[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft ook kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman, mr. B.K. Hummen.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen, omdat in hoger beroep sprake is geweest van een wijziging van de tenlastelegging en het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het voorgaande laat onverlet dat het hof zich in grote lijnen met het vonnis waarvan beroep verenigt en op een aantal punten aansluiting zoekt bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever 1] of aan een derde, te weten aan [A] BV toebehoorde een SMS-bericht naar de mobiele telefoon van die [aangever 1] heeft gezonden met de hiernavolgende inhoud: "1week voor het geld of ik snij je ope met een machete. Heb je in de gate gehoude. Weet alles van je en je gezin. Heb niks te verlieze. Word zelf dood gemaakt als ik de geld niet heb. Dus als ik ga ga je ook. Betrek de politie erbij en je maak het erger. Ze kan me niet levenlang geven. Kom op een dag vrij en dan ga niet alleen jij maar ook je gezin onder de grond. Jij kiest zelf dan voor om je gezin te betrekke. Geef me Geld en onz wege scheide voor altijd. Kies maar betalen of jij en je gezin onder de grond. 1 week de tijd. Anders Kan ik elk moment komen. over maand over jaar over 5 jaar. Ik kom. Houdoe", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 maart 2019
te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of in de gemeente Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaarmaking van een geheim, (een) medewerker(s) van [A] BV en/of [aangever 1] , te dwingen tot de afgifte van 250.000 Euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde voornoemde medewerker(s) van [A] BV en/of die [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
in mailberichten heeft gedreigd/aangegeven
– gegevens (waaronder salarisgegevens, burgerservicenummers en contactgegevens) van medewerkers van [A] BV openbaar te maken en/of
– openbaar te maken dat [A] BV niet voldoet aan de privacy wetgeving,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (klachttermijn)
De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de tenlastelegging is toegesneden op een zogenoemd klachtdelict en dat de klacht niet is ingediend binnen de klachttermijn van drie maanden. Daarbij geldt zijns inziens dat het sms-bericht van 17 juni 2019 niet mag worden betrokken bij het bepalen van de aanvangsdatum van de klachttermijn, aangezien dat sms-bericht los staat van de onder 1 tenlastegelegde poging tot afdreiging, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
In de periode van 28 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 heeft [A] , met name medewerker [aangever 1] , emailberichten ontvangen waarop het onder 2 tenlastegelegde betrekking heeft. De strekking van deze berichten is dat:
– de afzender te weten is gekomen dat [A] handelt in strijd met voorschriften die strekken tot bescherming van de persoonsgegevens van werknemers en
– de afzender dit niet openbaar zal maken mits [A] de afzender € 250.000,- betaalt.
Aanvankelijk is van deze strafwaardige e-mailberichten geen aangifte gedaan. Nadat onderzoek in opdracht van [A] had uitgewezen dat de verdachte, destijds werkzaam bij [A] , de afzender was, is een traject ingezet dat ertoe heeft geleid dat de verdachte op staande voet is ontslagen. De ontslagbrief dateert van 14 maart 2019.
Op 17 juni 2019 ontving de eerder genoemde [aangever 1] het sms-bericht waarop het onder 1 tenlastegelegde betrekking heeft. Het bericht strekt ertoe dat, als de afzender niet binnen één week wordt betaald, dit ernstige gevolgen zou hebben voor [aangever 1] en zijn gezin.
Op 18 juni 2019 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van (een poging tot) afpersing. In diens aangifte wordt zowel ingegaan op het sms-bericht van 17 juni 2019 als op de genoemde emailberichten afkomstig van [e-mailadres] .
Op 2 juli 2019 heeft [aangever 2] namens [A] aangifte gedaan van (een poging tot) afdreiging. Diezelfde dag heeft [aangever 2] een klacht ingediend, inhoudende het uitdrukkelijke verzoek tot vervolging van degene die verdacht wordt van het plegen van de (poging tot) afdreiging.
De voorliggende vraag is of de klacht, daterend van 2 juli 2019, is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling houdt in dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
Hoewel de e-mailberichten en het sms-bericht in de tenlastelegging van elkaar zijn gescheiden – deze scheiding is kennelijk ingegeven doordat de e-mailberichten door het Openbaar Ministerie in juridische zin worden aangemerkt als een poging tot afdreiging (in de zin van art. 318 Sr) en het sms-bericht als een poging tot afpersing (in de zin van art. 317 Sr) – stelt het hof vast dat deze berichten met elkaar samenhangen en moeten worden beschouwd als één voortdurende poging om [A] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat de tot klacht gerechtigde, [A] , pas op 17 juni 2019 in volle omvang heeft kennisgenomen van het gepleegde feit, waardoor de klachttermijn op die datum is begonnen te lopen.
