ECLI:NL:GHARL:2022:4691

ECLI:NL:GHARL:2022:4691, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-06-2022, 21/00534

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-06-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/00534
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2021:3878
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416 BWBR0005537 BWBR0007119

Samenvatting

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 21/00534

uitspraakdatum: 7 juni 2022

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2021, nummer UTR 20/3150, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Soest (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 10 te [woonplaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 641.000. Tegelijk met deze beschikking zijn aanslagen onroerendezaakbelasting 2019 (OZB), rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar in één geschrift de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. De gemachtigde van belanghebbende, mr. M.M. Vrolijk, en de heffingsambtenaar zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2. Vaststaande feiten

De onroerende zaak is een in 1936 gebouwde twee-onder-een-kap woning met vrijstaande garage en kelder. De woning heeft, exclusief de kelder, een inhoud van ongeveer 492 m3 en ligt op een kavel van 365 m2.

Belanghebbende heeft de eigendom van de onroerende zaak op 15 december 2016 verkregen voor € 599.999.

De programmabegroting 2019 van de gemeente Soest is gepubliceerd op static.reto.media/zakelijksoestnl/upload-2018/begroting-2019-2022.pdf (hierna: de begroting). Voor de overhead is het volgende in de begroting opgenomen:

Baten en lasten Begroting 2019

(bedragen * € 1.000)

Lasten Ondersteunende organisatie 7.106

Informatiehuishouding 2.751

Facilitair en huisvesting 1.833

Communicatie 142

Dekking overhead -423

Totaal lasten 11.410

Baten

Facilitair en huisvesting 101

Dekking overhead 1.506

Totaal baten 1.608

Resultaat -9.802

Afwijkingen t.o.v. 2018

Lasten -244

Baten 147

Resultaat -96

In de begroting zijn de voornoemde posten als volgt cijfermatig nader uitgewerkt:

Toelichting op de afwijkingen:

Een negatief bedrag betreft een nadeel/tekort, een positief bedrag betreft een voordeel/overschot.

Ondersteunende organisatie

Loonkosten; verhoging als gevolg van andere toerekening management (conform BBV) -669

Beleidsintensivering 2019 € 70.000 (vjn 2018 € 35.000) -35

Lagere kosten voormalig personeel 80

Overig 10

Informatiehuishouding

(Geoormerkte) budgetten programma DV&I (NJN2017 en VJN2018) 358

Saldo taakstelling programma Beleidsintensivering 2017-2020 E-dienstverlening 40

Incidentele lasten 2018 (bijdrage reserve automatisering) 172

Toename kosten conform Begroting RID 2019 -438

Budgetaanpassing vanuit product Facilitair en huisvesting -45

Overig 8

Facilitair en huisvesting

Tweejarig onderzoek klanttevredenheid -35

Incidenteel budget externe advisering huisvestingplan gemeentehuis (VJN2018) 58

Onderhoudskosten gemeentehuis (het budget voor dit onderhoud komt uit de reserve 119

onderhoud gebouwen. Financieel effect voor deze begroting: budgettair neutraal)

Kapitaallasten 51

Accountantskosten 42

Incidenteel budget archief (Kadernota2018) 50

Overheveling budget printers naar informatiehuishouding 45

Overig 8

Dekking overhead

Lagere dekking vanuit de projecten -60

Hogere bijdrage dienstverleningsovereenkomst als gevolg van aantal accounts bij BBS 145

Totaal -96

In de begroting is de post overhead en kosten als volgt nader toegelicht:

Inzicht in overhead en kosten:

De nieuwe regelgeving (BBV) heeft met ingang van januari 2017 als doel om uw raad op eenvoudige wijze meer inzicht te geven in de totale kosten van de overhead voor de gehele organisatie. Daarmee krijgt u ook meer zeggenschap over en mogelijkheden om te sturen op de ontwikkeling van deze kosten. Om die reden hebben wij in het programmaplan een bovenstaand overzicht opgenomen met de baten en lasten die verband houden met de sturing en ondersteuning van het primaire proces. Dit zijn de zogenaamde overheadkosten. De definitie is ontleend aan de gangbare definitie uit “vensters voor bedrijfsvoering”.

Overheadpercentage

De kosten van overhead kunnen worden uitgedrukt in een percentage. Het BBV schrijft voor dat hiervoor een indicator moet worden opgenomen in de begroting. Deze indicator drukt de totale overheadkosten in het percentage van het totaal van de lasten exclusief toevoegingen aan reserves. Dit levert een percentage op van 10%.

Dit is echter niet het percentage dat wordt toegepast voor de toerekening van de overhead. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen, wordt uitgegaan van de volgende berekeningsformule: de totale structurele overheadkosten gedeeld door de totale direct aan de producten toegerekende loonkosten (maal 100%).

