Het oordeel van het hof
De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen
De raadsman heeft verweren gevoerd met betrekking tot de bruikbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen. Zo heeft de raadsman aangevoerd dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebezigd mogen worden, omdat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde uitlokking en de feitelijkheden die zijn toegevoegd aan de medeplichtigheid door de wijzing tenlastelegging in hoger beroep, is aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] ook wegens schending van het ondervragingsrecht van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de verdediging [medeverdachte 1] na wijziging van de tenlastelegging niet meer heeft kunnen ondervragen. Op dit laatste verweer zal het hof ingaan indien en voor zover het toekomt aan bespreking van het subsidiair of meer subsidiair tenlastegelegde.
Zowel naar aanleiding van het gevoerde verweer als ambtshalve overweegt het hof met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen als volgt.
[medeverdachte 1] heeft veelvuldig en zeer uitgebreid verklaard. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] op vele punten inconsistent en op onderdelen – naar eigen zeggen – zelfs (bewust) leugenachtig heeft verklaard aangaande het tenlastegelegde en zijn eigen rol daarin. Gelet hierop dient naar het oordeel van het hof met de nodige behoedzaamheid met deze verklaringen te worden omgegaan. Dit betekent echter niet dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in zijn geheel terzijde moeten worden geschoven. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in ieder geval gebruikt kunnen worden voor het bewijs, indien en voor zover die verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, waarbij in voorkomende gevallen een uitzondering kan worden gemaakt voor ondergeschikte onderdelen van de tenlastelegging.
Medeplegen
Juridisch kader medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Beoordeling door het hof
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Vaststaat dat in de nacht van 26 op 27 september 2014 [slachtoffer] om het leven is gebracht door hem in de buik en de borst te steken met een mes en dat verdachte niet bij de uitvoering van deze handelingen aanwezig was.
In de week voorafgaand aan het misdrijf en na het bekend worden met de beslissing van de voorzieningenrechter van 18 september 2014 heeft verdachte meermalen en tegen diverse personen gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was, terwijl [medeverdachte 1] van dergelijke uitlatingen getuige is geweest en ook heeft bevestigd dat dat beter zou zijn.
Daarnaast blijkt uit sms-contacten tussen verdachte en [medeverdachte 1] (in het bijzonder het hiervoor genoemde contact op 22 september 2014) dat er iets met [slachtoffer] moest gebeuren. In dat kader wijst het hof erop dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft horen zeggen “dat het voor het weekend moest gebeuren”.
Vervolgens heeft [medeverdachte 1] bij diverse personen gevraagd om wapen(s) en/of “gevaarlijke mannen”. Zo heeft [medeverdachte 1] op 25 september 2014 er in de avonduren sms-contact plaatsgevonden tussen de telefoon die in gebruik was bij hem en de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Met de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 1] is naar de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] ge-sms’t: “kun jij aan een pang pang geraken of gevaarlijke mannen”. Vervolgens is er op de telefoon van [medeverdachte 1] een sms-bericht binnengekomen van het door [medeverdachte 2] gebruikte toestel met de tekst: “ja bel is man” en “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik en ken er veel dus bel is makker wat is er aan de hand”. Hierna heeft er tussen deze toestellen een belcontact van 228 seconden plaatsgevonden.
Op 23 september 2014 heeft verdachte tezamen met [medeverdachte 1] (en [naam] ) in Rotterdam en Bergen op Zoom goederen aangeschaft zoals hiervoor onder feiten en omstandigheden is vermeld, terwijl vast is komen te staan dat die goederen (of een deel ervan) bestemd waren voor de uitvoering van het tegen [slachtoffer] te gebruiken geweld en ook is gebruikt of meegenomen met dat doel. Tegen [naam] is gezegd dat zij niet met haar vriend [naam] mocht praten over de aanschaf van deze goederen. Verdachte is bevraagd tijdens het onderzoek naar de reden voor de aanschaf van deze goederen. De door de verdachte gegeven verklaring waarom de kledingstukken zijn aangeschaft (namelijk in verband met sportactiviteiten met [naam] ) vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier en is dan ook niet geloofwaardig. Ook de door verdachte gegeven (wisselende) verklaringen voor de aankoop van de messenset bij de Bergse Dumphal vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier, nu zich in het dossier verklaringen bevinden die de door verdachte gegeven verklaringen op dit punt tegenspreken. De door verdachte gegeven verklaring voor de aanschaf van het masker (namelijk dat zij dit masker had gekocht omdat zij ter gelegenheid van haar verjaardag naar Halloween Frightnight zou gaan in Walibi) is naar het oordeel van het hof eveneens niet aannemelijk geworden.
