ECLI:NL:GHARL:2021:1895

ECLI:NL:GHARL:2021:1895, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-03-2021, 19/00512

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-03-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/00512
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001833

Samenvatting

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00512

uitspraakdatum: 2 maart 2021

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 maart 2019, nummer AWB 18/3896, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 1 te [Z] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2017 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2018 vastgesteld op € 278.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2018 (hierna: OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 348,89.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de bij beschikking vastgestelde waarde verminderd tot € 268.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Ter zitting is de onderhavige zaak gezamenlijk behandeld met elf andere zaken - allemaal WOZ-objecten die zich in de [a-straat] bevinden - door het Hof geregistreerd onder de nummers 19/00271, 19/00272 en 19/00513 tot en met 19/00521. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een in 1997 gebouwde geschakelde (hoek)woning met garage (18 m²), aanbouw (15 m³) en tuinhuis. De woning heeft een inhoud van 412 m³. De oppervlakte van het perceel bedraagt 251 m².

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het taxatierapport per waardepeildatum 1 januari 2017 met bijbehorende taxatiematrix gedateerd op 21 november 2018, opgesteld door taxateur [A] .

De matrix vermeldt onder andere de hierna volgende informatie:

Waardepeildatum 1-1-2017

[a-straat]

1

9

16

10

14

soort woning

geschakeld

geschakeld

geschakeld

geschakeld

geschakeld

bouwjaar

1997

1997

1997

1997

1997

inhoud

412 m³

412 m³

412 m³

412 m³

412 m³

oppervlakte perceel

251 m²

170 m²

170 m²

170 m²

171 m²

garage

18 m²

18 m²

18 m²

18 m²

18 m²

aanbouw

15 m³

ligging

6

6

6

6

6

getaxeerde waarde

€ 278.000

transportdatum

30-12-2016

1-6-2017

1-11-2016

4-8-2017

transactieprijs

€ 249.000

€ 230.000

€ 219.000

€ 259.500

Kwaliteit

6

6

6

6

6

Onderhoud

6

6

5

5

6

Uitstraling

6

6

6

6

6

Doelmatigheid

6

6

6

6

6

Voorzieningen

6

6

5

5

7

De woning is - belanghebbende staat een inpandige opname door de taxateur niet toe - via een geveltaxatie opgenomen.

3. Geschil

In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2017 (hierna: belastingjaar 2018).

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de bij beschikking vastgestelde waarde en de aanslag. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep erop gewezen dat de heffingsambtenaar de waarde heeft bepaald volgens de vergelijkingsmethode. Dit systeem is volgens hem niet bruikbaar omdat elk huis uniek is. Volgens belanghebbende had daarom de Wet op de Grondbelasting - voorloper van de Wet WOZ - in stand moeten blijven. Daarnaast kan de beschikking niet in stand blijven daar de heffingsambtenaar volgens belanghebbende algemene beginselen van behoorlijk bestuur - belanghebbende noemt: het beginsel van fair-play, het zorgvuldigheids-, gelijkheids- en het 'ne bis in idem'-beginsel - heeft geschonden. Onder verwijzing naar de uitspraak van dit Hof van 5 september 2017, nr. 16/00910, ECLI:NL:GHARL:2017:7658, bepleit belanghebbende dat voor het belastingjaar 2018 de door de Rechtbank vastgestelde waarde van € 268.000 moet worden verminderd met een bedrag van € 30.000 dan wel € 33.000.

De heffingsambtenaar bepleit dat de vastgestelde waarde van € 278.000 niet te hoog is en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van de beroepen. Er is naar zijn mening geen plaats voor een aftrekpost van € 10.000 op basis van het voorzieningenniveau zoals door de Rechtbank is beslist. Belanghebbende heeft geweigerd om de taxateur de woning inpandig te laten opnemen, noch heeft belanghebbende zelf een taxateur de woning laten taxeren. Onder deze omstandigheden zijn er onvoldoende concrete en objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat het voorzieningenniveau van de woning ten onrechte op normaal/gemiddeld (factor 6) is gesteld, aldus de heffingsambtenaar. Ter onderbouwing verwijst hij verder naar het bijgevoegde taxatierapport met bijbehorende matrix. Hij is van mening dat de referentieobjecten ten aanzien van de objectkenmerken goed vergelijkbaar zijn met het onderhavige object. Weliswaar bestaan er enkele verschillen tussen de referentieobjecten en het onderhavige object maar daarmee is bij de waardering rekening gehouden, aldus de heffingsambtenaar.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde de prijs die door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.

In artikel 20 van de Wet WOZ is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de onderbouwing en de uitvoering van de waardebepaling. Op grond hiervan is het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: UBOUW) vastgesteld. In artikel 2 UBOUW is vervolgens bepaald dat bij ministeriële regeling een instructie wordt vastgesteld waarin regels zijn neergelegd voor de onderbouwing en de uitvoering van de waardebepaling van onroerende zaken op de voet de Wet WOZ. Artikel 4 van deze Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken luidt voor zover van belang als volgt:

"1. De waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet, wordt bepaald voor woningen: door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn; (…)."

