GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.291.000
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 8543180)
beschikking van 26 juli 2021
in de zaak van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. S. Karakaya-Pilavci,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
tevens appellante in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. A. M Leenders.
1. De procedure bij de kantonrechter
De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 4 december 2020 beschikking gewezen. Daaruit blijkt het verloop van de procedure.
2. De procedure in hoger beroep
[appellant] heeft de procedure bij het hof aanhangig gemaakt met een beroepschrift, tevens aanvulling van rechtsgronden, dat is binnengekomen op 25 februari 2021. Daarna heeft de Gemeente een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Daarbij is incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft hierop een verweerschrift in dat beroep ingediend. Op 9 juli 2021 is de mondelinge behandeling gehouden, waarbij [appellant] pleitaantekeningen heeft overgelegd. Hierna heeft het hof uitspraak bepaald.
3. De beoordeling van het hoger beroep
inleiding
[appellant] is van 1 oktober 1983 tot 1 maart 2020 werkzaam geweest bij de Gemeente. Hij is op 25 februari 2017 uitgevallen wegens ziekte en hierna langdurig arbeidsongeschikt gebleven. Bij besluit van 16 december 2019 heeft de Gemeente [appellant] per 1 maart 2020 eervol ontslag verleend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar richtte zich niet tegen het ontslag, maar tegen het feit dat in het besluit niet is bepaald dat hij recht heeft op een transitievergoeding. De Gemeente heeft bij beslissing op bezwaar besloten dat het besluit tot ontslag zonder toekenning van een transitievergoeding op de juiste juridische en feitelijke grondslagen is genomen en dat het besluit ook voldoende gemotiveerd en voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] recht heeft op een transitievergoeding in de zin van artikel 7:673 BW. De kantonrechter heeft het verzoek van [appellant] tot toekenning van zo’n vergoeding afgewezen. [appellant] is het daar niet mee eens. Daarover gaat het principaal hoger beroep. De Gemeente stelt in het incidenteel hoger beroep dat [appellant] in zijn verzoek niet-ontvankelijk is.
de beslissing van het hof
Het hof wijst het verzoek van [appellant] toe. De beschikking van de kantonrechter wordt dan ook vernietigd. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
het juridisch kader
Per 1 januari 2020 is de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (Wnra) in werking getreden. Het overgangsrecht is geregeld in de artikelen 14 tot en met 17 van de bij die wet gewijzigde Ambtenarenwet 2017 (AW 2017). In artikel 14 staat dat de aanstelling van de ambtenaar op 1 januari 2020 van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, met behoud van de individuele arbeidsvoorwaarden die op dat moment voor de ambtenaar gelden. Artikel16 luidt:
“1. Krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, behouden hun geldigheid.
2. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip is bekendgemaakt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.”
Het geschil in deze zaak gaat over de vraag hoe dit overgangsrecht moet worden uitgelegd in de situatie waarin het ontslagbesluit is genomen vóór 1 januari 2020 en het ontslag zijn effect krijgt na die datum.
de aanstelling is omgezet in een arbeidsovereenkomst
[appellant] voert aan dat zijn aanstelling op grond van artikel 14 AW 2017 per 1 januari 2020 is omgezet in een arbeidsovereenkomst. Volgens de Gemeente is dat niet zo, omdat op grond van artikel 16 AW 2017 het oude ambtenarenrecht van toepassing blijft en [appellant] dus ook geen toegang heeft tot de civiele rechter.
Het hof volgt het standpunt van [appellant] . Artikel 14 lid 1 AW 2017 bepaalt dat de aanstelling van een ambtenaar van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Tussen partijen is niet in discussie dat de aanstelling van [appellant] op 1 januari 2020 nog bestond, zodat de omzetting van rechtswege ook voor hem geldt. Het ontslagbesluit van 16 december 2019 doet daaraan niet af. Op grond van dat besluit zou de aanstelling per 1 maart 2020 eindigen, maar was die dus nog niet geëindigd op het moment van inwerkingtreding van de Wnra. Anders dan de Gemeente heeft aangevoerd is de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] op 1 maart 2020 het rechtsgevolg (en dus niet het feitelijke gevolg) van het ontslagbesluit dat op 16 december 2019 is genomen, maar dat pas op 1 maart 2020 is geëffectueerd.
