ECLI:NL:GHARL:2021:1980

ECLI:NL:GHARL:2021:1980, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-03-2021, 200.174.540/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-03-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.174.540/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:10615
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002761

Samenvatting

Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tegenbewijs te leveren. Daardoor is komen vast te staan dat vader wilsonbekwaam was. Veroordeling van appellanten tot betaling aan de nalatenschap wegens onrechtmatig handelen van ruim € 21.000,-.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.174.540/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/364111 / HL ZA 14-67)

arrest van 2 maart 2021

in de zaak van

1. [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [A] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. M.J.M. Groen, die kantoor houdt te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.G. Spijker, die kantoor houdt te Boxmeer.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 december 2019 hier over.

In dit tussenarrest heeft het hof [appellanten] c.s. toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden op

19 april 2013.

[appellanten] c.s. hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

Zoals hiervoor onder 1.2 is overwogen heeft het hof in het tussenarrest van 10 december 2019 [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden op

19 april 2013.

[appellanten] c.s. hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs. Daardoor is komen vast te staan dat [C] op financieel terrein wilsonbekwaam was in de periode van 30 september 2010 tot aan zijn overlijden [in] 2013.

Dat betekent dat, zoals in rechtsoverweging 5.16 van het tussenarrest van 10 december 2019 is overwogen, [appellanten] c.s. naast het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 19.300,- nog een bedrag van € 2.383,- aan de nalatenschap van [C] dient te betalen, dus totaal € 21.683,33. Het vonnis van de rechtbank van 22 april 2015 zal daarom in zoverre worden vernietigd.

De grieven in het principaal hoger beroep falen en de grieven in het incidenteel hoger beroep slagen ten dele.

[appellanten] c.s. zullen als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep. In het principaal hoger beroep worden de kosten aan de zijde van de nalatenschap begroot op € 311,- aan verschotten (griffierecht) en € 4.326,- (3 punten, tarief III, € 1.442,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat. Hierbij wordt aangetekend dat geen punten zijn toegekend voor het nemen van de akten van 19 september 2017 en 3 april 2018, omdat die akten nodig waren om onduidelijkheden in de hoedanigheid van [geïntimeerde] als procespartij op te helderen.

In het incidenteel hoger beroep worden de kosten begroot op € 721,- (0,5 punt, tarief III, € 1.442,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt onderdeel 3.1 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van

22 april 2015 en opnieuw recht doende;

veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook

de ander zal zijn bevrijd, om aan de nalatenschap van [C] te betalen een bedrag

van € 21.683,33, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 19 april 2013 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook

de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep vastgesteld op € 4.326,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 311,- voor verschotten;

veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook

de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep vastgesteld op € 721,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J.H. Hofstee, H. de Hek en C. Koopman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

2 maart 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JERF Actueel 2021/93
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?