[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 september 2021, 17 november 2022, 15 december 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw,
mr. A.T. van Vulpen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 276.663,71 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 143.818,10 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 15 december 2022 (parketnummer 21-006689-19) ter zake van het volgende veroordeeld tot straf:
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene de in het ontnemingsrapport genoemde andere, soortgelijke feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel zou hebben genoten. In het onderliggende ontnemingsrapport wordt dezelfde modus operandi genoemd als aanwijzing dat betrokkene deze feiten ook heeft begaan. De geschetste modus operandi is echter niet dermate bijzonder en specifiek wijzend in de richting van betrokkene dat dit voldoende is om louter op basis daarvan betrokkene hier (mede)verantwoordelijk voor te houden.
De betrokkene heeft verklaard dat hij € 13.000,00 à € 14.000,00 heeft verdiend met de door hem gepleegde phishing-activiteiten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 89.331,75. De gebezigde bewijsmiddelen komen overeen met de bewijsmiddelen in de hoofdzaak. Voor de gebezigde bewijsmiddelen verwijst het hof daarom naar de bewijsmiddelen zoals weergegeven in het arrest in de hoofdzaak (parketnummer 21-006689-19).
Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Opbrengst
Kosten
Bij de phishing is gebruik gemaakt van katvangers en loopjongens. Het hof schat het bedrag dat werd uitgegeven aan katvangers en loopjongens op 10 procent van de opbrengst.
Totale voordeel
Het hof schat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aldus op € 178.663,49(€ 198.514,99 minus 10% aan kosten).
Verdeling
Uit het dossier volgt dat betrokkene niet alleen heeft gehandeld maar samen met ten minste één ander. Betrokkene heeft niet willen verklaren of er sprake was van een bepaalde verdeling van de opbrengst onder nog meer personen. Het hof zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene bepalen op de helft van het geschatte bedrag (pondspondsgewijze verdeling met een mededader). Voor betrokkene betekent dit dat in zijn geval het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van
€ 178.663,49/2 = € 89.331,75.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Er is geen aanleiding tot vermindering van de betalingsverplichting.
De overschrijding van de redelijke termijn heeft in de hoofdzaak reeds tot strafvermindering geleid. Daarom wordt in de onderhavige zaak volstaan met de constatering ervan.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, derhalve de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 89.331,75.
Gijzeling
Op grond van artikel 36e, elfde lid van het Wetboek van Strafrecht dient de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt, waarbij voor elke volle € 25,- niet meer dan één dag wordt opgelegd.
Bij de bepaling van de duur van de gijzeling heeft het hof de LOVS-afspraken hierover in acht genomen. Gelet op de vastgestelde betalingsverplichting, bepaalt het hof de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 89.331,75 (negenentachtigduizend driehonderdeenendertig euro en vijfenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 89.331,75 (negenentachtigduizend driehonderdeenendertig euro en vijfenzeventig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 15 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P.T. Heblij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.