Op 24 september 2014 is verdachte tezamen met [medeverdachte 1] in een onopvallende auto naar Enschede afgereisd, waarbij de (omgeving van de) woning van [slachtoffer] is bekeken. Het hof wijst in dat verband op de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat verdachte de woning van [slachtoffer] aanwees en dat zij vertelde hoe je daar binnen kon komen. Deze verklaring vindt steun in de uitkomsten van het Diabelli II-onderzoek met betrekking tot het gebruikte navigatiesysteem en de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij het hof op 26 november 2018 inhoudende dat zij inderdaad op die datum met [medeverdachte 1] in Enschede is geweest en dat zij zowel langs de voor- als de achterzijde van de woning van [slachtoffer] zijn gereden en die woning ook daadwerkelijk hebben bekeken. De eveneens ter terechtzitting bij het hof van 26 november 2018 gegeven verklaring door verdachte dat zij op 24 september 2014 naar Enschede gingen om naar huizen te kijken, doet naar het oordeel van het hof – wat er ook zij van (de aannemelijkheid van) die verklaring – niet af aan het hiervoor genoemde.
Op 26 september 2014 is verdachte in de woning van [medeverdachte 3] aanwezig als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen vertrekken naar Enschede. Verdachte heeft tijdens de verhoren bij de politie in eerste instantie verklaard dat [medeverdachte 1] die hele avond en nacht bij haar was en heeft [medeverdachte 1] daarmee een vals alibi verschaft. Pas in een latere fase van het onderzoek heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond 04.00 uur weer in de woning van [medeverdachte 3] aanwezig waren en er – nadat [medeverdachte 1] had gevraagd of [medeverdachte 2] mocht blijven slapen – mede met haar hulp een slaapplek voor [medeverdachte 2] is ingericht op zolder.
Op 27 september 2014 heeft [medeverdachte 1] de sms-berichten “Schatje kunnen we 250 euro regelen voor [medeverdachte 2] ” en “Want die vraagt da” aan de verdachte gestuurd, waarop laatgenoemde heeft gereageerd met het bericht “Is goed schatje waar ben je nu?”. Naar het oordeel van het hof kunnen deze berichten bij het ontbreken van enige andere aannemelijke verklaring voor deze betaling niet anders worden uitgelegd dan verband houdend met het tenlastegelegde.
Op grond van het voorgaande – in het bijzonder ook de wijze waarop de handelingen elkaar hebben opgevolgd en/of met elkaar in verband staan – is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de uiteindelijke levensberoving, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het zwaartepunt van de door de verdachte geleverde bijdrage ligt naar het oordeel van het hof in haar initiërende rol, haar intellectuele bijdrage, die als wezenlijk dient te worden aangemerkt. Zij is degene die [slachtoffer] dood wilde hebben. Zij heeft meermalen hardop en in het bijzijn van onder meer [medeverdachte 1] [slachtoffer] doodgewenst. Uiteindelijk heeft zij [medeverdachte 1] daarvoor ingeschakeld. Dat blijkt onder meer uit de sms-wisselingen tussen verdachte en [medeverdachte 1] van 22 september 2014. Zij is bij de voorbereiding van de dood van [slachtoffer] nauw betrokken geweest: zij was (op 23 september 2014) aanwezig bij het aanschaffen van kleding die [medeverdachte 1] tijdens het delict moest dragen en zij heeft toen zelf een masker en een messenset gekocht. Dat niet alle goederen die zijn aangeschaft ook daadwerkelijk zijn gebruikt bij de uitvoering, doet aan dit onderdeel niet af, te meer niet nu gebleken is dat een deel van de niet gebruikte goederen wel is meegenomen naar Enschede en op de terugweg naar Bergen op Zoom (of later in België) is weggegooid. Zij is een dag na het aanschaffen van de spullen samen met [medeverdachte 1] naar Enschede gereden en heeft hem toen de woning van [slachtoffer] getoond en uitgelegd hoe hij binnen kon komen. Na terugkeer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft zij hen onderdak geboden en later aanvankelijk gelogen om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een alibi te geven. Zij heeft later ingestemd met een betaling aan [medeverdachte 2] , naar moet worden aangenomen, bij gebreke van enige aannemelijke andere verklaring, voor verleende diensten. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Enschede waren vertrokken, heeft zij zich niet van het plan gedistantieerd: zij heeft ervan af gezien [slachtoffer] (of de politie) telefonisch te waarschuwen voor wat stond te gebeuren, terwijl zij dat wel had kunnen doen. Zij was ook degene die – in haar eigen beleving – van zijn dood zou profiteren, doordat haar verhuisplicht op grond van het kortgedingvonnis dan zou komen te vervallen. Dit alles overziend is het hof van oordeel dat verdachte met haar handelen een aanzienlijke intellectuele rol als medepleger heeft vervuld, naast een niet onaanzienlijke rol als feitelijk uitvoerder van voorbereidingshandelingen, en dat daarom heeft te gelden dat sprake is van zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen haar en [medeverdachte 1] dat sprake is van medeplegen.
