van mensenhandel is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BI7099).

Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ geldt dat dit begrip in de wet is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.”

Het hof benadrukt ten slotte dat het enkele aanwenden van de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen op zich zelf beschouwd niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat uitbuiting met zich brengt dat sprake moet zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid en/of de financiële belangen van betrokkenen.

Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Cliënten kregen opvang, behandeling en dagbesteding aangeboden bij [stichting 1] en [B.V. 1] ., later [stichting 2] ;

Cliënten werden gehuisvest in een kamer bij [stichting 1] ; zij waren verplicht daar te wonen;

Cliënten betaalden van hun uitkering de kosten van het verblijf bij [stichting 1] . In de eerste fase werd aan cliënten € 600,- per maand in rekening gebracht voor kost en inwoning. Na ongeveer drie maanden werd dit bedrag tot € 500,- en vervolgens tot

€ 450,- verlaagd;

4. Cliënten bouwden totdat ze een uitkering ontvingen een huurschuld op bij [stichting 1] ;

5. Cliënten werden in hun vrijheden beperkt, onder meer door kamercontroles, het openen van post en het inleveren van hun telefoons;

6. Cliënten waren verplicht om deel te nemen aan het programma van [stichting 1] en verrichten (onbetaald) werkzaamheden bij [B.V. 1] ./ [stichting 2] of [stichting 1] @home;

7. Voor cliënten werd een PGB aangevraagd.

8. Cliënten kregen een financieel bewindvoerder aangesteld die toezicht hield op hun financiën.

Naar het oordeel van het hof kunnen mensen met een verslavingsachtergrond baat hebben bij een dagbesteding (bestaande uit betaalde of niet-betaalde werkzaamheden), controle op hun activiteiten en het uit handen nemen van hun financiële zaken. De omstandigheden dat enige drang wordt uitgeoefend op het hebben en houden van een dagbesteding en er beperkingen zijn als gevolg van de uitgeoefende controle en als gevolg van het ontbreken van zeggenschap over financiële middelen, brengt nog niet met zich mee dat sprake is van uitbuiting, met name niet als van te voren duidelijk met de (ex)verslaafde is gecommuniceerd dat dit de voorwaarden zijn waaronder hij kan worden opgenomen in een instelling. Tegelijkertijd moet voor ogen worden gehouden dat (ex)verslaafden vaak kwetsbare personen zijn die zich minder weerbaar kunnen opstellen. Dat heeft niet alleen te maken met hun verslavingsachtergrond, maar ook met andere omstandigheden zoals schuldenproblematiek en het ontbreken van (alternatieve) huisvesting.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij cliënten huisvestte bij [stichting 1] en liet werken bij [B.V. 1] . omdat hij ze wilde helpen. Tegelijkertijd is echter gebleken dat [stichting 1] en [B.V. 1] . financieel profijt hadden van de cliënten. [stichting 1] ontving gelden uit de PGB’s en huur van cliënten en [B.V. 1] . kon gebruik maken van gratis werkkrachten. Verdachte profiteerde in financieel opzicht zowel van [stichting 1] als van [B.V. 1] . Ten aanzien van [stichting 1] gold dat verdachte op de loonlijst stond en salaris ontving, hij kosten declareerde en hij de beschikking had over een pinpas van [stichting 1] . Ten aanzien van [B.V. 1] . gold dat verdachte een forse managementfee ontving en hij ook daar kosten declareerde.

Cliënten werden door het accepteren van voorwaarden bij binnenkomst in [stichting 1] beperkt in hun vrijheden. Zij werden verplicht te wonen bij [stichting 1] en dus huur te betalen aan [stichting 1] en zij werden verplicht te werken bij [B.V. 1] zonder dat zij hiervoor een vergoeding ontvingen.

Dat [stichting 1] , [B.V. 1] en verdachte een financieel belang hadden bij de beperkingen en verplichtingen die aan cliënten werden opgelegd, betekent nog niet dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Het was immers ook zo dat cliënten baat konden hebben bij de beperkingen en verplichtingen, in die zin dat zij niet terugvielen in hun verslaving en niet terugkeerden naar het leven dat zij als verslaafde hadden geleid.

