GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2018, betreffende
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990, eenrichtingsverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 december 2016 om 17:48 uur op de Maximiliaanstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich onder meer op het standpunt dat de inleidende beschikking is opgelegd in strijd met het bepaalde in artikel 5 van de Wahv. De omstandigheid dat de ambtenaar op weg is naar een melding betekent volgens de gemachtigde niet automatisch dat er geen staandehouding kan plaatsvinden. Zo is de melding dat er een verlaten voertuig al weken op een parkeerplaats staat van een ander gewicht dan de melding dat er iemand in gevaar verkeert, aldus de gemachtigde. Nu de aard van de melding in de onderhavige zaak niet uit de stukken blijkt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de betrokkene bestond.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
4. De gegevens in het zaakoverzicht houden - voor zover relevant - in dat de ambtenaar heeft waargenomen dat de bestuurder van het voertuig achteruit de straat in reed en dat hij niet tot staandehouding van de betrokkene is overgegaan omdat hij onderweg was naar een melding.
5. Uit voormelde verklaring volgt dat de ambtenaar heeft waargenomen dat met het voertuig van de betrokkene de onderhavige gedraging is verricht. Hieruit volgt dat de ambtenaar aanstonds heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder van dat voertuig was ten tijde van het verrichten van de gedraging. In een dergelijk geval dient de administratieve sanctie te worden opgelegd aan de bestuurder van het voertuig en niet aan de kentekenhouder. Niet blijkt dat de ambtenaar niet in staat was een staandehouding uit te voeren. Weliswaar wordt als reden opgegeven dat de ambtenaar onderweg was naar een melding, maar dit houdt niet noodzakelijkerwijs in - anders dan de advocaat-generaal stelt - dat geen staandehouding kan worden verricht. Uit diens verklaring blijkt bovendien niet waarom hij gehoor wilde geven aan deze melding en waarom die melding een hogere prioriteit had. Bij die stand van zaken houdt het hof het ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dat brengt mee dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt
€ 525,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal
€ 1.050,- (= 4 x € 525,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.050,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.