De totale structurele overheadkosten zijn de netto-overheadkosten (€ 9.802.000) minus de fluctuerende kosten (in totaal € 668.000), dat is € 9.134.000. De totale direct aan de producten toegerekende loonkosten bedragen € 12.482.000, zodat het opslagpercentage voor 2019 op 73% komt.

1. Ondersteuning organisatie

Tot deze categorie behoren de lonen en salarisonderdelen van de staf en de afdeling Bedrijfsvoering (team Beleid en advies, team Financiën en team PIM, met uitzondering van WOZ/Belastingen) en de lonen en salarisonderdelen van de leidinggevenden van de overige afdelingen. Alsmede een groep overige personeelskosten, zoals de centrale vorming, jubilea, ziekte, kerstpakketten en personeelsvereniging.

2. Informatiehuishouding

Deze categorie bestaat uit de kosten van informatisering (E-dienstverlening) en de kosten van automatisering. De automatiseringscomponent bestaat uit de kosten van de gemeenschappelijke regeling RID Utrecht en de kosten van de softwarepakketten (onderhoud, licenties en dergelijke).

3. Facilitair en huisvesting

Tot deze categorie kosten behoren de onderdelen: - Huisvesting: gemeentehuis, inventaris, catering en huisvestingsplan; - Archief, papier en drukwerk en telefoonkosten; - Overige kosten, zoals verzekeringen, controllerbudget en dergelijke.

4. Communicatie

Deze categorie kosten bestaan uit kosten voorlichting via “Op ’t Hoogt” en website, informatie voor nieuwe inwoners en representatiekosten.

5. Dekking overhead

De dekking van de overhead bestaat uit een bijdrage van de grote projecten (€ 423.000), de inkomsten uit catering en verhuur en dergelijke van het gemeentehuis (€ 101.000) en de bijdrage van de gemeenschappelijke regeling BBS (€ 1.506.000).”

Over de verdeling van de kosten bij de afvalstoffenheffing is in de begroting opgenomen:

“Daarnaast begroten wij € 1.100 overheadkosten. Dit zijn kosten die worden gemaakt door de sturing en ondersteuning van medewerkers in brede zin. Zoals eerder met u afgesproken, maken de kosten voor handhaving (boa's) sinds 2013 geen deel (meer) van uit van de tariefgrondslag afvalstoffenheffing.”

Over de verdeling van de kosten bij de rioolheffing van € 123.000 is in de begroting opgenomen:

“Voor de toelichting op de kosten kwijtscheldingen, perceptiekosten en overhead, zie hiervoor bij afvalstoffenheffing”

De Rechtbank heeft schriftelijk uitspraak gedaan op 24 februari 2021 en op 9 maart 2021 een afschrift van de uitspraak aan partijen verzonden. Bij de ondertekening van de uitspraak is vermeld:

“Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 februari 2021 en zal

openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.”

De uitspraak is op 23 augustus 2021 onder nummer ECLI:NL:RBMNE:2021:3878 gepubliceerd op rechtspraak.nl.

3. Geschil

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verder is in geschil of de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag in de afvalstoffen- en rioolheffing heeft opgelegd, omdat - zoals belanghebbende kort gezegd stelt - de opbrengstlimiet is overschreden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de heffingsambtenaar beantwoordt deze ontkennend.

Voorts verzoekt belanghebbende om vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en terugwijzing naar deze eerdere instantie, omdat de uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, omdat de onderhavige uitspraak eerst na het uitspreken daarvan op 24 februari 2021 openbaar is gemaakt. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van State van 17 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB6843.

In beginsel kan het in het openbaar uitspreken van de beslissing niet later plaatsvinden dan op de dag van de bekendmaking van de uitspraak (ABRvS, 17 oktober 2007, 200703017/1, ECLI:NL:RVS:2007:BB6843). De schriftelijke uitspraak dient immers de dag te vermelden waarop de beslissing is uitgesproken (artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In de “Tijdelijke regeling bestuursrecht” van 20 april 2020 (hierna: de tijdelijke regeling) zijn aanvullende richtlijnen en aanwijzingen voor het behandelen van bestuursrechtelijke zaken bij de rechtbanken in verband met de maatregelen als gevolg van het coronavirus opgenomen. Artikel 11 van de tijdelijke regeling luidt:

“Aanvullend op artikel 2.22 van de reglementen, toepassing van artikel 8:66 e.v. van de Awb)

1. De openbaarmakingszittingen kunnen worden opgeschort. Zodra de opschorting wordt beëindigd, worden de niet uitgesproken uitspraken voor zover nodig alsnog in openbaar uitgesproken.