Opzet
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft na het bekend worden met de inhoud van het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 september 2014 herhaaldelijk bij diverse mensen kenbaar gemaakt dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat [slachtoffer] dood was/moest. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte tezamen met [medeverdachte 1] heeft nagedacht over de vraag hoe dit bewerkstelligd kon worden en wat daarvoor nodig zou zijn. In dat kader zijn door [medeverdachte 1] diverse personen benaderd met de vraag naar “wapens” en/of “gevaarlijke mannen”. Dat verdachte meermalen heeft verklaard dat haar uitlatingen over [slachtoffer] moeten worden begrepen tegen de achtergrond van haar emotionele toestand naar aanleiding van de voor haar nadelige beslissing van 18 september 2014 en zij niet echt heeft gewild dat de dood van [slachtoffer] werkelijkheid zouden worden, is naar het oordeel van het hof in strijd met de gedragingen die zij na haar uitlatingen heeft verricht en de vaststelling dat (en hoe en door wie) [slachtoffer] uiteindelijk daadwerkelijk om het leven is gebracht. Verdachte was als enige (anders dan [medeverdachte 1] ) ‘gebaat’ bij de dood van [slachtoffer] , gelet op de inhoud van voornoemde rechterlijke beslissing van 18 september 2014. Dat het opzet van verdachte alleen gericht was op het “bang maken”, “bedreigen” en/of “een pak rammel geven” van [slachtoffer] is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. In dat verband wijst het hof op de frequentie en inhoud van de door verdachte gedane uitlatingen die op iets anders duiden en de door haar verrichte gedragingen rondom de aanschaf van goederen drie dagen voor het feit en het afleggen van de woning van [slachtoffer] twee dagen voor het feit. Daar komt bij dat verdachte geenszins gebaat was bij het enkel “bang maken”, “bedreigen” en/of “een pak rammel geven” van [slachtoffer] , omdat daarmee niet zou worden voorzien in een “oplossing” van “het probleem” waarvoor zij zich gesteld zag. Verdachte wist met welk doel [medeverdachte 1] in de avond van 26 september 2014 samen met [medeverdachte 2] naar Enschede is vertrokken en dat er wapens meegenomen zijn en heeft op geen enkele wijze ingegrepen (door bijvoorbeeld [slachtoffer] en/of de hulpdiensten te informeren/waarschuwen). Het hof leidt uit genoemde feiten en omstandigheden af dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] .
Voorbedachten rade
Juridisch kader voorbedachten rade
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdsspannen tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (op een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat in het gegeven geval niet met voorbedachten rade is gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten rade vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachten rade niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in het geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetgeschiedenis is geplaats tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling).
Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven, leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.
Of in een dergelijk geval voorbedachten rade bewezen kan worden, hang sterk af van de hiervoor bedoeld gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachten rade.
