ECLI:NL:GHARL:2019:10313

ECLI:NL:GHARL:2019:10313, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-12-2019, 19/00418 en 19/00419

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/00418 en 19/00419
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2019:1199
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:1426
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

De rechtbank heeft terecht de zaken wegens schending van de hoorplicht teruggewezen naar de inspecteur. Geen recht op schadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 19/00418 en 19/00419

uitspraakdatum: 3 december 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2019, nummers LEE 18/3461 en 18/3093, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2016 en 2017 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij beschikking geen verlies uit voorgaande jaren verrekend.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de zaken teruggewezen naar de Inspecteur om, na belanghebbende te hebben gehoord, opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende heeft in zijn aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2016 en 2017 een belastbaar uit werk en woning opgenomen van € 12.028 respectievelijk € 13.485. Daarbij heeft belanghebbende een verlies uit onderneming en een MKB-winstvrijstelling in aanmerking genomen.

Bij de vaststelling van de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2016 en 2017 heeft de Inspecteur de in de aangifte opgevoerde bedragen aan verlies uit onderneming en MKB-winstvrijstelling gecorrigeerd. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 14.736 (2016) en € 15.023 (2017). Daarbij is bij beschikking geen verlies uit voorgaande jaren verrekend.

De Inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraken op bezwaar van 28 september 2018 en 2 november 2018 ongegrond verklaard zonder belanghebbende vooraf te horen.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 maart 2019 geoordeeld dat de Inspecteur in de onderhavige zaken de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden en daarom de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaken teruggewezen naar de Inspecteur om, na belanghebbende te hebben gehoord, opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

3. Geschil

In geschil is of de Rechtbank de zaken in verband met de schending van de hoorplicht door de Inspecteur terecht heeft teruggewezen naar de Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Voorts verzoekt belanghebbende om een schadevergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Inspecteur de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. Belanghebbende stelt zich evenwel op het standpunt dat de Rechtbank zelf in de zaak had kunnen voorzien.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in het onderhavige geval terecht beslist dat de zaken teruggewezen moesten worden naar de Inspecteur. Redengevend daarvoor acht het Hof het volgende. Nu omtrent de voor de beslechting van het geschil – of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen – van belang zijnde feiten en de waardering daarvan ook in eerste aanleg tussen de Inspecteur en belanghebbende een verschil van mening bestond, kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dit was, naar het Hof begrijpt uit de conclusie van repliek in eerste aanleg, waarin belanghebbende heeft gesteld dat de schending van de hoorplicht een onrechtmatige daad oplevert en de schadeplicht een gegeven is, ook de kennelijke opvatting van belanghebbende. De rechter dient in een dergelijk geval de uitspraak op bezwaar te vernietigen en heeft vervolgens de keuze de zaak terug te wijzen naar de inspecteur, met de opdracht de belastingplichtige alsnog volgens de regels te horen, dan wel zelf in de zaak te voorzien. Nu belanghebbende de Rechtbank in het kader van zijn beroep op schending van de hoorplicht niet heeft verzocht om zelf in de zaak te voorzien, en de stukken van het geding ook niet overigens nopen tot deze keuze, heeft de rechtbank terecht de zaken teruggewezen naar de Inspecteur.

Het Hof komt gelet op het voorgaande niet toe aan een inhoudelijke behandeling. Hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot (het vaststellen van) de aanslagen, (het achterwege laten van) de verliesvaststelling en -verrekening blijft dan ook buiten beschouwing.

Belanghebbende heeft in eerste aanleg verzocht om een schadevergoeding van de Inspecteur, voor bedragen van € 81.671 (2016) en € 84.819 (2017). Naar het Hof begrijpt, heeft belanghebbende de gestelde door hem geleden schade gelijk gesteld aan de hoogte van de niet verrekende verliezen van voorgaande jaren. Gelet op het onder 4.3 overwogene, is voor een beoordeling van de rechtmatigheid van de weigering van de verliesverrekening in deze procedure geen plaats. Voor de beoordeling van een daarmee samenhangend verzoek om schadevergoeding is dan evenmin plaats. Voor zover belanghebbende overigens een verzoek heeft gedaan om een schadevergoeding, overweegt het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem schade is geleden door een handeling van de Inspecteur, nu belanghebbende geen bedragen heeft gesteld en evenmin heeft aangegeven welke causale relatie bestaat tussen de vermeende schade en de vernietigde uitspraken op bezwaar. Het Hof is ook anderszins niet gebleken dat belanghebbende materiële schade heeft geleden vanwege het handelen van de Inspecteur.

Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Rechtbank aan hem voor de beroepsfase een vergoeding van werkelijke proceskosten had moeten toekennen, overweegt het Hof als volgt. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat voor vergoeding van de werkelijke kosten geen aanleiding bestaat. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden, van in vergaande mate onzorgvuldig handelen aan de zijde van de Inspecteur of van tegen beter weten in procederen door de Inspecteur. Ook overigens is niet gebleken van kosten in de beroepsfase die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Van verletkosten is geen sprake, nu belanghebbende de zitting van de Rechtbank niet heeft bijgewoond. Ook in zoverre is het hoger beroep ongegrond.

In hoger beroep verzoekt belanghebbende, naar het Hof begrijpt in aanvulling op het in eerste aanleg verzochte, om een door de Inspecteur te betalen schadevergoeding van € 75.000 omdat de Inspecteur ook in hoger beroep vasthoudt aan zijn standpunten. Gelet op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht – op grond van artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) is deze bepaling op dit geding nog van toepassing – bestaat voor een vergoeding wegens het handelen van de Inspecteur in hoger beroep al geen ruimte, omdat het hoger beroep ongegrond is. Voor zover het verzoek om schadevergoeding tevens ziet op het handelen van de Rechtbank, overweegt het Hof dat aan het instellen van een dergelijke vordering een rechtsgrond ontbreekt. Voor zover belanghebbende met zijn stellingen overigens een verzoek heeft gedaan om een schadevergoeding, overweegt het Hof dat voor een beoordeling daarvan in deze procedure geen plaats is. Gelet op het voorgaande wijst het Hof het verzoek om vergoeding van schade af.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 3 december 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 december 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2019/2770 FutD 2019-3198 Viditax (FutD) 2019120607
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?