OVERWEGINGEN:
Het hof is na onderzoek gebleken dat de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, nog steeds aanwezig zijn, zodat de beslissing van de rechtbank met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.
Naar het oordeel van het hof doet zich niet voor het geval dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat verdachte bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de mogelijk door de strafrechter af te geven zorgmachtiging in de zin van artikel 2.3 Wet Forensische Zorg valt aan te merken als een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel in de zin van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 67a en 69 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof bevestigt de beslissing waarvan beroep.
Aldus gegeven op 11 maart 2020 door mrs. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter, C. Caminada en
J.S. van Duurling, raadsheren, in tegenwoordigheid van M. van Daalen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.