Pas als gesproken kan worden van een ernstige disbalans in het voordeel van [B.V. 1] . en/of [stichting 1] (en dus verdachte), kan dit naar het oordeel van het hof geduid worden als uitbuiting. Zo een disbalans kan zich voordoen als er (qua duur, aard en intensiteit) geen verschil bestaat tussen de niet betaalde werkzaamheden van cliënten en betaalde werkzaamheden van werknemers. Ook kan zich een disbalans voordoen als cliënten qua inhoud (vies of gevaarlijk werk) zodanige werkzaamheden moeten verrichten of zo langdurig dat van die werkzaamheden niet meer kan worden gesteld dat die gezien kunnen worden als redelijke dagbesteding en/of als redelijk doel om terug te keren in de maatschappij. Ook kan zich een disbalans voordoen als cliënten verplicht worden buitensporig hoge huren te betalen.

Het hof zal hieronder per persoon nagaan of sprake was van een zodanige disbalans dat gesproken kan worden van uitbuiting. Het hof merkt daarbij op dat het bij mensenhandel gaat om een ernstig feit waarop een hoge straf staat en dat daarom niet elke disbalans reeds tot de conclusie leidt dat sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Er moet dus sprake zijn van een forse disbalans. In dat kader merkt het hof op dat er weliswaar vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de huren die cliënten in de eerste fase moesten betalen gelet op de hoogte van die bedragen in relatie tot de kwaliteit van de huisvesting, maar dat naar het oordeel van het hof die huren niet zo hoog waren dat reeds vanwege de hoogte gesproken kan worden uitbuiting. Wel kan die hoogte een omstandigheid zijn in combinatie met andere omstandigheden die er toe leidt dat sprake is van uitbuiting.

Vrijspraak ten aanzien van [aangever 2]

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever 2] werkzaam was bij [B.V. 1] . In maart 2012 is hij bij [stichting 1] gaan werken op de financiële administratie. Hij kreeg daar een vergoeding voor. [aangever 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat het werk bij [stichting 1] dagbesteding was. Als hij geen zin had om te werken, ging hij een sigaret roken. Vanwege de fysieke beperkingen van [aangever 2] is hij bij [stichting 2] halve dagen gaan werken. [getuige 4] heeft over [aangever 2] verklaard dat [aangever 2] tafels mocht verplaatsen met de heftruck als deze er was. [aangever 2] was niet zo vaak aanwezig.

Het hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven geen uitbuitingssituatie opleveren in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van [aangever 6]

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever 6] aanvankelijk bij [B.V. 1] . werkte en later bij [stichting 1] @Home. Hij werkte ongeveer 20-24 uur per week. De intensiteit van de door [aangever 6] uitgevoerde werkzaamheden bij [stichting 1] @Home kan echter niet worden vastgesteld. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel klanten er iedere dag bij [stichting 1] @Home langs kwamen en hoeveel [aangever 6] moest werken in vergelijking met een reguliere werknemer. Het is ook niet duidelijk geworden hoe lang [aangever 6] bij [stichting 1] @home heeft gewerkt. Verder geldt dat [aangever 6] eerst een periode bij [stichting 2] heeft doorgebracht en hij ten aanzien die periode heeft verklaard dat hij zo min mogelijk heeft gedaan. Nadat hij had aangegeven niet bij [stichting 2] te willen werken, kon hij bij [stichting 1] @home aan de slag.

Gelet op onder meer de verklaringen van [aangever 6] kan het hof niet vaststellen – ook niet in combinatie met hoogte van de huur - dat [aangever 6] is uitgebuit in de tenlastegelegde periode. Verdachte dient daarom van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van [aangever 4]

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever 4] ruim een half jaar bij [stichting 2] werkzaam was. Hij maakte werkbladen en spoelbakken. [aangever 4] vond dat hij hard moest werken bij [B.V. 1] . [getuige 5] heeft daarentegen over [aangever 4] verklaard dat dat hij hem niet zo’n harde werker vond. [getuige 6] heeft verklaard dat hij [aangever 4] geen vast contract zou hebben aangeboden.