Beoordeling door het hof
Het hof acht in het kader van de vraag of sprake is van voorbedachten rade als feiten en omstandigheden redengevend:
dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 18 september 2014 in kort geding heeft bepaald dat verdachte met haar dochter [naam dochter] binnen een week na betekening van het vonnis diende terug te keren naar Enschede op straffe van een dwangsom en dat [medeverdachte 1] door verdachte op de hoogte is gebracht van deze rechterlijke beslissing;
dat in de week voorafgaand aan het tenlastegelegde verdachte meermalen heeft geuit dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was en [medeverdachte 1] (meermalen) getuige is geweest van dergelijke uitlatingen;
dat verdachte zich hardop afvroeg wie de voogdij zou krijgen over [naam dochter] als [slachtoffer] dood was;
dat verdachte heeft gezegd “voor het weekend moet het gebeuren”;
dat er tussen verdachte en [medeverdachte 1] (sms-)contacten zijn geweest waaruit kan worden opgemaakt dat er iets moest gebeuren met [slachtoffer] , in het bijzonder het contact op 22 september 2014 onder meer inhoudende het bericht van [medeverdachte 1] : “in welk casino zit hij schatke als ik het regel is er geen weg trg en moet je beseffen dat als [naam dochter] vraagt later achter haar echte vader hoop ik dat je ermee kunt leven eh” en “wat ga je haar dan wijsmaken”;
dat verdachte in een gesprek met [naam] op dinsdagavond (het hof begrijpt: 23 september 2014) heeft gezegd dat [slachtoffer] gewoon dood moest, waarop [naam] in reactie daarop heeft gezegd “je neemt wel [naam dochter] haar vader af” en “en wat moet je dan toch tegen [naam dochter] zeggen” en “wat nou als je aangehouden wordt door de politie?”, waarna de verdachte heeft gezegd “dan wordt het janken, janken janken. Of gewoon mijn hoofd koel houden”. Verdachte is hier opnieuw over begonnen op donderdagavond (het hof begrijpt: 25 september 2014), aldus [naam] .
dat uit diverse sms-berichten en getuigenverklaringen blijkt dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk op zoek is gegaan naar (vuur)wapens en/of “gevaarlijke mannen” en hij in dat kader ook diverse mensen heeft benaderd. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op een sms-bericht van [medeverdachte 1] van 22 september 2014 aan verdachte met de inhoud: “En we zullen er 9 van de 10 900 euro voor moeten neerleggen heb ik al bij een paar mensen gehoord” en de verklaring van [getuige 5] inhoudende dat [medeverdachte 1] één à twee dagen na het vonnis van de voorzieningenrechter – buiten, in afwezigheid van derden – bij hem kwam met de vraag “Kun jij een blaffer met een demper voor mij regelen?”, nadat het binnen in aanwezigheid van de verdachte al ging over het feit dat het beter was dat [slachtoffer] er niet meer was en dat hij van tevoren wist wat hun van plan waren, terwijl hij met “hun” bedoelt: “zijn zusje (het hof begrijpt: verdachte) en haar vriend” (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] )
dat [medeverdachte 1] op 21 september 2014 op de mobiele telefoon die bij hem op dat moment in gebruik was heeft gezocht op “vermommings masker te koop”;
dat verdachte twee dagen later – op 23 september 2014 – tezamen met [medeverdachte 1] (en [naam] ) in Rotterdam en Bergen op Zoom goederen heeft gekocht (zoals hiervoor genoemd onder feiten en omstandigheden), waaronder een masker en messen en aan [naam] is aangegeven dat zij over de aankoop van die goederen niet mocht praten met haar vriend [naam] , terwijl de reden die verdachte heeft gegeven voor het feit dat zij dit tegen [naam] heeft gezegd onjuist is gebleken;
dat voornoemd masker in de hal onder aan de kapstok in de woning van [medeverdachte 3] heeft gelegen op 25 september 2014 en verdachte na de vraag van [medeverdachte 3] wat dat voor masker was heeft gezegd “Dat hebben ze van het weekend nodig”, terwijl de verklaring die verdachte heeft gegeven voor de aanwezigheid van dit masker (namelijk dat zij dit masker had gekocht omdat zij ter gelegenheid van haar verjaardag naar Halloween Frightnight zou gaan in Walibi) niet aannemelijk is geworden;
dat verdachte op 24 september 2014 tezamen met [medeverdachte 1] is afgereisd naar Enschede (in een van een vriendin van verdachte geleende auto, omdat de auto waarvan [medeverdachte 1] doorgaans gebruik maakte te veel op zou vallen in verband met de Belgische kentekenplaten) en blijkens de onderzoeksresultaten van Diabelli II (zoals hiervoor reeds genoemd) de omgeving van de woning van [slachtoffer] is afgelegd en een bezoek is gebracht aan een telefoonwinkel en de Praxis, terwijl [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte tijdens het bezoek de woning van [slachtoffer] heeft aangewezen en heeft aangegeven hoe die [medeverdachte 1] binnen kon komen.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte (tezamen met [medeverdachte 1] ) het vooropgezette plan had [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof neemt op grond van diezelfde feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van de door haar en [medeverdachte 1] voorgenomen daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op het contact tussen verdachte en [medeverdachte 1] op 22 september 2014 en het contact tussen verdachte en [naam] een dag later waarin zij expliciet wordt geconfronteerd met de (mogelijke) consequenties van haar voorgenomen daad voor onder meer haarzelf en haar dochter [naam dochter] .
