GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 18/00865 tot en met 18/00871
uitspraakdatum: 28 mei 2019
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2018, nummers AWB 17/4722 tot en met 17/4727 en 17/4730, in het geding tussen de Inspecteur en
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft voor het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2013 en het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2014 omzetbelasting op aangifte voldaan.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de bezwaren ontvankelijk verklaard en belanghebbende teruggaaf verleend van de op aangifte betaalde omzetbelasting. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het griffierecht en de proceskosten (€ 33,88) te vergoeden.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende is werkzaam als zelfstandig voetreflexzonetherapeut.
Met ingang van 1 januari 2013 zijn de diensten van beoefenaren van een niet in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregeld (para)medisch beroep van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968 uitgezonderd. Belanghebbende heeft met ingang van het eerste kwartaal van 2013 omzetbelasting op aangifte voldaan.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte voor het eerste kwartaal 2013.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:744 volgt dat de vrijstelling wel van toepassing is op de diensten van belanghebbende.
De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2015 een ontvangstbevestiging gestuurd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“Op 26 april 2013 heb ik uw bezwaarschrift omzetbelasting ontvangen waarmee u ten name van:
[X] te [Z] bezwaar maakt tegen de afdracht/naheffingsaanslag met tijdvakcode 3210 over het tijdvak 1e kwartaal 2013.
Het bezwaarschrift is in behandeling bij ons bezwaarteam.”
Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2015 alsnog bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting voor de overige tijdvakken.
3. Geschil
In geschil is of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat zij te laat zijn ingediend. Specifiek is in geschil of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Niet is in geschil dat indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is, de op aangifte betaalde bedragen aan belanghebbende dienen te worden teruggegeven.
4. Beoordeling van het geschil
Het Hof stelt vast dat belanghebbende niet binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoeningen voor het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2013 en alle kwartalen van 2014.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een belastingplichtige zich op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan beroepen indien een rechtsmiddelenclausule ontbreekt, zoals bij voldoening op aangifte. Dit beroep faalt indien op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belastingplichtige wist dat hij binnen zes weken bezwaar moest maken tegen iedere voldoening (HR 5 december 2014, nr. 13/05801, ECLI:NL:HR:2014:3510). Het Hof laat in het midden of belanghebbende dit wist en zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat zulks niet het geval is. Na ontvangst van de brief van 15 april 2015 moet belanghebbende in ieder geval duidelijk zijn geweest dat zij enkel een bezwaarschrift had ingediend voor het eerste kwartaal en niet voor de overige tijdvakken. Belanghebbende had daarop zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk alsnog bezwaar moeten maken tegen de voldoeningen voor de overige tijdvakken (HR 22 maart 2002, nr. 36933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462). De brief van 30 november 2015 is niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk na 15 april 2015 ingediend. Reeds om deze reden is derhalve geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding voor de kwartalen na het eerste kwartaal van 2013. De Inspecteur heeft de bezwaren voor deze tijdvakken dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 28 mei 2019 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 mei 2019.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.