Het voorgaande houdt in dat het betoog van belanghebbende dat de vergelijkingsmethode niet legitiem zou zijn en de heffingsambtenaar daarom on(wet)rechtmatig handelt, geen hout snijdt. Ten aanzien van het door belanghebbende gedane beroep op schending van de Grondwet overweegt het Hof dat het hem op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij staat om formele wetgeving - in dit geval de Wet WOZ - te toetsen op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

Nu belanghebbende de juistheid van de vastgestelde waarde betwist, rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum door hem niet te hoog is vastgesteld.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met het taxatierapport en de matrix de door hem verdedigde waarde van € 278.000 voldoende inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. In dit verband overweegt het Hof als volgt.

In het taxatierapport zijn vier referentieobjecten genoemd die alle vier zijn gelegen in de [a-straat] (nummers 9, 10, 14 en 16). Niet in geschil is dat alle referentieobjecten van een gelijk type zijn, met een, op de aanbouw na, gelijke inhoud van 412 m³. Daarnaast beschikken deze woningen, evenals de woning van belanghebbende, over een garage met een oppervlakte van 18 m². De oppervlakte van de kavels zijn echter kleiner en omvatten 170/171 m², terwijl de oppervlakte van de kavel van de woning van belanghebbende 251 m² omvat. De referentieobjecten zijn in 2016 en in 2017 verkocht voor respectievelijk € 249.000 (nr. 9), € 219.000 (nr. 10), € 259.500 (nr. 14) en € 230.000 (nr. 16) (zie 2.3.).

Gelet op het voorgaande staat vast dat alle referentieobjecten van exact hetzelfde type zijn, gelegen zijn in dezelfde straat, alle zijn gebouwd in 1997, alle dezelfde inhoud (412 m3) hebben, en volgens de tot het dossier behorende foto’s alle een identieke uitstraling hebben. Ook wat betreft de kwaliteit, staat van onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen bestaan er geen of slechts kleine verschillen. De onderhavige woning wijkt alleen in positieve zin af van de referentieobjecten daar waar het de perceeloppervlakte (+ 80/81 m²) en de aanwezigheid van een aanbouw met een inhoud van 15 m³ betreft. De hierdoor aanwezige meerwaarde komt terecht tot uitdrukking in de vastgestelde waarde.

Incidenteel hoger beroep

De heffingsambtenaar kan zich niet vinden in het oordeel van de Rechtbank dat hij het voorzieningenniveau van de woning - gelet op het onbetwist laten van de stelling van belanghebbende dat sprake is van minder (recent aangebrachte) voorzieningen - niet aannemelijk heeft gemaakt (zie ook 3.3.).

Belanghebbende stelt dat het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar wegens termijnoverschrijding, omdat het niet binnen de termijn van zes weken na de uitspraak van de Rechtbank is ingediend, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De gronden zijn door het Hof op 23 juli 2019 verzonden aan de heffingsambtenaar, die vervolgens op 9 augustus 2019 incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat het incidentele hoger beroep tijdig is ingesteld.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende eerst tijdens de zitting bij de Rechtbank het niveau van de voorzieningen aan de orde heeft gesteld en dat hij, nadat de heffingsambtenaar na de zitting van de Rechtbank hem daarom had verzocht, heeft geweigerd om de woning alsnog inpandig te laten opnemen. Nu belanghebbende niet heeft willen meewerken aan een inpandige opname van de woning brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende de bewijslast van deze stelling draagt. Het is daarom aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde moet worden verminderd vanwege een lager voorzieningenniveau. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met de blote stelling dat sprake is van minder recent aangebrachte voorzieningen, tegenover de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een lager voorzieningenniveau. Het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar slaagt.

Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Aan de gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft belanghebbende geen, dan wel onvoldoende, feiten ten grondslag gelegd die zien op het nemen van de WOZ-beschikking. Reeds daarom faalt het beroep op deze beginselen. De stelling van belanghebbende dat de WOZ-beschikking voor het onderhavige jaar niet mocht worden genomen, zolang de WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2015 nog niet onherroepelijk vast stond - door belanghebbende het beginsel van 'ne bis in idem' genoemd - berust op een onjuist inzicht in het recht. Anders dan belanghebbende meent, staat ieder jaar voor de waardering van de WOZ-waarde op zichzelf. Ook deze beroepsgrond faalt.

Schadevergoeding

Vanwege het vermeende misbruik van het systeem van de Wet WOZ (zie 3.2.) verzoekt belanghebbende om toekenning van een (im)materiële schadevergoeding. Gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen bij 4.3. is het Hof van oordeel dat voor een materiële of immateriële schadevergoeding, zoals door belanghebbende wordt bepleit, geen enkele aanleiding bestaat.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (T. Tanghe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 maart 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T. Tanghe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2021/623 Belastingblad 2021/143 V-N 2021/30.29.42 FutD 2021-0874 Viditax (FutD) 2021031214
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?