Dit brengt mee dat de klacht is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het verweer wordt als gezegd verworpen: het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.
Het onder 2 tenlastegelegde (e-mailberichten)
De verdachte heeft verklaard dat hij de e-mailberichten heeft verstuurd met het doel om – kort gezegd – aan te sturen op het beëindigen van een misstand met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens van werknemers van [A] .
Het hof acht deze stelling niet aannemelijk geworden. Uit de inhoud van de (anonieme) emailberichten blijkt dat de verdachte niet is ingegaan op diverse uitnodigingen van de kant van [A] om nadere informatie te verstrekken en in gesprek te gaan, maar er enkel op gericht was een groot bedrag aan geld te ontvangen. Dit wordt nog versterkt door de telefonische mededeling en het sms-bericht van 17 juni 2019, waarin verdachte erop aandringt dat binnen een week moest worden betaald. Als het verdachte er daadwerkelijk te doen was om de (gestelde) misstand te beëindigen, lag het niet voor de hand dat hij aandrong en beleef aandringen op betaling van een groot bedrag, noch dat hij die misstand anoniem onder de aandacht bracht van collega’s. Het zou dan in de rede hebben gelegen dat hij informatie zou hebben aangedragen die het door hem gesignaleerde probleem zou hebben kunnen oplossen.
Concluderend acht het hof bewezen dat de verdachte de e-mailberichten verzond met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen. Daartoe heeft hij gedreigd met openbaarmaking van een geheim, namelijk een misstand met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens van medewerkers, dan wel met smaad. Het dreigen met openbaarmaking van het datalek kan immers worden aangemerkt als (dreigen met) telastlegging van een bepaald feit als bedoeld in art 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, ertoe strekkende om [A] bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen en daarmee aan te randen in hun goede naam.
Het onder 1 tenlastegelegde (het sms-bericht)
De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de afzender is van dat smsbericht.
Het hof verwerpt het verweer. Op basis van het volgende stelt het hof vast dat de verdachte degene is die het sms-bericht heeft gezonden naar aangever [aangever 1] .
Ten eerste heeft het sms-bericht dezelfde strekking als de e-mailberichten die de verdachte heeft verstuurd met gebruikmaking van het e-mailadres [e-mailadres] , namelijk de afgifte van geld aan de verdachte.
Ten tweede is op de dag van het sms-bericht (17 juni 2019), met hetzelfde telefoonnummer ( [telefoonnummer 1] ) als waarmee de sms is verstuurd, tevens gebeld naar [betrokkene 1] , een andere medewerker van [A] . De beller deelde [betrokkene 1] mede dat hij nog een week zou hebben om de € 250.000,- te regelen en dat anders de consequenties voor [betrokkene 1] zouden zijn, en dat dit ook geldt voor “ [naam 1] en [naam 2] ”.
[betrokkene 1] , destijds regio coördinator bij [A] en tot het ontslag van verdachte diens direct leidinggevende, herkende de stem van de beller voor honderd procent als die van verdachte. Verder komt de strekking van de mededeling van de beller overeen met de emailberichten van verdachte, namelijk de betaling van € 250.000,- aan verdachte.
Daar komt bij dat de namen die door de beller zijn genoemd ( [naam 1] en [naam 2] ), verwijzen naar [aangever 1] en [betrokkene 2] , die samen met [betrokkene 1] op 14 maart 2019 aanwezig waren bij het ontslaggesprek met verdachte.
Tenslotte wordt zowel in het sms-bericht als in de telefonische mededeling aangedrongen op betaling van een geldbedrag en wordt een betaaltermijn genoemd van een week.
Ten derde bevat het politiedossier de historische printgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hieruit blijkt dat dit telefoonnummer op 17 juni 2019 als eerste contact maakte met een zendmast in [plaats] , waaraan het hof de conclusie verbindt dat het telefoonnummer die dag in [plaats] is geactiveerd. De verdachte verbleef in die periode bij zijn ouders in [plaats] .
Ten vierde zijn de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] vergeleken met de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , waarvan bekend is dat het destijds in gebruik was bij verdachte.
