GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, familie
zaaknummer gerechtshof 200.302.989
(zaaknummers rechtbank Gelderland 362179 en 373170)
arrest van 17 mei 2022
in het incident in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant,
eiser in het incident,
hierna: de man,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits,
tegen:
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. A.E. Klaassen.
1. De procedure bij de rechtbank
Wat er in deze zaak bij de rechtbank is gebeurd, staat in de vonnissen van de rechtbank Gelderland van 8 januari 2020, 2 september 2020, 10 maart 2021 en 14 juli 2021.2. De procedure bij het hof
Wat er in deze zaak bij het hof is gebeurd, blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 6 oktober 2021,
- de memorie van grieven met de eis in het incident,
- de antwoordconclusie in het incident,- de memorie van antwoord.
Daarna heeft de man de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.
3. De motivering van de beslissing in het incident
Kern van de zaak
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest en zijn gescheiden. De vrouw heeft bij de rechtbank gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een deel van zijn pensioen. De rechtbank heeft die vordering in het laatste vonnis toegewezen. De rechtbank heeft dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent, kort gezegd, dat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Hij vordert in dit incident, zo begrijpt het hof, dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zal schorsen op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot het hof in de hoofdzaak heeft beslist. De vrouw heeft die vordering bestreden.
Het hof is van oordeel dat de vordering in het incident moet worden afgewezen.
Het hof legt hierna uit waarom.
Motivering
Een veroordeling is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Het hof is van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat het belang van de man (de veroordeelde partij) bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De man heeft weliswaar gesteld dat hij niet genoeg inkomen heeft om aan de veroordeling te voldoen en dat hij, vanwege het door de vrouw gelegde beslag op zijn pensioen en bij gebrek aan vermogen van betekenis, in een financiële noodtoestand verkeert. Die stelling heeft hij echter, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende toegelicht. Uit de stukken die de man heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn financiële situatie (een Voorlopige aanslag en een Persoonlijk Budgetadvies van NIBUD) blijkt die financiële situatie onvoldoende. Het belang van de vrouw bij de uitvoerbaarheid van het vonnis is gegeven, gelet op het uitgangspunt dat een veroordeling uitvoerbaar is, en weegt dus zwaarder dan het belang van de man.
Niet is gesteld of gebleken dat het vonnis berust op een kennelijke misslag.
Er is dus geen grond voor toewijzing van de vordering in het incident van de man. Het hof wijst die vordering dan ook af. Het hof zal de man, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het incident veroordelen.
Het hof zal bepalen dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4. De beslissing
Het hof, recht doende:
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt de man in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, S.C.P. Giesen en C.M.E. Lagarde, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.