2. De uitspraak wordt, zo nodig voorafgaand aan het in het openbaar uitspreken, in ieder geval bekendgemaakt door middel van (digitale of fysieke) verzending van de uitspraak aan partijen.”

Op de bestreden uitspraak is artikel 8:78 van de Awb van toepassing. Dat artikel luidt: „De uitspraak geschiedt in het openbaar.”. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 118) is vermeld dat de openbaarheid van de uitspraak een fundamenteel beginsel is dat ook volgt uit het volkenrecht. Daarbij wordt erop gewezen dat niet is vereist dat uitspraken in het openbaar worden uitgesproken. Andere wijzen van openbaarmaking zijn ook toelaatbaar, wanneer eenieder toegang kan verkrijgen tot de volledige tekst van de uitspraak. Indien rechterlijke uitspraken op een andere wijze openbaar worden gemaakt, gebeurt dat in de regel door publicatie op de internetsite www.rechtspraak.nl.

Vaststaat dat de onderhavige uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken. Op het moment dat de Rechtbank de uitspraak heeft gedaan was de tijdelijke regeling van kracht. De Rechtbank heeft de uitspraak gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en heeft daarmee voldaan aan artikel 5, tweede lid van de tijdelijke regeling. Gesteld noch gebleken is, dat de maatregelen zoals deze zijn neergelegd in de tijdelijke regeling niet passend zijn.

De stelling van belanghebbende dat bekendmaking van de uitspraak ten onrechte niet opgehouden wordt tot openbaarmaking van de uitspraak, kan hem niet baten, nu het Hof zijn hoger beroep ontvankelijk acht en hij ook anderszins niet in zijn procespositie is geschaad.

WOZ-waarde

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed (vgl. TK, vergaderjaar 1992-1993, 22885, nr. 3, blz. 44, en HR 8 augustus 2003, nr. 38.085, ECLI:NL:HR:2003:AI0924).

Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte de WOZ-waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum heeft vastgesteld door de, door belanghebbende op 15 december 2016 betaalde koopsom te indexeren met 7%.

Gelet op de gemotiveerde stelling van belanghebbende rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is. De heffingsambtenaar verwijst voor de onderbouwing van de door hem verdedigde waarde naar het door hem ingediende taxatierapport. In het rapport zijn de volgende twee-onder-een-kapwoningen genoemd die alle in dezelfde wijk in [woonplaats1] zijn gelegen:

De prijs per m3 van de onroerende zaak is volgens de heffingsambtenaar lager dan die van de vergelijkingspanden. De heffingsambtenaar vindt verder steun voor de door hem verdedigde WOZ-waarde in de omstandigheid dat deze waarde gelijk is aan de verkoopprijs van de onroerende zaak, nadat deze met 7% is geïndexeerd. Dit indexeringspercentage heeft de heffingsambtenaar bepaald middels een analyse van volgens hem bruikbare verkopen. De twee-onder-een-kapwoningen zijn volgens de heffingsambtenaar zeer gewild, hetgeen hij bevestigd ziet in de marktcijfers van de NVM.

Belanghebbende brengt hiertegen in dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingspanden voor wat betreft de objectkenmerken, ligging en staat van onderhoud. De heffingsambtenaar mag volgens belanghebbende niet enkel uitgaan van de prijzen per m3, zonder die verder toe te lichten aan de hand van de factoren kwaliteit, ligging, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen. De heffingsambtenaar dient volgens belanghebbende inzicht te geven waarom hij voor de onroerende zaak een lagere prijs per m3 heeft gehanteerd.

Belanghebbende heeft de woning ruim een jaar voor de waardepeildatum gekocht voor € 599.999. De heffingsambtenaar heeft de aankoopprijs van de onroerende zaak verhoogd met een indexeringspercentage van 7, dat is gebaseerd op een analyse van bruikbare verkopen. Verder heeft hij een taxatie overgelegd waarin drie voldoende vergelijkbare panden zijn genoemd. Gelet op hetgeen de heffingsambtenaar heeft overgelegd, heeft hij de door hem verdedigde WOZ-waarde naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt.

Voor zover belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar het indexeringspercentage niet heeft toegepast op de verkoopprijzen van de vergelijkingspanden mist dit feitelijke grondslag, gelet op het onder 4.8. opgenomen overzicht; het indexeringspercentage van de onroerende zaak ziet op een andere periode dan die van de vergelijkingspanden en belanghebbende heeft noch gesteld, noch is gebleken, dat het indexeringspercentage voor en na de waardepeildatum gelijk is.

