ECLI:NL:GHARL:2022:10973

ECLI:NL:GHARL:2022:10973, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-12-2022, 200.307.799

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 20-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.307.799
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004815

Samenvatting

Is het opeisensbedig in de kredietovereenkomst met een consument oneerlijk. Art. 33 aanhef en onder c, sub 1 Wck en richtlijn 93/13/EEG.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.307.799

zaaknummer rechtbank 8189164

arrest van 20 december 2022

in de zaak van

DEFAM B.V.

die is gevestigd in Bunnik

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als eiser

hierna: Defam

advocaat: mr. A. Robustella

tegen

1. [geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats1]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats1]

die bij de kantonrechter optraden als gedaagden

hierna: samen [geïntimeerden]

niet verschenen

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Defam heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 15 december 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, met grieven en producties.

[geïntimeerden] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

Hierna heeft Defam het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

Defam en [geïntimeerden] hebben in november 1999 een doorlopende kredietovereenkomst gesloten (hierna: de kredietovereenkomst). Daarbij werd een kredietfaciliteit verleend tot een bedrag van maximaal € 14.067,19 (destijds in guldens

f 31.000,--). Op de kredietovereenkomst zijn de “Voorwaarden rente krediet DEFAM Financieringen BV” van toepassing. In artikel 7 van deze algemene voorwaarden (hierna AV) staat het volgende:

“DEFAM zal opnamen door de kredietnemer kunnen weigeren. Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond en in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:

na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen;

(…)”

Defam heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld om aan Defam te betalen:

- een bedrag van € 10.512,65, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 0,655% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding (op grond van artikel 7:76 lid 2 Burgerlijk wetboek (hierna BW) dan wel artikel 35 lid 1 Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna WCK (oud)), vanaf 16 november 2019, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Defam heeft haar vordering erop gebaseerd dat op grond van artikel 7 AV het saldo van het krediet in zijn geheel opeisbaar is geworden. Defam stelt dat [geïntimeerden] ten minste twee maanden achterstallig waren in de betaling van een vervallen termijnbedrag en dat zij, na in gebreke zijn gesteld, nalatig zijn gebleven in de volledige nakoming van hun verplichtingen. Ook nadat Defam, na herhaalde aanmaning, haar vordering uit handen had gegeven, heeft geen betaling plaatsgevonden, aldus Defam. In haar bij de rechtbank genomen akte heeft Defam zich op het standpunt gesteld dat het opeisingsbeding van artikel 7 AV niet als oneerlijk beding in de zin van de Europese Richtlijn 93/13/EEG kan worden beschouwd, omdat artikel 7 AV tekstueel gelijkluidend is aan het bij artikel 7:77 lid 1 aanhef en onder c, sub 1◦ BW en artikel 33 aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) toegestane opeisingsbeding.

De kantonrechter heeft de vorderingen van Defam afgewezen. De kantonrechter heeft zijn afwijzing, kort gezegd, gebaseerd op de volgende overwegingen:

- de kredietovereenkomst is een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 van de WCK (oud) zoals die gold tot 25 mei 2011 en valt niet buiten het toepassingsgebied van de WCK (oud);

- de kantonrechter moet, zo nodig ambtshalve, beoordelen of voldaan is aan de dwingendrechtelijke bepalingen die gelden ten aanzien van krediettransacties als bedoeld in artikel 1 WCK (oud);

- partijen zijn volgens de kantonrechter in artikel 7 AV geen opeisingsbeding overeengekomen dat voldoet aan de wet (waarmee de kantonrechter doelt op artikel 33 aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud), opm. hof).

In rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 15 december 2021 heeft de kantonrechter daartoe overwogen:

“De eisende partij grondt haar vordering op artikel 7 van de algemene voorwaarden.

De kantonrechter is van oordeel dat partijen in dit artikel geen opeisingsbeding zijn

overeengekomen dat voldoet aan de wet. In artikel 7 van de algemene voorwaarden is

immers niet opgenomen dat de ten minste twee maanden bestaande betalingsachterstand één

vervallen termijnbedrag moet betreffen. De formulering van artikel 7 is te ruim. Het

opeisingsbeding is daarom nietig. De kredietovereenkomst loopt, onder dezelfde

voorwaarden, nog steeds door. De vordering van de eisende partij wordt dan ook afgewezen.

Een andere grondslag van de vordering is niet gesteld en/of gebleken.”

De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

3. Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van Defam niet slaagt. Het hof baseert zijn oordeel op de volgende overwegingen.

Met grief I richt Defam zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat partijen geen opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan de wet, althans dat het opeisingsbeding van artikel 7 AV nietig is.

