2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot wraking
Het verzoek tot wraking is tijdig, schriftelijk en gemotiveerd gedaan en voldoet daarmee aan de eisen die artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt. Ook overigens acht het Hof het verzoek ontvankelijk.
3. Beoordeling van het wrakingsverzoek
Artikel 8:15 Awb luidt:
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Verzoeker doet zijn verzoek tot wraking van de raadsheren blijkens zijn verzoekschrift steunen op de grond dat genoemde raadsheren zijn verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling op 6 juni 2019 niet hebben gehonoreerd. Daarmee staan ze hem niet toe om zijn belangen op adequate wijze te verdedigen en geven ze blijk van vooringenomenheid en partijdigheid, aldus verzoeker.
De raadsheren hebben in hun reactie – kort gezegd – aangevoerd dat het verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting hen eerst heeft bereikt nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, waardoor het niet meer mogelijk was om daarop nog te beschikken.
De wrakingskamer oordeelt als volgt. Het al dan niet toewijzen van een verzoek tot uitstel betreft een beslissing met een procedureel karakter. Uit een dergelijke beslissing valt naar het oordeel van de wrakingskamer geen vooringenomenheid af te leiden. De vrees daarvoor is ook niet objectief gerechtvaardigd. Het verzoek tot wraking moet daarom worden afgewezen.
Gezien de gang van zaken zowel bij eerdere procedures van verzoeker bij het Hof als bij de onderhavige zaak in eerste aanleg bij de Rechtbank Gelderland is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 8:18, vierde lid, Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen.
In zijn brief van 17 juni 2019 aan de wrakingskamer merkt verzoeker nog op dat het onderzoek ter zitting heropend dient te worden. De wrakingskamer wijst erop dat, voor zover dit een verzoek betreft, de beslissingsbevoegdheid daarover bij de behandelende kamer ligt.
4. Beslissing
De wrakingskamer
– wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren mr. B.F.A. van Huijgevoort, mr. I. Linssen en mr. J.W. van Knobelsdorff af en
– bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking met betrekking tot de zaak 18/00764 niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gedaan te Arnhem door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. A.H. Garos en mr. J.B. de Groot, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 juli 2019.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (Artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).