Opbrengstlimiet

Het Hof overweegt dat de afvalstoffenheffing en de rioolheffing decentrale bestemmingsheffingen zijn en, net als alle andere decentrale bestemmingsheffingen, een winstverbod (opbrengstlimiet) kennen (artikel 229b van de Gemeentewet). Voor de beoordeling van een overschrijding van de opbrengstlimiet heeft de Hoge Raad daarvoor in een aantal arresten een “stappenplan” opgesteld (vgl. onder meer HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1193).

Het stappenplan van de Hoge Raad strekt ertoe de informatieachterstand van de belanghebbende weg te nemen/te verkleinen. Het is immers de heffingsambtenaar die beschikt over de feitelijke informatie die noodzakelijk is om te beoordelen of de opbrengsten (baten) van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing de kosten (de lasten ter zake) niet overschrijden. Het stappenplan brengt geen verandering in de bewijslastverdeling. Nu belanghebbende het standpunt inneemt dat de opbrengstlimiet is overschreden dient hij feiten te stellen en bij weerspreking ervan door de heffingsambtenaar aannemelijk te maken, die zijn standpunt kunnen dragen. Het stappenplan gaat vooraf aan de bewijslevering door belanghebbende, die voor het leveren van het van hem verlangde bewijs gebruik kan maken van de door de heffingsambtenaar in stap 1 en – eventueel – stap 2 aan hem verschafte informatie.

Het stappenplan kan als volgt worden samengevat. Indien een belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de raming van baten en lasten welke in de begroting zijn opgenomen (stap 1). Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. De ramingen van de opbrengsten en de lasten hoeven dus niet bij de vaststelling van de verordening (tarieven) op controleerbare wijze te zijn vastgelegd. Dit inzicht kan de heffingsambtenaar ook later verschaffen. Dat moet hij wel doen op basis van de begroting. Daarbij kan hij ook andere gegevens gebruiken waarover hij pas na de vaststelling van de verordening en de begroting de beschikking heeft gekregen. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op de belanghebbende rust, dient hij, nadat de heffingsambtenaar aldus inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een “last ter zake” en of wel alle baten in de raming zijn meegenomen. Vervolgens dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen te verschaffen (stap 2). Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. Indien een belanghebbende vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt belanghebbende de bewijslast.

Belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet is geschonden en meent dat de heffingsambtenaar onvoldoende onderbouwt dat sprake is van een ‘last ter zake’, omdat de heffingsambtenaar:

in de uitspraak op bezwaar heeft verwezen naar de e-mail van 18 juni 2020, terwijl deze e-mail geen deel uitmaakt van de bestreden uitspraak;

heeft nagelaten de geraamde opbrengsten te vermelden;

geen stukken heeft overgelegd over de toegepaste verdeelsleutel en de onderbouwing daarvan met stukken over de toerekening van overhead aan de taakvelden afvalstoffenheffing en rioolheffing;

niet duidelijk heeft gemaakt op grond van welke uitgangspunten het geraamde bedrag aan overhead is doorberekend aan de taakvelden afvalstoffenheffing en rioolheffing;

geen stukken heeft overgelegd welke kosten behoren tot de overhead en hoe deze zijn toe te rekenen aan de taakvelden afvalstoffenheffing en rioolheffing en

niet heeft toegelicht op welke wijze de omvang van het aan de taakvelden toegerekende (bedrag aan) overhead is onderbouwd.

De heffingsambtenaar heeft daarom volgens belanghebbende niet de redelijke twijfel weggenomen of en zo ja, in hoeverre sprake is van ‘lasten ter zake’ van de afvalstoffenheffing en rioolheffing.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met hetgeen onder 2.3 tot en met 2.7 is aangehaald, inzicht verschaft in de ramingen van de baten en de “lasten ter zake”.

Ook in hoger beroep heeft belanghebbende onvoldoende gemotiveerd gesteld dat over bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een “last ter zake”. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende ten tijde van de uitspraak op bezwaar niet beschikte over de e-mail van 18 juni 2020, zodat hij al om deze reden niet in zijn procesbelang is geschaad. De gegevens en toelichtingen die volgens belanghebbende ontbreken (zie 4.16) heeft het Hof aangetroffen in de begroting. Belanghebbende heeft niet, dan wel onvoldoende onderbouwd waarom hij meent dat er desondanks gegevens ontbreken.

Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het jaar 2019 geraamde opbrengsten van de afvalstoffenheffing en rioolheffing de voor het jaar 2019 geraamde kosten die zijn verbonden aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en de gemeentelijke riolering te boven gaan.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

de uitspraak te onderteken,

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 juni 2022.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Y.N.M. Rijlaarsdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?