[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde (met uitzondering van het medeplegen) tot een taakstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis en teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 565,--. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. R. van Veen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte veroordeeld ter zake het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 31,7 gram cocaïne tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 565,--.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 november 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,17 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat de doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te [plaats] onrechtmatig is geweest, dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat om die reden het verkregen bewijsmateriaal van het bewijs dient te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan om de rechter-commissaris te horen als getuige over de gang van zaken rond de verleende toestemming voor de doorzoeking.
Het hof constateert dat niet alleen de beschikkingen van de rechter-commissaris onduidelijkheden bevatten ten aanzien van de daarin genoemde data, maar dat ook het dossier van de politie op meerdere punten onvolledig is of gebreken vertoont. Zo ontbreekt het proces-verbaal van de politie ter onderbouwing van de gevraagde toestemming voor doorzoeking. Ook is er geen proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de vraag welke goederen waar precies in de woning of woningen (huisnummers 107a en 107b) zijn aangetroffen en wie er tot die ruimtes toegang hadden. Verder ontbreken eveneens de foto's die klaarblijkelijk aan verdachte zijn getoond tijdens zijn verhoor op 17 november 2016.
Daargelaten de vraag of de rechter-commissaris thans nog duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de gang van zaken rond de destijds - in december 2016 - verleende toestemming, ziet het hof in het onderhavige dossier onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde "opzettelijke aanwezig hebben" te komen. Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 565,--.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,
en op 3 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.