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Het hof overweegt daartoe als volgt. Dat verdachte meermalen heeft verklaard dat de door haar gedane uitlatingen (dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en zij wilde dat hij er niet meer was/dood was) enkel dienen te worden beschouwd als emotionele uitlatingen naar aanleiding van de beslissing van de voorzieningenrechter vormt naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staat. Het hof acht de verklaring van verdachte dat deze uitlatingen enkel een emotionele reactie vormden op het vonnis niet aannemelijk geworden, in het licht van de overige omstandigheden die uit het dossier zijn gebleken en de frequentie en inhoud van deze uitlatingen tegenover diverse personen. Ook de verklaring van verdachte zoals gegeven ter terechtzitting op 26 november 2018 op het punt van het bezoek aan Enschede op 24 september 2014 vormt naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie die aan een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade in de weg staat. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 26 november 2018 verklaard dat zij op 24 september 2014 samen met [medeverdachte 1] in Enschede was om aldaar naar woningen te kijken. Wat er ook zij van (de geloofwaardigheid van) deze verklaring, naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de verklaring van [medeverdachte 1] in samenhang met de uitkomsten van het Diabelli II onderzoek én de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat – samengevat – er bijzondere aandacht was voor de woning van [slachtoffer] . Daarnaast acht het hof het niet ondenkbaar dat het zoeken naar een woning in Enschede mogelijk gebruikt is als dekmantel voor het bezoek aan Enschede op 24 september 2014.
Daarnaast overweegt het hof nog dat verdachte niet betrokken is geweest bij de uitvoering van de levensberoving in de nacht van 26 op 27 september 2014, zodat er voor haar – anders dan voor [medeverdachte 1] – tijdens de rit van Bergen op Zoom naar Enschede geen gelegenheid meer bestond om zich terug te trekken door in feitelijke zin geen verdere uitvoering te geven aan het vooropgezette plan. Naar het oordeel van het hof vormt dit echter geen contra-indicatie die in de weg staat aan een bewezenverklaring van de voorbedachten rade, nu voor verdachte vanaf het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Enschede vertrokken (en zij geen contact meer kon leggen met voornoemde personen, omdat zij geen telefoons bij zich hadden) de mogelijkheid open lag om [slachtoffer] en/of hulpdiensten te waarschuwen en deze te infomeren over het voorgenomen plan.
Het hof ziet, anders dan de verdediging, ook geen contra-indicatie voor het bestaan van voorbedachte raad bij verdachte in het feit dat verdachte, terwijl zij op de hoogte was van het overlijden van [slachtoffer] , in de ochtend van 27 september 2014 in Whatsapp-gesprekken met [naam] en [naam] heeft geschreven “in (halve) shock” te zijn en in een getapt telefoongesprek heeft gezegd (samengevat) dat ze niet wist wat ze moest doen; of ze nou naar Enschede moest, haar of zijn advocaat moest bellen. In het licht van de door het hof hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden die duiden op een met [medeverdachte 1] gesmeed (en dus vooropgezet) plan om [slachtoffer] uit de weg te ruimen vanwege de verhuisplicht, is het niet onaannemelijk dat verdachte bewust dergelijke dingen in genoemde Whatsapp-gesprekken en het telefoongesprek heeft geuit, ter verdoezeling van haar aandeel in het overlijden van [slachtoffer] . Dat zij dit soort afwegingen maakte, volgt uit haar al genoemde sms-bericht aan [medeverdachte 1] op 22 september 2014, waarin zij het niet zo handig noemt om over de plannen rondom [slachtoffer] te sms-en en uit haar al genoemde antwoord op de vragen die [naam] haar vóór de uitvoering van het plan stelde over de gevolgen voor [naam dochter] en verdachte. Het hof gaat daarom niet uit van de ‘oprechtheid’, zoals de raadsman het noemt, van deze berichten.
