ECLI:NL:GHARL:2022:1611

ECLI:NL:GHARL:2022:1611, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-03-2022, 21-000972-20

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21-000972-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0002063 BWBR0037552 BWBR0043120 CELEX:31979L0409 CELEX:32009L0147 EU:31979L0409 EU:32009L0147

Samenvatting

Wet op de economische delicten (WED): art. 3.1, lid 1, Wet natuurbescherming (Wnb) jo. artt. 1 en 5 Vogelrichtlijn art. 3.24, lid 5, Wnb, met in lid 6 een uitzonderingsbepaling Overtreding van art. 3.1, lid 1, Wnb dient, in afwijking van het stelsel van de WED, opzettelijk te zijn gepleegd, wil het strafbaar zijn. Het hof acht het opzet niet bewezen en spreekt verdachte daarom vrij van het primair tlg. Het hof verstaat de uitzonderingsbepaling van lid 6 van art. 3.24 Wnb aldus, dat het verbod van lid 5 van dat artikel niet van toepassing is op degene die in het kader van de hem toegestane jacht of schadebestrijding zich in een veld bevindt met een dier, dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, en dat in genoemd kader in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt. Het hof stelt vast dat verdachte ten tijde van het subsidiair tlg. samen met zijn (jacht)hond doende was met toegestane schadebestrijding. Lid 5 van art. 3.24 Wnb is dan niet op hem van toepassing. Het subsidiair tlg. levert derhalve geen strafbaar feit op. Verdachte wordt ter zake daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,

zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 februari 2020 met parketnummer 84-269043-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 februari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, veroordeling ter zake van het primair tenlastegelegde, met vrijspraak van opzet, tot een geldboete van € 150,-, subsidiair

3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en vernietiging van de strafbeschikking. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. P.C.H. van Schooten, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd:

primair:

dat hij op of omstreeks 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, een van nature in Nederland in het wild levende vogel, te weten een (mannelijke) smient, (Latijnse benaming Mareca penelope), als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, heeft gevangen en/of heeft gedood;

subsidiair: dat hij op of omstreeks 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zich heeft bevonden in een veld met een dier, te weten met een hond, die hem toebehoorde of onder zijn toezicht stond, terwijl dat dier in het veld dieren, te weten een (mannelijke) smient, opspoorde, doodde, verwondde, ving en/of bemachtigde.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Het hof stelt met betrekking tot het primair tenlastegelegde vast dat het, blijkens de

inhoud daarvan, is toegesneden op het delict bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de

Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 1 van de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand).

Artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt:

“1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen”.

Artikel 1 van de Vogelrichtlijn bepaalt:

“1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden”.

De artikelsgewijze toelichting op (onder meer) artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (memorie van toelichting, kamerstuk 33348, nr. 3, pag. 259) vermeldt - voor zover hier van belang - :

“De verbodsbepalingen in de voorgestelde artikelen 3.1 en … zijn letterlijk overgenomen uit de Vogelrichtlijn (artikel 5) en de … (artikelen … en …)”.

Artikel 5 van de Vogelrichtlijn bepaalt - voor zover hier van belang - :

“Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a. a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;

b) …

c) …

d) …

e) …”.

De artikelsgewijze toelichting op artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (memorie van toelichting, kamerstuk 33348, nr. 3, pag. 260) vermeldt - voor zover hier van belang - voorts:

“Anders dan de Vereniging Politie dieren- en milieubescherming in haar commentaar op het ontwerp van het onderhavige wetsvoorstel stelt, kan niet worden volstaan met het stelsel van de Wet op de economische delicten, welke wet onderscheid maakt tussen opzettelijke en

niet-opzettelijke handelingen. Als de term «opzettelijk» niet zou zijn toegevoegd aan de verbodsbepalingen in de artikelen 3.1 en … zouden niet-opzettelijke handelingen als overtreding kunnen worden aangemerkt en daarmee strafbaar zijn. Dat is niet in lijn met het uitgangspunt bij dit wetsvoorstel om nauw aan te sluiten bij de bepalingen van de

Vogelrichtlijn … en deze zonder aanvulling in de wettekst over te nemen”.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting acht het hof - evenals de advocaat-generaal - niet bewezen dat verdachte de, nader in het primair tenlastegelegde omschreven, smient (Latijnse benaming Mereca penelop) opzettelijk heeft gedood. Dit brengt, gelet op de hiervoor vermelde wettekst en -geschiedenis van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, mee, dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 5 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , opzettelijk zich heeft bevonden in een veld met een dier, te weten met een hond, die hem toebehoorde, terwijl dat dier in het veld een dier, te weten een (mannelijke) smient, opspoorde en bemachtigde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde

Het hof stelt met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde vast dat het, blijkens de

inhoud daarvan, is toegesneden op het delict bedoeld in artikel 3.24, vijfde lid, van de

Wet natuurbescherming.

Artikel 3.24, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt:

“5. Het is een ieder verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt”.

Op voormeld verbod is in het zesde lid van genoemd artikel 3.24 een uitzondering gemaakt, dat luidt:

“6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, is niet van toepassing ingeval het opsporen, doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren in het veld ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet is toegestaan”.

Het hof verstaat het zesde lid van genoemd artikel 3.24 aldus, dat het verbod van het vijfde lid van dat artikel niet van toepassing is op degene die in het kader van de hem toegestane jacht of schadebestrijding zich in een veld bevindt met een dier, dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, en dat in genoemd kader in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat verdachte op 5 november 2019 samen met zijn (jacht)hond de schade, die eenden veroorzaakten in zijn jachtveld te [plaats] , in de gemeente [gemeente 1] , heeft bestreden en dat hij daartoe ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet natuurbescherming gerechtigd was. Dit brengt mee dat het verbod in het vijfde lid van genoemd artikel 3.24 niet op verdachte van toepassing is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert derhalve geen strafbaar feit op. De verdachte dient dan ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 19 november 2019 onder

CJIB-nummer 1132 5420 0376 8872.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 2 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JM 2022/65 met annotatie van Pieters, S.
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?