Het hof is van oordeel dat de duur en intensiteit van de door [aangever 4] uitgevoerde werkzaamheden niet gelijkgesteld kunnen worden met die van een reguliere werknemer, dan wel dat die duur en intensiteit anderszins tot de conclusie leiden dat sprake was van uitbuiting. Weliswaar kunnen vraagtekens geplaatst worden bij de zware werkzaamheden die [aangever 4] gedurende ruim een half jaar zonder vergoeding moest verrichten in combinatie met de huur die hij moest betalen voor de kamer waar hij moest wonen, maar het geheel is onvoldoende om te spreken van uitbuiting in de zin van artikel 273f lid 1 Sr. Verdachte dient daarom van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van [aangever 7]

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever 7] bij [stichting 2] er voor moest

zorgen dat de aanrechtbladen klaar stonden voor transport. Hij bezorgde samen met [aangever 3] de bladen bij de klant. Hij kon zelf beslissen wanneer hij wel of niet naar [stichting 2] ging. Later werd hij huismeester bij [stichting 1] omdat het lichamelijk gezien wat minder goed met hem ging. Het is niet zo dat [aangever 7] geen geld ontving voor zijn werkzaamheden. Hij kreeg (naast zijn uitkering) € 500 per maand aan verkapt (zwart) loon.

Het hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven geen uitbuitingssituatie opleveren in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken

Vrijspraak ten aanzien van [aangever 5]

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever 5] werkzaam was bij [B.V. 1] . Er is echter geen indicatie dat [aangever 5] het niveau van een volwaardig werknemer had bereikt. Ook is niet gebleken dat de werkzaamheden die Van Duin verrichtte qua aard of duur zodanig waren dat gesproken kan worden van uitbuiting. Weliswaar verklaart Van Dijn in algemene zin dat de werkzaamheden te zwaar waren voor verslaafden, maar hij verklaart niet specifiek over de aard, intensiteit en duur van zijn werkzaamheden. [aangever 5] is verder ontevreden over de hoogte van de huur. Die huur was mogelijk te hoog, maar niet zo hoog dat gesproken kan worden van uitbuiting. Verdachte dient daarom van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Veroordeling ten aanzien van [aangever 3]

Het hof is van oordeel dat [stichting 1] en [B.V. 1] . zich ten opzichte van [aangever 3] hebben schuldig gemaakt aan mensenhandel en dat verdachte aan die gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [aangever 3] verslaafd was aan alcohol. Omdat hij geen inkomen en geen onderdak had, is hij naar [stichting 1] gegaan. Bij [stichting 1] kon hij slechts verblijven als hij werkzaamheden verrichtte voor [B.V. 1] .

[aangever 3] was jarenlang werkzaam als chauffeur bij [B.V. 1] . Hij functioneerde goed en zonder begeleiding en werd als fulltime chauffeur ingezet. Het was dus niet zo dat [aangever 3] (ondanks zijn verslavingsachtergrond) slechter functioneerde dan chauffeurs die vergelijkbaar werk deden en daar wel voor betaald kregen. [aangever 3] maakte bij [B.V. 1] . lange dagen en kwam bij [stichting 1] – waar hij verplicht woonde - vaak uitgeput thuis. Desondanks heeft [aangever 3] een aantal jaren zonder betaling bij [B.V. 1] . gewerkt. [aangever 3] kreeg ook niet zwart betaald zoals bij sommige andere cliënten van [stichting 1] wel het geval was. Wel genoot [aangever 3] (ten onrechte) een bijstandsuitkering. Bij [stichting 1] , [stichting 2] en verdachte was bekend dat [aangever 3] (meer dan) fulltime werkte, niettemin werd geen actie ondernomen ten aanzien van de uitkering van [aangever 3] , hetzij door [aangever 3] een contract aan te bieden (zodat een uitkering niet meer nodig was), hetzij door ( [aangever 3] ) melding te (laten) doen van het feit dat [aangever 3] fulltime en naar tevredenheid als chauffeur werkte. Zowel [stichting 1] , als [B.V. 1] (en dus verdachte) hadden er belang bij dat [aangever 3] zo lang mogelijk zijn uitkering behield.