Ook overigens acht het hof geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Dat niet alle door verdachte en [medeverdachte 1] aangeschafte goederen bij de uitvoering van het plan [slachtoffer] te doden zijn gebruikt, levert bezien in het licht van alle opgesomde feiten en omstandigheden niet zo’n contra-indicatie op.
Het hof acht ook geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat er sprake is geweest van handelen in een hevige gemoedsopwelling, tegen de achtergrond van de opgesomde feiten en omstandigheden en het gegeven dat zij bij de feitelijke uitvoering niet aanwezig was.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht het medeplegen van moord bewezen.
Conclusie
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen – die in een eventueel op te maken aanvulling worden opgenomen – in samenhang met de hiervoor genoemde overwegingen het medeplegen van de moord wettig en overtuigend bewezen. Gelet hierop behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde geen (nadere) bespreking.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 27 september 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen , [slachtoffer] opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, althans zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het primair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van moord.
Strafbaarheid van de verdachte
Vordering bevel gevangenneming en observatie in het Pieter Baan Centrum
De advocaat-generaal heeft de gevangenneming van verdachte en plaatsing in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) gevorderd, teneinde onderzoek te laten verrichten naar de psychische gesteldheid van de verdachte. Alvorens gekomen kan worden tot een strafeis dient gelet op het bewezenverklaarde immers eerst vastgesteld te worden of verdachte lijdende is aan een psychiatrische stoornis en – wanneer die stoornis is vastgesteld – of die stoornis het recidiverisico beïnvloedt, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging omtrent de vordering bevel gevangenneming en observatie in PBC
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde – de vordering tot gevangenneming, teneinde verdachte ter observatie op te kunnen nemen in het PBC, afgewezen dient te worden. Ten overvloede heeft de raadsman betoogd dat het Nederlandse strafprocesrecht het door de advocaat-generaal voorgestane twee-fasen-proces niet kent.
Beoordeling door het hof
Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat-generaal onvoldoende toegelicht – anders dan door te verwijzen naar de ernst van het feit – welke aanknopingspunten er zijn om aan te nemen dat er bij verdachte mogelijk sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestesvermogens. De enkele verwijzing naar de ernst van het feit is daarvoor niet genoeg. Ook het in hoger beroep opgemaakte reclasseringsrapport van 6 november 2018 (met inbegrip van de aanvulling op dit rapport van 14 november 2018) biedt daarvoor geen aanknopingspunten, naar het oordeel van het hof. Derhalve wijst het hof de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van verdachte teneinde haar ter observatie op te nemen in het PBC af.
Het hof acht verdachte strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van primair tenlastegelegde – kort gezegd: het medeplegen van moord – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna te geven duur leiden.
Verdachte heeft tezamen met haar mededader in de week voor het tenlastegelegde plannen gemaakt om het slachtoffer van het leven te beroven en heeft voorts voorbereidingen getroffen die verband houden met de uitvoering van het voorgenomen plan. Zo zijn er onder andere door verdachte dan wel in haar aanwezigheid goederen aangeschaft die bestemd waren voor de uitvoering van het misdrijf en is verdachte tezamen met die mededader afgereisd naar Enschede om hem kennis te laten nemen van de situatie rond de woning van het beoogde slachtoffer. In de nacht van 26 op 27 september 2014 is de mededader tezamen met een ander afgereisd naar Enschede en is het nietsvermoedende slachtoffer naar de toegangsdeur van het portiek van de flat waar hij woonde gelokt en is er vervolgens op een gruwelijke wijze een einde gemaakt aan zijn leven.
Met dit handelen hebben verdachte en haar mededader aan de naaste familie, vrienden en bekenden van het slachtoffer onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. De door [zus slachtoffer] – de zus van het slachtoffer – ter terechtzitting bij het hof voorgelezen verklaring illustreert dit enorme verlies. Het slachtoffer is het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven.
Ook aan de destijds één jaar oude dochter van het slachtoffer en verdachte – [naam dochter] – is bijzonder veel leed toegebracht. Haar vader is definitief van haar afgenomen door haar eigen moeder, terwijl (en omdat) hij, zoals het in een rechtsstaat hoort, degene was die door middel van een civiele procedure trachtte contact met haar te behouden na beëindiging van zijn relatie met haar moeder, verdachte.
Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in ernstige mate en brengt voorts gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid met zich mee.
