ECLI:NL:GHARL:2022:2577

ECLI:NL:GHARL:2022:2577, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-04-2022, 200.253.262

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 05-04-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.253.262
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2018:4705
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0010388 BWBR0027518

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2020:10667 na prejudiciële beslissing ECLI:NL:HR:2021:1720; het Kadaster is voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, mits …; veroordeling beheerder notariële kwaliteitsrekening; in verband met principieel gelijk gemotiveerde proceskostencompensatie. Artikelen 3:89 en 260 BW; 237, 393 en 394 Rv; 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.253.262

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 445059)

arrest van 5 april 2022

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Dienst voor het Kadaster en de openbare registers,

zetelend te Apeldoorn,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: het Kadaster,

advocaat: mr. D.J. Posthuma,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: (naast faillissementscurator mr. H. Dulack mede-)gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I.R. Köhne.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 december 2020 hier over. Daarin heeft het hof aan de Hoge Raad een rechtsvraag gesteld ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

In zijn prejudiciële beslissing van 19 november 2021 heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag beantwoord.

Vervolgens hebben partijen de aanvullende stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Het hof heeft partijen nog verzocht of zij de zaak niet op basis van de prejudiciële beslissing onderling konden afwikkelen met doorhaling op de rol. [geïntimeerde] heeft zich daartoe bereid verklaard, maar het Kadaster heeft gepersisteerd bij zijn vraag om arrest.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 22 december 2020. Zoals daarin vermeld, hebben partijen op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 ingestemd met het stellen van de volgende prejudiciële vraag:

“is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten

rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt op (een

aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?”

In (rov. 3.7 van) zijn prejudiciële beslissing van 19 november 2021 heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag aldus beantwoord:

“dat het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven.”

De gevorderde verklaring voor recht kan dus met inachtneming hiervan worden toegewezen.

Op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 zijn partijen verder overeengekomen:

“2. Indien in rechte komt vast te staan dat het Kadaster ter zake van de inschrijvings- en/of recherchekosten kwalificeert als rechthebbende in de zin van artikel 25 Wna zal het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (het bedrag van € 6.225,51 als genoemd in productie 7 bij de memorie van antwoord) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster pro rata over de dan nog aanwezige rechthebbenden worden verdeeld, en zal het Kadaster op het meerdere geen aanspraak maken en geen verdere vorderingen instellen.”

Naar tussen partijen vaststaat, heeft het Kadaster vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten. Daarvoor is het Kadaster rechthebbende in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven. Onder die (met “indien” aanvangende) voorwaarde is de verdelingsvordering toewijsbaar.

3. De slotsom

Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis (waarin de vordering van het Kadaster werd afgewezen) zal worden vernietigd en het gevorderde zal, aangepast en beperkt, worden toegewezen zoals hieronder vermeld.

Enerzijds heeft het Kadaster in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad principieel gelijk gekregen. Anderzijds wordt op zijn aanvankelijke primaire vordering van € 63.626,90 in hoofdsom maximaal € 6.225,51 toewijsbaar geoordeeld. Partijen hebben ten slotte op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 de overeenkomst gesloten zoals hiervoor onder 2.3 vermeld. Zij worden over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. In dit alles ziet het hof aanleiding de kosten van beide instanties en de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing begrote kosten die partijen ingevolge artikel 393 Rv hebben gemaakt aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 oktober 2018 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven;

veroordeelt [geïntimeerde] als beheerder van de kwaliteitsrekening om er aan mee te werken dat het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (het bedrag van € 6.225,51 als genoemd in productie 7 bij de memorie van antwoord) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster, zoals hiervoor omschreven onder 2.4, pro rata over de nog aanwezige rechthebbenden worden verdeeld;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt van beide instanties en van de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing begrote kosten die partijen ingevolge artikel 393 Rv hebben gemaakt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, A.W. Steeg en M.A.M. Vaessen, is door de voorzitter ondertekend en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?