De beslissing van de kantonrechter
WAHV 200.238.935
25 juli 2018
CJIB 205578440
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 19 april 2018
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
[C] Juridisch Advies,
kantoorhoudende te [A] .
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 13 juni 2018 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking wordt ingetrokken, en dat de betrokkene daarover is geïnformeerd.
Beoordeling
1. Nu de advocaat-generaal heeft besloten om de inleidende beschikking in te trekken en derhalve is bewerkstelligd, hetgeen de betrokkene met het hoger beroep beoogde te verkrijgen, te weten vernietiging van deze beschikking, heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak op het hoger beroep. Derhalve dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Het hof is van oordeel dat het telefonisch horen van een (gemachtigde van de) betrokkene op één lijn moet worden gesteld met het bijwonen van een hoorzitting.
3. Het hof heeft hierbij aansluiting gezocht bij rechtspraak van de Raad van State (vergelijk de uitspraak van 8 december 2012 met vindplaats ECLI:NL:RVS:2012:BV3193) en de Centrale Raad van Beroep (vergelijk de uitspraak van 29 november 2011 met vindplaats ECLI:NL:CRVB:2011:BU6407). Uit het verslag van het telefonisch horen blijkt echter dat de gemachtigde met name het al dan niet staande houden van betrokkene aan de orde heeft gesteld. Tevens is aangevoerd dat er wel degelijk sprake was van laden en lossen.
Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 876,75 (= 3,5 x € 501,- x 0,5).
Beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 876,75 over te maken op rekeningnummer [00000]
tnv. [C] Juridisch Advies [A] .
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Terhell als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.