[B.V. 1] . hoefde op die manier geen loon uit te betalen, terwijl de uitkering hoog genoeg was om de huur bij [stichting 1] te voldoen. Door deze constructie werd [aangever 3] echter financieel benadeeld. Zijn uitkering was aanzienlijk minder dan het loon waarvoor hij in aanmerking kwam. Bovendien liep hij het risico op strafrechtelijke vervolging voor uitkeringsfraude en de oplegging van de bestuursrechtelijke verplichting om het uitgekeerde bedrag terug te betalen.

Pas op 1 december 2010 trad [aangever 3] door druk van de gemeente officieel in dienst bij [B.V. 1] .. Gerekend vanaf 1 januari 2009 was het financieel voordeel van [B.V. 1] . fors (tussen de € 30.000,- en € 40.000,-).

Door [aangever 3] gedurende lange tijd (meer dan) fulltime te laten werken, zonder hem hiervoor een salaris te geven, was – gelet op het financiële voordeel voor [B.V. 1] (en dus verdachte) enerzijds en het financiële nadeel van [aangever 3] en de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke risico’s die hij liep anderzijds – sprake van een zodanige disbalans dat gesproken kan worden van uitbuiting in de zin van artikel 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Deze uitbuiting was een gevolg van misbruik van de kwetsbare positie waarin [aangever 3] zich bevond en het overwicht dat [stichting 1] op hem had. [aangever 3] was voor zijn onderdak afhankelijk van [stichting 1] . Om bij [stichting 1] te kunnen blijven wonen, was hij verplicht te werken voor [B.V. 1] .

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zowel binnen de [stichting 1] als binnen [B.V. 1] . een zodanige positie had, zodanige zeggenschap en wetenschap had dat hij feitelijk leiding heef gegeven aan de hierboven genoemde strafbare gedragingen van de [stichting 1] en [B.V. 1] .

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en bezigt hiervoor door de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair

[stichting 1] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] .

en/of [stichting 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen , althans alleen , een of meerdere perso(o)n en , te weten

1. [aangever 2] en/of

2. [aangever 3] en/of

3. [aangever 6] en/of

4. [aangever 4] en/of

5. [aangever 1] en/of

6. [aangever 5] en/of

7. [aangever 7] ,

(telkens) door dwang en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of afpersing en/of

misleiding dan wel door misbruik van uit andere feitelijke omstandigheden voortvloeiend

overwicht en/ of door misbruik van de kwetsbare positie, die

1. [aangever 2] en/of

2. [aangever 3] en/of

3. [aangever 6] en/of

4. [aangever 4] en/of

5. [aangever 1] en/of

6. [aangever 5] en/of

7. [aangever 7] ,

heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

en/of diensten

danwel

(telkens) door dwang en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of afpersing en/of

misleiding dan wel door misbruik van uit andere feitelijke omstandigheden voortvloeiend

overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, enige handeling(en) heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s) wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 6] en/of [aangever 4] en/of [aangever 1] en/of [aangever 5] en/of [aangever 7] zich daardoor beschikbaar zou

stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

<em>immersem> heeft/ <em>hebben voornoemdem> ( e ) rechtspers (o) on ( en ) en of zijn/hun mededader(s)

(één of meermalen) terwijl die genoemde perso ( o ) n( en) een alcoholverslaving en/of een drugsverslaving heeft/hebben en/ of schulden heeft/ hebben - zakelijk weergeven -

- opvang en/of behandeling en/of dagbesteding aangeboden en/of beloofd bij de Stichting

[stichting 1] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] . en/of

[stichting 2] ;

en /of

- ondergebracht en/of gehuisvest in een woning althans kamerbewoning;

en /of

- die perso(o)n (en) gedurende een periode een schuld laten opbouwen bij [stichting 1] door het voorschieten van kosten voor huur en/of zakgeld, terwijl die bovengenoemde

perso(o)n(en) nog geen uitkering had aangevraagd en/of ontvangen;

en/of

- de vrijheden van die perso(o)n(en) beperkt door zonder toestemming van die perso(o)n(en)

de woning te betreden en/of het briefgeheim te schenden;

en/of

- die perso ( o ) n (en) verplicht laten deelnemen aan het programma van [stichting 1]

inhoudende dagactiviteiten en/of werkactivering bij de [stichting 1] en/of [B.V. 1] . en/of

