GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 20/00014 en 20/00015
uitspraakdatum: 27 oktober 2020
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 3 december 2019, nummers AWB 18/5952 en 18/5953, in de gedingen tussen de Inspecteur en
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn over het jaar 2016 een aanslag IB/PVV en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd. Voorts heeft de Rechtbank aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.
De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben afgezien van het recht te worden gehoord. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende drijft samen met [A] een vennootschap onder firma onder de naam V.O.F. [B] (hierna: de vof). De activiteiten van de onderneming bestaan uit het telen van fruit. In het jaar 2016 had belanghebbende een aandeel in het resultaat van 60%.
De vof heeft in 2016 in zeven bedrijfsmiddelen bij elkaar € 190.482 geïnvesteerd. Belanghebbende heeft geen buitenvennootschappelijke investeringen verricht.
Op 21 mei 2017 heeft belanghebbende aangifte voor de IB/PVV over 2016 gedaan. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 42.785 en bestaat uit winst uit onderneming. In de aangifte is een investeringsaftrek ter hoogte van € 4.762 vermeld. Deze bestaat volledig uit de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (hierna: de KIA).
De aanslagen zijn conform de aangiften aan belanghebbende opgelegd.
3. Geschil
In bezwaar en beroep is in geschil het antwoord op de vraag op welk bedrag de KIA dient te worden vastgesteld.
4. Beoordeling van het geschil
De Hoge Raad heeft op 1 mei 2020 een aantal arresten gewezen over de berekening van de KIA. In het arrest gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2020:825 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.4.4 Zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.41 Wet IB 2001 is de KIA van de belastingplichtige het naar evenredigheid van zijn eigen investeringen berekende bedrag van de KIA die hoort bij het totaal van de eigen investeringen, vermeerderd met de investeringen van de overige leden voor het samenwerkingsverband, alsof hij die investeringen zelf had gedaan. In het daar gegeven voorbeeld wordt in een vennootschap onder firma voor een bedrag van € 200.000 geïnvesteerd. Er zijn acht vennoten met ieder een gelijk aandeel in de winst en in het vermogen. Het percentage KIA wordt bepaald alsof de vennootschap onder firma voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven, waardoor het investeringsbedrag wordt gesteld op € 200.000. De daarmee corresponderende investeringsaftrek bedraagt 5 procent. De investeringsaftrek die elke vennoot als belastingplichtige in aanmerking kan nemen, bedraagt 5 procent van € 25.000, is € 1.250.
Bij de sinds het Belastingplan 2010 geldende opzet van artikel 3.41 Wet IB 2001 is geen wijziging gekomen in deze berekeningswijze. Aangezien sindsdien de in dat artikel opgenomen tabel de KIA niet meer steeds uitdrukt in een percentage, maar in een deel van de gevallen (in de derde en de vierde rij) in de vorm van een vast bedrag of een te berekenen bedrag, moet in die gevallen sindsdien – om ongerijmde en door de wetgever klaarblijkelijk niet bedoelde gevolgen te voorkomen – een tussenstap worden gemaakt indien de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband en diens eigen investeringsbedrag niet valt binnen de bandbreedte waarin het bedrag valt van de eigen investeringen vermeerderd met de investeringen van de overige leden voor het samenwerkingsverband. In de wet is niet een bepaling opgenomen die regelt hoe deze tussenstap moet worden genomen. Het sluit het meest aan bij de systematiek van de wet met betrekking tot de investeringsaftrek door de jaren heen om het bedrag aan KIA dat hoort bij het laatstbedoelde investeringsvolume uit te drukken in een percentage van dat volume. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de wijze waarop in artikel 3.47, lid 1, Wet IB 2001 de desinvesteringsbijtelling is geregeld. Dit percentage, toegepast op de investeringen van de belastingplichtige (aandeel in de investeringen van het samenwerkingsverband, investeringen in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen en investeringen in (een) andere onderneming(en) van de belastingplichtige), bepaalt dan diens KIA. In het gegeven voorbeeld betekent dit dat eerst een KIA moet worden berekend uitgaande van de fictie dat de onderneming van de vennootschap onder firma voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven. Bij een investeringsbedrag van € 200.000 bedraagt die KIA, uitgaande van de voor het jaar 2016 geldende KIA-tabel, € 8.411. De investeringsaftrek die elke vennoot in aanmerking kan nemen, moet daarom worden bepaald aan de hand van het percentage dat het bedrag van € 8.411 uitmaakt van het investeringsbedrag van € 200.000. De KIA van elke vennoot voor zijn investering van € 25.000 is dan 8.411/2.000 maal € 25.000/100, is € 1.051,38.
(...)
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.5 is overwogen, brengt de in het derde lid van artikel 3.41 Wet IB 2001 voorgeschreven samentelling mee dat de voor de KIA van belanghebbende toepasselijke rij uit de KIA-tabel moet worden bepaald door samentelling van de investeringen van de vennoten voor de vof. Dat betekent dat een investeringsbedrag van € 119.385 in aanmerking moet worden genomen. Dit brengt mee dat de KIA voor belanghebbende moet worden berekend aan de hand van de vierde rij. In die rij geldt een vast bedrag van € 15.687 verminderd met 7,56 procent van het gedeelte van het investeringsbedrag dat € 103.748 te boven gaat. Dit resulteert in een bedrag van € 15.687 verminderd met ((€ 119.385 -/- € 103.748) x 7,56% =) € 14.504,84. De KIA van belanghebbende voor diens eigen investeringen, die uitsluitend bestaan uit zijn aandeel in de investeringen van de vof van € 59.692,50, bedraagt dan 14.504,84/1.193,85 maal € 59.692,50/100, dus € 7.252,42. Aangezien bij het vaststellen van de aanslag een bedrag aan KIA van € 7.254 in aanmerking is genomen, is de aanslag niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.”
Tussen partijen is in hoger beroep niet langer in geschil dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld, wat verder zij van de wijze waarop de KIA precies is berekend. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank, die het standpunt van belanghebbende had gevolgd, vernietigen.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op 27 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (A. van Dongen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 oktober 2020.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.