GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.174.540/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/364111 / HL ZA 14-67)
arrest van 2 maart 2021
in de zaak van
1. [appellant] ,
2. [appellante] ,
beiden wonende te [A] ,
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,
advocaat: mr. M.J.M. Groen, die kantoor houdt te Almere,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: eiser,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.G. Spijker, die kantoor houdt te Boxmeer.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 december 2019 hier over.
In dit tussenarrest heeft het hof [appellanten] c.s. toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden op
19 april 2013.
[appellanten] c.s. hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling van de grieven en de vordering
Zoals hiervoor onder 1.2 is overwogen heeft het hof in het tussenarrest van 10 december 2019 [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden op
19 april 2013.
[appellanten] c.s. hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs. Daardoor is komen vast te staan dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden [in] 2013.
Dat betekent dat, zoals in rechtsoverweging 5.16 van het tussenarrest van 10 december 2019 is overwogen, [appellanten] c.s. naast het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 19.300,- nog een bedrag van € 2.383,- aan de nalatenschap van [C] dient te betalen, dus totaal € 21.683,33. Het vonnis van de rechtbank van 22 april 2015 zal daarom in zoverre worden vernietigd.
De grieven in het principaal hoger beroep falen en de grieven in het incidenteel hoger beroep slagen ten dele.
[appellanten] c.s. zullen als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep. In het principaal hoger beroep worden de kosten aan de zijde van de nalatenschap begroot op € 311,- aan verschotten (griffierecht) en € 4.326,- (3 punten, tarief III, € 1.442,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat. Hierbij wordt aangetekend dat geen punten zijn toegekend voor het nemen van de akten van 19 september 2017 en 3 april 2018, omdat die akten nodig waren om onduidelijkheden in de hoedanigheid van [geïntimeerde] als procespartij op te helderen.
In het incidenteel hoger beroep worden de kosten begroot op € 721,- (0,5 punt, tarief III, € 1.442,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt onderdeel 3.1 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van
22 april 2015 en opnieuw recht doende;
veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook
de ander zal zijn bevrijd, om aan de nalatenschap van [C] te betalen een bedrag
van € 21.683,33, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 19 april 2013 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook
de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep vastgesteld op € 4.326,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 311,- voor verschotten;
veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook
de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep vastgesteld op € 721,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.J.H. Hofstee, H. de Hek en C. Koopman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
2 maart 2021.