[stichting 2] en/of [stichting 1] @home;

en/ of

- die perso(o)n (en) (fysiek zware) werkzaamheden laten verrichten bij [B.V. 1] . en/of

[stichting 2] en/of werkzaamheden laten verrichten bij [stichting 1] en/of [stichting 1] @home;

en/of

- de bankrekeningen van die perso(o)n(en) laten beheren door een bewindvoerder waardoor

die perso(o)n(en) geen inzicht hadden in hun eigen financiële positie;

en/of

- die perso(o)n(en) niet of nauwelijks contact laten hebben met de buitenwereld en/of de

contacten van die perso(o)n(en) met de buitenwereld gecontroleerd,

door welke feiten en omstandigheden voor die bovengenoemde perso ( o ) n (en) een

(afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan hij/ zij zich niet heeft/ hebben kunnen

onttrekken en/of ten gevolge waarvan hij /zij geen weerstand aan voornoemd(e)

rechtspers (o) on ( en ) en of zijn/hun mededader(s) heeft /hebben kunnen bieden

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan

wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

5 primair:

[B.V. 2] in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 juni 2012, althans op meerdere tijdstippen, althans enig tijdstip, gelegen in of omstreeks het jaar 2012, te [plaats 2] (Gelderland), in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [B.V. 1] ., die op

19 juni 2012 in staat van faillissement was verklaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van die rechtspersoon, lasten

verdicht heeft en/of baten niet verantwoord heeft en/of geld en/of enig(e) goed(eren) aan de

boedel van die rechtspersoon onttrokken heeft en/of enig goed om niet en/of klaarblijkelijk

beneden de waarde heeft vervreemd en/of ter gelegenheid van het faillissement of op een

tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de

schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft,

immers heeft/hebben genoemde rechtspersoon en/of zijn mededader(s)

- de inventaris van de onderneming [B.V. 1] . niet voor de onderhandse verkoopwaarde

maar voor de liquidatiewaarde overgedragen aan [stichting 2] terwijl hij/zij wist(en) dat

de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet in die (andere) rechtsvorm;

- (een deel van) de immateriële activa en de goodwill van [B.V. 1] . om niet heeft

overgedragen aan [stichting 2] terwijl hij/zij wist(en) dat de bedrijfsactiviteiten zouden

worden voortgezet in die (andere) rechtsvorm;

- van [B.V. 1] . van de door [B.V. 1] . aangehouden bankrekening genummerd

[rekeningnummer 3] , althans enige andere(bank)rekening, meermalen, althans eenmaal, direct en/of

indirect een of meer (grote) (geld)bedragen overgeboekt, althans doen of laten overboeken

naar [stichting 1] met als rekeningnummer [rekeningnummer 1] en/of [B.V. 2]

met als rekeningnummer [rekeningnummer 2] althans naar (een)

ander(e) bankrekening(en);

zonder dat daar een betalingsverplichting en/of een zakelijke verantwoording voor

bestond/tegenover stond en aldus/althans buiten het bereik van de (te benoemen) curator

gebracht en gehouden;

en/of

- ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement

niet kon worden voorkomen van de door [B.V. 1] . aangehouden bankrekening genummerd

[rekeningnummer 3] , althans enige andere (bank)rekening, meermalen, althans eenmaal , direct en/of indirect een of meer (grote) ( geld ) bedragen overgeboekt, althans doen of laten overboeken naar [stichting 1] met als rekeningnummer [rekeningnummer 4] en/ of [B.V. 2] Beheer en Beleggingsmaatschappij B.V. met als rekeningnummer [rekeningnummer 2] , althans naar (een) ander(e) bankrekening(en);

en daarmee [stichting 1] en/ of [B.V. 2] op enige

wijze bevoordeeld heeft;

<<em>eem>m>tot h<em>eem>t pl<em>eem>g<em>eem>n van w<em>eem>lkem>eem>m> ( <em>eem> ) bov<em>eem>nomsch<em>rem><em>eem>v<em>eem>n st<em>rem>afba (a) <em>rem> ( <em>eem> ) f<em>eem>it ( <em>eem>n ) v<em>eem><em>rem>dacht<em>eem> (t<em>eem>lk<em>eem>ns)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan

wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van mensenhandel.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het als degene die in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement schuldeisers bevoordelen terwijl hij weet dat hierdoor andere schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is door de rechtbank voor het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van faillissementsfraude en mensenhandel gepleegd tegen zes personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 8 voorwaardelijk en proeftijd van twee jaar.

