[Voornamen & achternaam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum & -plaats] ,
wonende aan de [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.B.J.G. Baggen, naar voren is gebracht.
Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij tijdens een achtervolging door de politie gevaarlijk heeft gereden, de plaats van een verkeersongeval heeft verlaten en dat hij onder invloed van amfetamine heeft gereden.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte het tenlastegelegde niet ontkent. Ten aanzien van het rijden onder invloed van amfetamine heeft verdachte (reeds bij de politie) verklaard dat hij voor zijn ADHD op voorschrift het medicijn dexamfetamine gebruikt, hetgeen het hof mede gelet op door de verdediging ingezonden informatie hierover aannemelijk acht.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende parlementaire stukken met betrekking tot deze problematiek:
De Gezondheidsraad heeft blijkens voornoemd Aanhangsel het standpunt ingenomen dat het gebruik van psychostimulantia – waaronder ook dexamfetamine valt – iemand ongeschikt maakt om te rijden. Daarbij is het nog het volgende opgemerkt: “Een uitzondering is mogelijk voor zover psychostimulantia in therapeutische dosering gebruikt worden voor de behandeling van ADHD bij volwassenen, narcolepsie of pathologische hypersomnolentie en indien er geen rijgevaarlijke bijwerkingen zijn”.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel drugs in het verkeer is de vraag onder ogen gezien of voor het rijden onder invloed van drugs onderscheid moet worden gemaakt tussen recreatief of medisch gebruik van de middelen als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), waaronder dexamfetamine. Een dergelijk onderscheid is daarbij niet gemaakt vanuit de gedachte dat het gaat om de verkeersveiligheid en niet om de reden van het gebruik.
In voornoemde brief van 5 maart 2021 staat over de strafbaarstelling het volgende: “Sinds 1 juli 2017 zijn gebruikers van medicinale cannabis, morfine en dexamfetamine die deelnemen aan het verkeer strafbaar als de concentratie in het bloed boven de grenswaarden komt, die zijn opgenomen in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit).”
De betrokken ministers van Medische Zorg, Welzijn en Sport, Infrastructuur en Waterstaat en de Justitie en Veiligheid hebben op instigatie van de Tweede Kamer onderzocht of een uitzondering op de strafbaarstelling voor medicijngebruikers mogelijk is. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat vanwege de geringe omvang van de problematiek en de complexiteit van het onderwerp het aanhouden van de huidige werkwijze van politie en openbaar ministerie de beste optie is.
Deze werkwijze houdt in dat wanneer iemand positief test met betrekking tot een van de middelen van artikel 8, vijfde lid WVW94 en de verdachte aangeeft dergelijke medicatie te gebruiken, de politie dit verbaliseert in het proces-verbaal. In dat geval zal het openbaar ministerie – zodra uit de analyse van het bloed van een medicijngebruiker blijkt dat sprake is van een strafbare concentratie – verdachte de gelegenheid bieden zijn recept op te sturen, waarna het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wordt gevraagd of de aangetroffen concentratie van de rijgevaarlijke stof in het bloed van een verdachte past binnen de therapeutische range van de voorgeschreven dosering en wat de effecten daarvan zijn op de rijvaardigheid. Het openbaar ministerie zal vervolgens met inachtneming van deze en alle overige feiten en omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld het rijgedrag van een verdachte, beoordelen of vervolging opportuun is.
Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat de door de minister genoemde werkwijze in de zaak van verdachte is gevolgd. Hierdoor bestaat thans geen duidelijkheid ten aanzien van de vraag of de amfetamine-achtige stoffen die in het bloed van verdachte zijn aangetroffen passen binnen de voorgeschreven medicatie dexamfetamine waarover verdachte heeft verklaard.
Het hof acht het noodzakelijk dat het door de minister in de beschrijving van de werkwijze genoemde onderzoek van het NFI naar het medicijngebruik van verdachte en de invloed daarvan op zijn rijvaardigheid alsnog zal worden verricht. Het hof zal daarom het onderzoek heropenen en geeft de advocaat-generaal de opdracht een dergelijk onderzoek te laten verrichten. Daartoe zal het hof de stukken in handen stellen van de advocaat-generaal.
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Geeft de advocaat-generaal de opdracht om het NFI onderzoek te laten doen ter beantwoording van de vraag of de aangetroffen concentratie van de rijgevaarlijke stof in het bloed van verdachte past binnen de therapeutische range van zijn voorgeschreven dosering alsmede naar de effecten van die dosering op verdachtes rijvaardigheid.
Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met voormeld doel.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en aan de benadeelde partij.
Aldus gewezen door
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. J.A.W. Lensing en mr. J. Corthals, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,
en op 23 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.