[voornamen & achternaam verdachte A],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
wonende aan de [woonplaats].
Het hoger beroep
De betrokkene en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 januari 2020 en 27 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. E.J.M.J. Damen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 19 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van – kort gezegd – wapenhandel en hennepteelt veroordeeld. Deze veroordeling is in stand gebleven in het arrest van dit hof van 10 augustus 2021, ressortsparketnummer 21-001138-19.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op juiste gronden heeft beslist. Het hof constateert wel dat voor de procedure in hoger beroep een tweetal gronden moeten worden toegevoegd. Het hof zal de beslissing daarom bevestigen onder aanvulling van de gronden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof constateert dat bij het wijzen van dit arrest op 10 augustus 2021 een periode van meer dan twee jaren is verstreken sinds het instellen van het hoger beroep op 5 maart 2019. Het hof stelt de mate van overschrijding daarbij vast op een periode van vijf maanden. In dat verband heeft het hof er tevens acht op geslagen dat namens verdachte in hoger beroep in de hoofdzaak is verzocht om nader onderzoek in de vorm van getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris. Bij de planning van deze getuigenverhoren is, door de landelijke maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van het Covid19-virus en welke maatregelen het plannen en behandelen van strafzaken in aanzienlijke mate hebben beperkt, vertraging ontstaan. Het hof is daarom van oordeel dat deze situatie een zodanig bijzondere en onvoorzienbare omstandigheid betreft, dat de vertraging die daarvan het gevolg is niet in zijn geheel in het voordeel van verdachte kan of moet worden gerekend. Het hof ziet daarin en in de relatief beperkte mate van overschrijding aanleiding om in dit geval te volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof constateert voorts dat artikel 36e, elfde lid van het Wetboek van Strafrecht thans voorschrijft dat de rechter bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de uitspraak de duur van de gijzeling zal bepalen die op grond van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafrecht ten hoogste kan worden gevorderd. De wijziging van 36e van het Wetboek van Strafrecht dateert van na de beslissing van de rechtbank. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom aanvullen, met dien verstande dat het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaalt op 444 dagen.
Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank met aanvulling van de bovenstaande gronden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 444 dagen.
Aldus gewezen door
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. R.M. Maanicus en mr. D. Visser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,
en op 10 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.