Overwegingen:
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
Gelet op de maximale duur van de maatregel is het van belang om een vinger aan de pols te houden. Binnen vier jaar moet veel gebeuren en er is weinig tijd voor de behandeling. Om de voortgang in de behandeling tijdig te controleren, heeft de raadsman verzocht om de maatregel te verlengen voor de duur van één jaar. Daarnaast is de raadsman van mening dat het essentieel is om vast te stellen wat de startdatum is van de maatregel met verpleging van overheidswege. Naar de mening van de raadsman dient de startdatum op 1 september 2021 te worden vastgesteld, het moment waarop de voorlopige verpleging van overheidswege is bevolen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De rechtbank heeft op 12 oktober 2021 beslist dat de verpleging van overheidswege alsnog zal worden bevolen. Deze beslissing is inmiddels onherroepelijk. De rechtbank heeft toen overwogen dat de terbeschikkinggestelde geruime tijd nodig zal hebben voor zijn behandeling en daarnaast een stevig juridisch kader nodig heeft. De terbeschikkinggestelde zit momenteel nog in een Huis van Bewaring. Er is nog geen visie van een Forensisch Psychiatrisch Centrum, terwijl de maatregel gemaximeerd is. Indien de maatregel wordt verlengd voor de duur van één jaar, is een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege niet waarschijnlijk, maar ook niet helemaal uitgesloten. Van belang is om de visie van de kliniek te weten, met name wat betreft de stoornis, het recidiverisico en een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot verlenging van de maatregel voor de duur van één jaar. Daarnaast heeft de advocaat-generaal het hof verzocht zich uit te laten over de aanvangsdatum van de verpleging, in het huidige kader van de maatregel. De voorlopige verpleging van overheidswege is bevolen op 1 september 2021. Het hoger beroep van de terbeschikkinggestelde tegen de beslissing tot alsnog verpleging van overheidswege is ingetrokken op 16 maart 2022. Naar de mening van de advocaat-generaal dient deze casus gelijk te worden gesteld met de casus van HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:282 waarin is bepaald dat de periode waarin de verpleging van overheidswege voorlopig is hervat ook begrepen is in de maximale duur van de maatregel en dient dus de aanvang van de verpleging te worden bepaald op 1 september 2021.
Het oordeel van het hof
Bevestiging
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Extra overweging met betrekking tot de aanvang en duur van de gemaximeerde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in gevallen dat er sprake is geweest van een bevel voorlopige verpleging
De rechtbank den Haag heeft bij vonnis van 23 september 2019 de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat indien de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden zou worden omgezet in een terbeschikkingstelling met bevel verpleging van overheidswege, de duur van de opgelegde verpleging de vier jaar niet te boven zal gaan.
De rechter-commissaris bij de rechtbank den Haag heeft op 1 september 2021 de voorlopige verpleging van overheidswege bevolen. De rechtbank den Haag heeft op 12 oktober 2021 de omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in een terbeschikkingstelling met bevel verpleging van overheidswege gelast. De terbeschikkinggestelde is in hoger beroep gegaan, maar heeft dit hoger beroep op 16 maart 2022 ingetrokken.
Ingevolge artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht gaat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In dit geval is de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beperkt tot een periode van vier jaar.
Hoofdregel is dat de termijn van vier jaren gerekend wordt vanaf de dag waarop de uitspraak tot alsnog verplegen onherroepelijk is geworden en van rechtswege eindigt na ommekomst van vier jaar, tenzij zich een geval voordoet waarin de termijn van terbeschikkingstelling niet loopt als bedoeld in artikel 6:1:19 Sv (zie onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7600). In de laatstgenoemde beslissing was in tegenstelling tot de onderhavige casus geen sprake van een bevel voorlopige verpleging.
Thans is de vraag aan de orde of in gevallen waarin voorafgaand aan de uitspraak een bevel voorlopige verpleging is afgegeven de duur van de voorlopige verpleging moet worden meegenomen in de totale periode van vier jaren waartoe de verpleging wettelijk is beperkt. De advocaat-generaal heeft zich onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2020 op het standpunt gesteld dat de duur van de voorlopige verpleging dient te worden meegenomen in de totale duur van de maximale looptijd van vier jaar. Voornoemd arrest van de Hoge Raad gaat in het bijzonder in op de vraag of, indien de gemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging reeds is aangevangen, de termijn van vier jaar waartoe de verpleging is beperkt ook doorloopt ingeval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging en bij een voorlopig bevel hervatting verpleging. Deze vraag is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. De advocaat-generaal bepleit de periode van voorlopige verpleging in zoverre gelijk te stellen met de periode van voorlopige hervatting van de verpleging.
De wetgever heeft niet voorzien in een uitdrukkelijk regeling van verrekening van de voorlopige verpleging in gevallen waarin sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging.
Vanaf het moment dat het bevel tot voorlopige verpleging is gegeven, is er sprake van een formele situatie van verpleging en de daarmee gepaard gaande vrijheidsbeneming. Opgemerkt kan worden dat de daadwerkelijke behandeling van de terbeschikkinggestelde doorgaans nog niet zal zijn aangevangen, maar deze situatie doet zich ook voor bij de passanten die na een onherroepelijke veroordeling waarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging (al dan niet gemaximeerd) is opgelegd, nog in afwachting zijn van een plaatsing in een kliniek. Ook dan telt deze tijd mee voor de looptijd van de terbeschikkingstelling met verpleging.
Het hiervoor overwogene, mede gezien in het licht van artikel 5, eerste lid, EVRM brengt naar het oordeel van het hof met zich dat in het geval dat een terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd, voor de berekening van de termijn van de eventuele gemaximeerde terbeschikkingstelling die vooraf is gegaan door een bevel voorlopige verpleging, als aanvangsdatum dient te worden genomen de dag dat de vrijheidsbeneming op grond van het bevel tot voorlopige hechtenis is begonnen. In deze zaak is dit 1 september 2021. Het hof wijst erop dat een bevel tot voorlopige verpleging eerst, van rechtswege, eindigt zodra onherroepelijk op de onderliggende vordering tot alsnog verplegen is beslist. Eerdere opheffing van het bevel is niet mogelijk (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6791).
Het hof realiseert zich dat voor de behandeling van de terbeschikkinggestelde, die nog niet is aangevangen, beperkt tijd beschikbaar is en benadrukt het belang van voortvarendheid bij zowel de aanvang van, als ook de voortgang in de behandeling zelf.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2021 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr. M.J. Vos als voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. O.O. van der Lee als raadsheren,
en dr. W.J. Canton en drs. A. Vissers als raden,
in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven als griffier,
en op 7 april 2022 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.