Dit onderzoek heeft uitgewezen dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] op 17 juni 2019 om 11.27 uur contact maakte met een zendmast in Nieuwegein die in buurt staat van de zendmast waarmee telefoonnummer [telefoonnummer 1] 22 minuten later contact maakte.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte degene is die op 17 juni 2019 gebruikmaakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en daarmee zowel heeft gebeld naar [betrokkene 1] als het onderhavige sms-bericht heeft gestuurd naar aangever [aangever 1] .
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [aangever 1] of aan een derde, te weten aan [A] BV, toebehoorde, een sms-bericht naar de mobiele telefoon van die [aangever 1] heeft gezonden met de hiernavolgende inhoud: "1week voor het geld of ik snij je ope met een machete. Heb je in de gate gehoude. Weet alles van je en je gezin. Heb niks te verlieze. Word zelf dood gemaakt als ik de geld niet heb. Dus als ik ga ga je ook. Betrek de politie erbij en je maak het erger. Ze kan me niet levenlang geven. Kom op een dag vrij en dan ga niet alleen jij maar ook je gezin onder de grond. Jij kiest zelf dan voor om je gezin te betrekke. Geef me Geld en onz wege scheide voor altijd. Kies maar betalen of jij en je gezin onder de grond. 1 week de tijd. Anders Kan ik elk moment komen. over maand over jaar over 5 jaar. Ik kom. Houdoe", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of in de gemeente Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaarmaking van een geheim, (een) medewerkers van [A] BV en/of [aangever 1] , te dwingen tot de afgifte van 250.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde voornoemde medewerker(s) van [A] BV en/of die [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
in mailberichten heeft gedreigd/aangegeven
– gegevens (waaronder salarisgegevens, burgerservicenummers en contactgegevens) van medewerkers van [A] BV openbaar te maken en/of
– openbaar te maken dat [A] BV niet voldoet aan de privacy wetgeving,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: poging tot afpersing.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: poging tot afdreiging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte dezelfde straf zal opleggen als de rechtbank heeft gedaan.
De raadsman heeft, voor het geval het hof toekomt aan strafoplegging, bepleit dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij aangevoerd dat de verdachte sinds het bewezenverklaarde een positieve persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afdreiging en vervolgens ook afpersing van zijn voormalige werkgever en voormalige collega’s. Aanvankelijk heeft hij geprobeerd zijn toenmalige werkgever onder druk te zetten door in anonieme e-mailberichten te stellen dat hij binnen het bedrijf een misstand had ontdekt met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens. De verdachte dreigde ermee dat hij deze misstand openbaar zou maken en zou hier slechts vanaf zien als de werkgever hem een groot geldbedrag zou betalen. Toen duidelijk was geworden dat de verdachte de afzender was van deze berichten, is hij op staande voet ontslagen. Drie maanden later heeft de verdachte zijn poging voortgezet en is toen nog een stap verder gegaan door in een sms-bericht te dreigen met geweld tegen een ex-collega en diens gezin. Naar aanleiding van dit bericht heeft die ex-collega een beveiligingsbedrijf ingeschakeld en heeft hij met zijn gezin tijdelijk elders verbleven. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, in zijn streven naar geldelijk gewin, deze gevolgen van zijn handelen op de koop toe heeft genomen.
Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2022 blijkt dat de verdachte verder een leeg strafblad heeft. Uit het adviesrapport van Reclassering Nederland van 6 oktober 2020 blijkt dat de verdachte inmiddels werkzaam is als [beroep] . Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat dit nog steeds het geval is.
Bij de straftoemeting houdt het hof er rekening mee dat de verdachte 54 dagen gedetineerd is geweest in het kader van voorarrest. Na zijn invrijheidstelling heeft de verdachte bovendien nog ruim twee maanden te maken gehad met elektronisch toezicht, wat ook vrijheidsbeperkend is geweest.
Alles overziende zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en het voorwaardelijk deel 180 dagen telt, met een proeftijd van twee jaren. Met het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel beoogt het hof de verdachte een extra reden te geven om niet opnieuw in de fout gaan.
Verder zal het hof, om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, de verdachte ook een taakstraf opleggen van honderd uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftig dagen hechtenis.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 317 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 234 (tweehonderdvierendertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. R.M. Maanicus, voorzitter,
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr. M.J. Vos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,
en op 4 april 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.