Het hof heeft bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf gekeken naar straffen die zijn opgelegd ter zake van soortgelijke misdrijven en heeft geconstateerd dat er eigenlijk geen eenduidig landelijk straftoemetingsbeleid is voor deze ernstige feiten en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.
Verdachte en haar mededader hebben een vorm van eigenrichting gepleegd, immers door de dood van het slachtoffer zou verdachte ontkomen aan de beslissing in het door het slachtoffer aangespannen kort geding, waarin zij werd verplicht op straffe van een dwangsom terug te keren naar Enschede. In die zin had verdachte – anders dan haar mededader – een zelfstandig belang bij de dood van het slachtoffer. Eigenrichting van deze aard en ernst is binnen de Nederlandse rechtsorde volstrekt onaanvaardbaar en de verdachte zal te hebben accepteren dat die rechtsorde een zware strafrechtelijke reactie eist op dit gedrag. Het hof weegt deze omstandigheid in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf.
Voorts slaat het hof bij het bepalen van de straf – in strafverminderende zin – acht op de omstandigheid dat verdachte geen uitvoeringshandelingen met betrekking tot de levensberoving heeft verricht. Daartegenover staat dat naar het oordeel van het hof verdachte dient te worden aangemerkt als de initiator van het plan om het slachtoffer van het leven te beroven en heeft zij haar nieuwe partner – [medeverdachte 1] – vervolgens actief betrokken bij haar plannen om het slachtoffer van het leven te beroven, terwijl die [medeverdachte 1] verliefd op haar was en mogelijk mede daardoor beïnvloedbaar is gebleken.
In het voordeel van verdachte weegt het hof bij het bepalen van de straf nog mee dat zij blijkens haar Uittreksel Justitie Documentatie van 29 oktober 2018 niet eerder is veroordeeld.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een zeer lange tijdelijk gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar (met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht), passend en geboden is. De omstandigheden dat verdachte haar moederrol voor [naam dochter] daardoor niet zal kunnen oppakken en inmiddels nog een kind ter wereld heeft gebracht, brengen het hof niet tot een ander oordeel, hoe spijtig ook voor deze kinderen. Het was aan verdachte zelf geweest zich rekenschap te geven van de (mogelijke) gevolgen van haar – bijzonder laakbare – handelen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij – de moeder van [slachtoffer] – heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt
€ 9.732,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering benadeelde partij wordt toegewezen, conform de beslissing van de rechtbank hieromtrent.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij vanwege de integrale vrijspraak die is bepleit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt omtrent de vordering als volgt. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van in totaal € 9.732,92 ziet op kosten van lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en is integraal toewijsbaar. Over een bedrag van € 5.357,92 zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het Schadefonds Geweldsmisdrijven omstreeks dezelfde datum als waarop de benadeelde partij dit bedrag heeft voldaan een (voorwaardelijke) uitkering ter hoogte van dit bedrag (afgerond op
€ 5.358,00) aan de benadeelde partij heeft gedaan. Het resterende bedrag van € 4.375,00 is blijkens de desbetreffende offerte in gedeelten betaald, waardoor de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de dag waarop die betalingen (zullen) zijn gedaan:
€ 2.000,00 op 17 november 2015 en € 2.375,00 op (naar schatting) 1 januari 2016.
Verdachte is hoofdelijk gehouden tot vergoeding van die schade zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente zoals hiervoor genoemd, in dier voege dat indien en voor zover door verdachtes mededader is betaald, ook verdachte daardoor zal zijn bevrijd.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht – eveneens hoofdelijk – opleggen op de hierna te noemen wijze, met dezelfde beslissing over de ingangsdata van de wettelijke rente als ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van verdachte teneinde haar ter observatie op te nemen in het PBC.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:
€ 2.000,00 € 2.000,00 per 17 november 2015 tot aan de dag der voldoening, en
€ 2.000,00 € 2.375,00 per 1 januari 2016 tot aan de dag der voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 83 (drieëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere betalingsverplichting in zoverre vervalt.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, ook de ander(en) daardoor in zoverre zullen zijn bevrijd.
Aldus gewezen door
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. C.M.E. Lagarde en mr. W.A. Holland, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,
en op 18 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 januari 2019.
Tegenwoordig:
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. C.M.E. Lagarde en mr. W.A. Holland, raadsheren,
mr. J.B.H.M. Simmelink, advocaat-generaal,
mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.