Artikel 16 AW 2017 is in dit geval niet van toepassing. Daarin staat dat een voor 1 januari 2020 genomen besluit (in dit geval het ontslagbesluit van 16 december 2019) zijn werking behoudt (lid 1) en dat ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en op lopende bezwaar- en beroepsprocedures het oude recht van kracht blijft (lid 2). Lid 2 ziet dus alleen op het procesrecht, zo blijkt duidelijk uit de formulering daarvan. [appellant] heeft berust in het ontslag, zo stelt ook de Gemeente, en het ontslagbesluit is dus geen onderwerp van een procedure van beroep of bezwaar. Dat betekent dat artikel 16 AW 2017 in dit geval geen betekenis heeft. Uit het door de Gemeente genoemde voorbeeld, zoals uitgewerkt in de Memorie van Toelichting bij de AW, volgt niets anders. Daarin wordt benoemd dat als een ontslagbesluit van vóór de inwerkingtreding van de wet daarna met terugwerkende kracht wordt vernietigd, de (door de vernietiging herleefde) aanstelling alsnog wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst. Dat is een (logische) uitwerking van artikel 14 AW 2017 en een situatie die zich hier niet voordoet.
Het hof concludeert dat de aanstelling is omgezet in een arbeidsovereenkomst en dat [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek.
de transitievergoeding is verschuldigd
De Gemeente voert als subsidiair verweer aan dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat het ambtelijk besluit niet gelijk is te stellen met een civielrechtelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.
Op grond van artikel 7:673 lid 1 onder a BW heeft de werknemer recht op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Op 16 december 2019 was het nemen van een ontslagbesluit voor de Gemeente de enige mogelijkheid om de aanstelling te beëindigen, omdat de Wnra nog niet in werking was getreden. Het hof oordeelt dat het ontslagbesluit alle kenmerken heeft van een opzegging: het gaat om een door de Gemeente als werkgever eenzijdig genomen besluit, gericht op het einde van de aanstelling, die per 1 januari 2020 is omgezet in een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat het hof dit besluit aanmerkt als een opzegging in de zin van artikel 7:673 lid 1 onder a sub 1 BW.
De Gemeente heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog beroepen op het overgangsrecht van de Wet Arbeidsmarkt in Balans. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Omdat dit verweer te laat is aangevoerd laat het hof dit buiten beschouwing.
Het hof oordeelt dus dat de Gemeente de transitievergoeding aan [appellant] moet betalen. De hoogte daarvan is niet langer in geschil.
buitengerechtelijke kosten
De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat (de gemachtigde van) [appellant] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Daarop heeft [appellant] niet meer gereageerd, zodat het hof het verzoek als onvoldoende onderbouwd afwijst. Om diezelfde reden wijst het hof het verzoek om toekenning van een dwangsom af.
4. Slotsom
Het principaal hoger beroep van [appellant] over de transitievergoeding slaagt. Het incidenteel hoger beroep van de Gemeente slaagt niet. Het hof zal de beschikking vernietigen.
De Gemeente wordt in het ongelijk gesteld en daarom veroordeeld in de proceskosten van [appellant] . Die proceskosten bij de kantonrechter worden vastgesteld op € 236,- aan griffierecht en € 720,- aan salaris gemachtigde. De proceskosten in het principaal hoger beroep worden vastgesteld op € 340,- aan griffierecht en € 4.062,- (twee punten tarief IV) aan salaris voor de advocaat. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden vastgesteld op € 1.114,-. Als niet weersproken zal de Gemeente ook in de nakosten worden veroordeeld.
5. De beslissing
Het hof, beschikkende:
in het principaal hoger beroep:
vernietigt de beschikking van 4 december 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht;
en opnieuw recht doende:
veroordeelt de Gemeente om aan [appellant] te betalen de transitievergoeding van € 54.881,31 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2020, onder afgifte van een deugdelijke bruto-/nettospecificatie;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 236,- voor verschotten en op € 720,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 340,- voor verschotten en op € 4.062,-voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het incidenteel hoger beroep:
verwerpt dit beroep;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
veroordeelt de Gemeente in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval de Gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, J.H. Kuiper en A.A van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2021.