GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2021, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Er is daarnaast gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 1 augustus 2022 is nog een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 augustus 2022. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen bij [naam1] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 oktober 2019 om 13:20 uur op de Utrechtsebaan ter hoogte van hectometerpaal 2.1 rechts in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Ter zitting van de kantonrechter heeft de officier van justitie voorgesteld het beroep gegrond te verklaren. De officier van justitie vindt kennelijk dat zijn eerdere beslissing niet deugt. Gelet op de bevoegdheid die de officier van justitie krachtens artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft, is dat niet anders te duiden dan dat de officier van justitie dit met toepassing van artikel 6:19 van de Awb intrekt. Het staat de rechter dan niet vrij om daar zelf iets van te vinden. Een bestuursrechter zal dit opvatten als een intrekking ex artikel 6:19 van de Awb. Als partijen het erover eens zijn dat het besluit niet deugt, dient de rechter dit te respecteren, tenzij het een punt van openbare orde betreft. Daarvan is geen sprake en de kantonrechter heeft ook niet gemotiveerd waarom dit het geval zou zijn.
3. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat de beslissing van de kantonrechter bevestigd kan worden. De officier van justitie heeft er ter zitting van de kantonrechter bewust voor gekozen geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de zaak in te trekken, maar om de beslissing aan de kantonrechter over te laten.
4. De beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting, houdt onder meer het volgende in:
“De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft voorgesteld het beroep gegrond te verklaren. De inleidende beschikking wordt vernietigd. Dat is aanleiding om aan betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen. Verzocht wordt om in totaal 3,5 punt toe te kennen en een wegingsfactor van 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe te passen.”
5. Het standpunt van de advocaat-generaal vindt geen steun in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Hetgeen de officier van justitie heeft opgemerkt kan niet anders worden verstaan dan dat hij ter zitting besloten heeft de inleidende beschikking te vernietigen. Dat betekent, gelet op artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, dat de kantonrechter diende te beoordelen of nog belang bestaat bij de beoordeling van het beroep.
6. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep niet-ontvankelijk verklaren in verband met gebrek aan belang bij de beoordeling daarvan.
7. Ter zitting van het hof is gebleken dat de inleidende beschikking niet als vernietigd staat geregistreerd. Het hof draagt de advocaat-generaal op dit alsnog te doen en te registreren dat de zekerheid wordt gerestitueerd.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het bijwonen van de zitting van de kantonrechter, het indienen van het beroepschrift bij het hof en het bijwonen van de zitting bij het hof dienen in totaal 5 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.923,75 ((1,5 x € 541,- x 0,5) + (4 x € 759,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk;
bepaalt dat de advocaat-generaal registreert dat de inleidende beschikking is vernietigd en dat het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.923,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.