De advocaat-generaal, die alle tenlastegelegde feiten voor zo ver in hoger beroep nog aan de orde bewezen acht, heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft – voor zover het gaat om de mensenhandel – minder bewezenverklaard dan de rechtbank. Ten aanzien van één persoon heeft het hof mensenhandel bewezenverklaard, terwijl de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel waren dat zes personen het slachtoffer van mensenhandel waren geworden.

Verdachte heeft – als feitelijk leidinggever- zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Het slachtoffer heeft bijna twee jaar lang zonder betaling werkzaamheden verricht voor het bedrijf van verdachte. De verdachte was op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van het slachtoffer en heeft hiervan door hem geen arbeidscontract aan te bieden misbruik gemaakt. Het geld dat het slachtoffer via zijn uitkering ontving, ging voor een groot deel in de vorm van huur naar de [stichting 1] waarbij verdachte eveneens financiële belangen had. Door onder meer de (bedrijven van) verdachte bedachte en in stand gehouden constructie liep het slachtoffer niet alleen geld mis, maar liep hij ook het risico vervolgd te worden voor uitkeringsfraude. Verdachte heeft vooral oog gehad voor de financiële belangen van hem zelf en zijn bedrijf en hieraan de belangen van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt. Reeds gelet op de duur van de uitbuiting is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. In het voordeel van verdachte werkt wel dat het slachtoffer

– ondanks het feit dat hij is uitgebuit en zich ook uitgebuit voelt – baat heeft gehad bij de structuur die het verblijf bij [stichting 1] en het werk bij [B.V. 1] . hem geboden hebben.

Naast mensenhandel heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van [B.V. 2] en [B.V. 1] . een behoorlijke afwikkeling van het faillissement van [B.V. 1] . gefrustreerd door grote bedragen van de rekening van [B.V. 1] . over te boeken naar de rekeningen van [stichting 1] en [B.V. 2] Hierdoor zijn de andere schuldeisers van [B.V. 1] . benadeeld.

In het voordeel van verdachte houdt het hof er rekening mee dat verdachte niet eerder

is veroordeeld voor soortgelijke feiten, alsmede met het feit dat de zaak heeft geleid tot veel

publiciteit rond de persoon van verdachte. De zaak kwam prominent in de pers als een grote PGB-fraude, vervolgens als een grote uitkeringsfraude, waarbij zich mensenhandel voegde en faillissementsfraude. Van een groot deel van die feiten is verdachte door de rechtbank vrijgesproken.. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat dit de eerste keer is dat een dergelijke zaak, mensenhandel in het kader van hulpverlening, ter beoordeling aan de strafrechter wordt voorgelegd.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden is. Het hof heeft hierbij tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Na het instellen van het hoger beroep door verdachte op 3 september 2015 tot aan de uitspraak van het hof zijn ruim twee jaren verstreken. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met deze overschrijding van de redelijke termijn in die zin dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden zou worden geacht indien de schending niet had plaatsgevonden.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.511,24. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 51, 57, 273f en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en subsidiair, voor zover betreffende [aangever 1] , het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 5, 2e gedachtestreepje, voor zover betreffende ‘(een deel van) de immateriële activa’.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 5 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.511,54 (duizend vijfhonderdelf euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 11,54 (elf euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

13 oktober 2014

en van de immateriële schade op

16 oktober 2012.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.511,54 (duizend vijfhonderdelf euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 11,54 (elf euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

13 oktober 2014

en van de immateriële schade op

16 oktober 2012.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. J.P. Bordes en mr. H. Abbink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 16 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Abbink is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFS 2018/172 JONDR 2018/467
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?