Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 februari 2020 met parketnummer 84-269043-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 februari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, veroordeling ter zake van het primair tenlastegelegde, met vrijspraak van opzet, tot een geldboete van € 150,-, subsidiair
3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en vernietiging van de strafbeschikking. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. P.C.H. van Schooten, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd:
primair:
dat hij op of omstreeks 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, een van nature in Nederland in het wild levende vogel, te weten een (mannelijke) smient, (Latijnse benaming Mareca penelope), als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, heeft gevangen en/of heeft gedood;
subsidiair: dat hij op of omstreeks 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zich heeft bevonden in een veld met een dier, te weten met een hond, die hem toebehoorde of onder zijn toezicht stond, terwijl dat dier in het veld dieren, te weten een (mannelijke) smient, opspoorde, doodde, verwondde, ving en/of bemachtigde.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
Het hof stelt met betrekking tot het primair tenlastegelegde vast dat het, blijkens de
inhoud daarvan, is toegesneden op het delict bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de
Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 1 van de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand).
Artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt:
“1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen”.
Artikel 1 van de Vogelrichtlijn bepaalt:
“1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.
2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden”.
De artikelsgewijze toelichting op (onder meer) artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (memorie van toelichting, kamerstuk 33348, nr. 3, pag. 259) vermeldt - voor zover hier van belang - :
“De verbodsbepalingen in de voorgestelde artikelen 3.1 en … zijn letterlijk overgenomen uit de Vogelrichtlijn (artikel 5) en de … (artikelen … en …)”.
Artikel 5 van de Vogelrichtlijn bepaalt - voor zover hier van belang - :
“Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
a. a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
b) …
c) …
d) …
e) …”.
De artikelsgewijze toelichting op artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (memorie van toelichting, kamerstuk 33348, nr. 3, pag. 260) vermeldt - voor zover hier van belang - voorts:
“Anders dan de Vereniging Politie dieren- en milieubescherming in haar commentaar op het ontwerp van het onderhavige wetsvoorstel stelt, kan niet worden volstaan met het stelsel van de Wet op de economische delicten, welke wet onderscheid maakt tussen opzettelijke en
niet-opzettelijke handelingen. Als de term «opzettelijk» niet zou zijn toegevoegd aan de verbodsbepalingen in de artikelen 3.1 en … zouden niet-opzettelijke handelingen als overtreding kunnen worden aangemerkt en daarmee strafbaar zijn. Dat is niet in lijn met het uitgangspunt bij dit wetsvoorstel om nauw aan te sluiten bij de bepalingen van de
Vogelrichtlijn … en deze zonder aanvulling in de wettekst over te nemen”.
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting acht het hof - evenals de advocaat-generaal - niet bewezen dat verdachte de, nader in het primair tenlastegelegde omschreven, smient (Latijnse benaming Mereca penelop) opzettelijk heeft gedood. Dit brengt, gelet op de hiervoor vermelde wettekst en -geschiedenis van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, mee, dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande:
dat hij op 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , opzettelijk zich heeft bevonden in een veld met een dier, te weten met een hond, die hem toebehoorde, terwijl dat dier in het veld een dier, te weten een (mannelijke) smient, opspoorde en bemachtigde.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde
Het hof stelt met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde vast dat het, blijkens de
inhoud daarvan, is toegesneden op het delict bedoeld in artikel 3.24, vijfde lid, van de
Wet natuurbescherming.
Artikel 3.24, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt:
“5. Het is een ieder verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt”.
Op voormeld verbod is in het zesde lid van genoemd artikel 3.24 een uitzondering gemaakt, dat luidt:
“6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, is niet van toepassing ingeval het opsporen, doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren in het veld ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet is toegestaan”.
Het hof verstaat het zesde lid van genoemd artikel 3.24 aldus, dat het verbod van het vijfde lid van dat artikel niet van toepassing is op degene die in het kader van de hem toegestane jacht of schadebestrijding zich in een veld bevindt met een dier, dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, en dat in genoemd kader in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat verdachte op 5 november 2019 samen met zijn (jacht)hond de schade, die eenden veroorzaakten in zijn jachtveld te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , heeft bestreden en dat hij daartoe ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet natuurbescherming gerechtigd was. Dit brengt mee dat het verbod in het vijfde lid van genoemd artikel 3.24 niet op verdachte van toepassing is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert derhalve geen strafbaar feit op. De verdachte dient dan ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 19 november 2019 onder
CJIB-nummer 1132 5420 0376 8872.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,
en op 2 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.