Uit de toelichting op grief I leidt het hof af dat Defam de toepasselijkheid van artikel 33, aanhef en onder c WCK (oud) op de kredietovereenkomst niet bestrijdt. De kern van het bezwaar van Defam betreft het oordeel van de kantonrechter dat artikel 7 AV niet voldoet aan artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud).

Het hof deelt echter het oordeel van de kantonrechter.

Artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) bepaalt dat een overeenkomst dan wel een bepaling nietig is als daarin vervroegde opeisbaarheid van het door de kredietnemer verschuldigde wordt bedongen, tenzij dit wordt overeengekomen voor het geval dat “de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.”

Zoals Defam zelf in de memorie van grieven ook aangeeft kunnen hieruit vier vereisten voor een geldig opeisingsbeding worden afgeleid, te weten:

achterstalligheid in de betaling van een vervallen termijnbedrag;

gedurende tenminste twee maanden;

vooraf in gebreke zijn gesteld;

nalatig blijven in de nakoming van de verplichtingen.

Volgens Defam is niet vereist dat deze vier onderdelen als zodanig expliciet staan opgenomen in het opeisingsbeding zelf. Defam stelt dat het feit dat artikel 7 AV niet expliciet vermeldt dat het gaat om een betalingsachterstand van één vervallen termijnbedrag, niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van het opeisingsbeding. Volgens Defam wordt met de zinsnede “achterstalligheid in de betaling” immers gedoeld op de betalingsverplichting, dan wel de verplichting tot betaling van vervallen termijnen van de kredietnemer. Deze betalingsverplichting omvat volgens Defam - het hof begrijpt: in dit geval - uitsluitend een maandelijkse kredietvergoeding, te weten de verschuldigde rente over het openstaande krediet.

Het hof is echter van oordeel dat het niet vermelden in artikel 7 AV dat er gedurende twee maanden sprake moet zijn van achterstalligheid in de betaling van één termijn Defam de ruimte laat om het verschuldigde ook in één keer op te eisen als er sprake is van een achterstand van (veel) minder dan één termijnbedrag/maandtermijn. Daarmee biedt de tekst van artikel 7 AV Defam de mogelijkheid om in meer situaties dan bedoeld in artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) het verschuldigde in één keer op te eisen. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat de formulering van artikel 7 AV om deze reden te ruim is. Het hof verwerpt de stelling van Defam dat artikel 7 AV moet worden gelezen in het licht van artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) en dat dan duidelijk is wat is bedoeld. Het moet de consument op grond van de algemene voorwaarden duidelijk zijn in welke situatie(s) het verschuldigde in zijn geheel opgeëist kan worden. Van een consument hoeft niet verwacht te worden dat hij voor de uitleg van artikel 7 AV te rade gaat bij de WCK (oud); de desbetreffende algemene voorwaarde moet zelf voldoen aan de eisen van artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud).

Het hof merkt nog op dat de Hoge Raad in een arrest van 3 juni 2005 heeft geoordeeld dat Defam op grond van (een gelijkluidend beding als) artikel 7 AV het verschuldigde mocht opeisen. In die procedure en in dat arrest spitste de discussie zich echter toe op de vraag of het hof het begrip “maanden” in artikel 7 AV op de juiste wijze had uitgelegd. De Hoge Raad oordeelde: "De onderdelen 1, 2 en 3, eerste zin, klagen terecht dat het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het hof, dat "maanden" als "maandtermijnen" heeft uitgelegd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. In de voorwaarden wordt immers, waar een maandtermijn wordt bedoeld, ook uitdrukkelijk het woord "maandtermijn" (art. 6 onder c) of "termijnbedrag" (art. 6 onder b) gebezigd. Daarbij komt dat aannemelijk is dat de voorwaarden beogen aan te sluiten bij art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK alwaar sprake is van achterstalligheid in de betaling gedurende twee maanden.”

In het arrest is niet aan de orde gesteld of gekomen dat artikel 7 AV niet expliciet vermeldt dat er sprake moet zijn van een achterstand (van twee maanden) in de betaling van één vervallen termijnbedrag. Om die reden ziet het hof in het arrest van de Hoge Raad geen grond om anders te oordelen dan hiervoor (in rechtsoverweging 3.7) is overwogen.

Op de hiervoor genoemde gronden is het hof van oordeel dat grief I niet slaagt. De grieven II en III hebben geen zelfstandige betekenis; zij slagen daarom evenmin.

Conclusie

Dit alles leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Omdat Defam in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Defam tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Omdat [geïntimeerden] niet zijn verschenen begroot het hof deze kosten op nihil.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2021;

veroordeelt Defam tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerden] en begroot deze kosten op nihil;

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, B. J. Engberts en M.P.M. Hennekens en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?