ECLI:NL:GHARL:2021:10401

ECLI:NL:GHARL:2021:10401, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-11-2021, 200.288.531

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-11-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.288.531
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Hoger beroep in kort geding tegen gebod tot terugverhuizing. Met bodembeschikking is de grondslag aan de in het kort geding gegeven voorlopige voorziening komen te ontvallen en is de werking van de voorlopige voorziening geëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.288.531

(zaaknummer rechtbank Gelderland 380765)

arrest in kort geding van 9 november 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. N.P. Scholte,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 december 2020 (hierna: het bestreden vonnis) dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen, terwijl de feiten, de vorderingen en de complete overwegingen waarop de beslissing stoelt afzonderlijk zijn vastgelegd op 18 januari 2021.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 13 januari 2021,

- de memorie van grieven met producties 1 en 2,

- de memorie van antwoord,

- een akte van de man van 14 september 2021 met productie 3,

- een akte uitlating van de vrouw van 28 september 2021.

Vervolgens heeft de man de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

De man vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de vorderingen van de vrouw afwijst.

De vrouw voert verweer en vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof de man niet-ontvankelijk verklaart althans zijn hoger beroep afwijst.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1A.1. tot en met 1A.5 van het bestreden vonnis.

4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

De vrouw heeft in eerste aanleg kort samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de man, op straffe van verbeurte van een dwangsom, terug verhuist naar [woonplaats1] , hem te verbieden de kinderen te laten inschrijven op een andere school en/of bij een sport/hobby club of hulpverleningstraject, hem te gebieden de contactregeling tussen de vrouw en de kinderen na te komen, althans (een) voorziening(en) te treffen die de voorzieningenrechter juist acht, met veroordeling van de man in de proceskosten.

De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen.

De voorzieningenrechter heeft bij bestreden vonnis, onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring, de man geboden om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis terug te verhuizen naar [woonplaats1] , onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag tot een maximum van € 20.000,- voor iedere dag dat hij in strijd handelt met voormeld gebod, voorts de man geboden de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na te komen. Tot slot heeft de voorzieningenrechter de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen. De geformuleerde grieven zien op de relatieve bevoegdheid van de rechtbank (grief 1), de uitwerking van het zogenoemde ‘kop-staart-vonnis’ (grief 2), het vereiste van spoedeisendheid (grief 3) en de materiele beslissing, in casu de aangevoerde redenen en omstandigheden en de weging van belangen van partijen en de kinderen (grief 4).

relatieve bevoegdheid (grief 1)

De wet bevat geen regeling van de relatieve bevoegdheid speciaal voor het kort geding. In rechtspraak van de Hoge Raad is aangenomen dat bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de voorlopige voorziening moet worden getroffen. Deze bevoegdheidsregel wordt sedertdien in de rechtspraktijk toegepast (HR 1 mei 1896, W 6811 en HR 23 november 1917, ECLI:NL:HR:1917:126 (Oudenhoven/Brass)). Daarnaast kunnen ook de bevoegdheidsregels van art. 99-109 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) tot op zekere hoogte overeenkomstige toepassing vinden op het kort geding. Of de voorzieningenrechter zich ten onrechte niet onbevoegd heeft verklaard met gelijktijdige verwijzing van de zaak naar de rechtbank (bedoeld zal zijn:) Noord-Nederland, locatie Assen, beoordeelt het hof niet. Tegen het achterwege laten van verwijzing staat op grond van artikel 110 lid 3 Rv. namelijk geen hogere voorziening open. Dit artikellid berust op de gedachte dat geschillen rond relatieve bevoegdheid bij voorkeur op korte termijn beslecht moeten worden en niet ook nog moeten doorwerken in een beroep. Daarom moet dit ook gelden voor dit geval. Daar komt bij dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat op de dag van betekening van de dagvaarding (11 december 2020) de man nog ingeschreven stond op het adres te [woonplaats1] . Grief 1 gaat niet op.

kop-staart-vonnis (grief 2)

De man voert in zijn tweede grief aan dat de voorzieningenrechter eerst op 18 januari 2021 de motivering heeft vastgesteld, terwijl het vonnis reeds op 18 december 2020 was gewezen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter, gerekend met de beroepstermijn van vier weken, de motivering van zijn beslissing heeft gegeven nadat de beroepstermijn reeds verstreken was. Als gevolg hiervan was het voor de man niet mogelijk om te kiezen voor het uitoefenen van zijn processueel recht om spoedappel in stellen met de vermelding van de grieven in de dagvaarding, maar stond nog slechts de weg open van een hoger beroep op nader aan te voeren gronden.

Het hof overweegt als volgt. Een schriftelijke uitwerking meer dan vier weken na het wijzen van een ‘kop-staart-vonnis’ kan niet worden beschouwd als een redelijke termijn, gegeven de beroepstermijn. Niettemin kan voormeld verzuim niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, nu de man bij memorie van grieven de gelegenheid heeft zijn gronden aan te voeren en hij had kunnen verzoeken om de zaak alsnog met spoed te laten behandelen. De grief is weliswaar terecht voorgesteld, maar kan niettemin niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

spoedeisendheid (grief 3) en inhoudelijk (grief 4)

Een beslissing van de voorzieningenrechter is naar zijn aard tijdelijk en betreft een voorlopige maatregel, die door een latere uitspraak in de procedure in de hoofdzaak terzijde kan worden gesteld. Inmiddels heeft de rechtbank in de door de man gestarte bodemprocedure op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek bij beschikking van 6 augustus 2021 (productie 3) aan de man vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar [plaats1] te verhuizen en om hen in te schrijven op een school in [plaats1] ( [kind1] op [naam1] College en [kind2] op de SBO [naam2] ), die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Met die bodembeschikking is daarom de grondslag aan de in het kort geding gegeven voorlopige voorziening komen te ontvallen en is de werking van de voorlopige voorziening geëindigd. Dit betekent dat de man geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de grieven 3 en 4. De grieven worden gepasseerd.

6. De slotsom

Grief 1 gaat niet op. Grief 2 is weliswaar terecht voorgesteld, maar kan niettemin niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Grieven 3 en 4 worden gepasseerd. Het beroep zal dan ook worden verworpen.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verwerpt het hoger beroep;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, M.L. van der Bel, M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?