ECLI:NL:GHARL:2022:7565

ECLI:NL:GHARL:2022:7565, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-09-2022, Wahv 200.294.818/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-09-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer Wahv 200.294.818/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 5 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004581 BWBR0004825 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0018450

Samenvatting

I. Op de zaak betrekking hebbende stukken. De gedraging is vastgesteld aan de hand van een filmfragment, dat daarom deel had moeten uitmaken van het dossier. In dit geval heeft het ontbreken ervan geen gevolgen, nu de juistheid van wat de ambtenaar op de beelden heeft waargenomen niet is betwist. II. Artikel 5 Wahv. De ambtshalve herkenning van de bestuurder door een tweede ambtenaar op basis van een foto valt niet onder het ‘aanstonds vaststellen van de identiteit’. Er mocht op kenteken worden bekeurd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 9 april 2021, betreffende

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De kantonrechter heeft het beroep van betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 1 oktober 2021 is nog een faxbericht van 30 september 2021 van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd

van € 140,- voor: “als bestuurder of passagier geen goedgekeurde, goedpassende/deugdelijk bevestigde helm dragen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 juli 2020 om 13:35 uur op de Godsweerdersingel in Roermond met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert - onder meer - aan dat uit het aanvullend proces-verbaal van 3 september 2020 van de betrokken ambtenaar blijkt dat deze de vermeende gedraging heeft vastgesteld aan de hand van camerabeelden die op het politiebureau van de binnenstad worden

gemaakt. Het betreft derhalve op de zaak betrekking hebbende stukken. Reeds in administratief beroep is verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken zijn tot op heden niet ontvangen. Als deze niet meer beschikbaar zijn kan de inleidende beschikking niet in stand blijven, aldus de gemachtigde.

3. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb in de fase van het administratief beroep is gehouden op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om:

1. stukken waarin de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die

de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt (vgl. het arrest van het hof van

2 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1050);2) stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde

verweer heeft opgevraagd, alvorens op het administratief beroep te beslissen (vgl. het arrest van het hof van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6968);

3) stukken die informatie bevatten over voor de zaak relevante aspecten waarover redelijkerwijs

twijfel bestaat (vgl. het arrest van het hof van 25 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3187).

4. In ieder geval moeten als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt het zaakoverzicht en (als die is gemaakt) een foto van de gedraging (vgl. het hiervoor aangehaalde arrest van 2 februari 2018). Deze stukken alsmede het aanvullende proces-verbaal van 3 september 2020 zijn in administratief beroep aan de gemachtigde toegezonden.

5. Naar het oordeel van het hof kunnen zich situaties voordoen waarin ook een filmfragment moet worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het begrip op de zaak betrekking hebbende stukken niet is beperkt tot op papier vastgelegde gegevens maar ook in elektronische vorm vastgelegde, op de zaak betrekking hebbende gegevens, waaronder begrepen grafische weergaven en afbeeldingen, die - op papier of in andere vorm - leesbaar of anderszins waarneembaar kunnen worden gemaakt, kan omvatten (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, vindplaats ECLI:NL:HR:2018:672). In Mulderzaken kan een filmfragment een op de zaak betrekking hebbend stuk zijn wanneer:

(1) de ambtenaar zijn beslissing om een sanctie op te leggen op deze beelden heeft gebaseerd en/of;

(2) de officier van justitie de beelden bij de beoordeling van het beroep heeft geraadpleegd en/of;

(3) het filmfragment potentieel opheldering kan geven over voor de beoordeling van het beroep

relevante aspecten waarover redelijkerwijs twijfel bestaat.

6. Uit het aanvullend proces-verbaal van 3 september 2020 van de betrokken ambtenaar blijkt dat hij op 24 juli 2020 tijdens de dienst bericht op zijn telefoon kreeg van een collega dat er een grijze trike met het kenteken [kenteken] langs het bureau reed en dat de bestuurder van de trike geen helm droeg. De bestuurder zorgde met deze trike voor overlast in de binnenstad. Hierop is de ambtenaar in zijn politievoertuig in het centrum van Roermond op zoek gegaan naar deze grijze trike. Omdat deze niet werd aangetroffen heeft de ambtenaar op het bureau de camerabeelden van de binnenstad van Roermond bekeken en zag hij dat de bewuste trike omstreeks 13:35 uur over de Willem II-singel reed in de richting van de Godsweerdersingel. Hierop heeft de ambtenaar twee foto’s gemaakt van de camerabeelden en deze bij het proces-verbaal gevoegd.

7. Het hof leidt uit een en ander af dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd voor de vaststelling van de kleur en het kenteken van de trike gebruik heeft gemaakt van de gegevens die hij van een collega heeft gekregen. De ambtenaar heeft de camerabeelden gebruikt voor de vaststelling van het tijdstip en de locatie van de gedraging. Verder heeft hij op deze camerabeelden gezien - zo blijkt uit de daarvan gemaakte foto’s - dat de bestuurder van de trike geen helm of gordel droeg.

In zoverre de locatie en het tijdstip van de gedraging op basis van de camerabeelden zijn vastgesteld gaat het hier om op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze zijn - anders dan de foto’s van de bestuurder die geen helm of gordel draagt - niet - in waarneembare vorm - aan het dossier toegevoegd. Naar kan worden aangenomen zijn de camerabeelden niet meer beschikbaar.

8. Vastgesteld kan worden dat door deze stukken niet aan het dossier toe te voegen, gehandeld is in strijd met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Het hof ziet echter geen aanleiding voor vernietiging van de beslissing van de officier van justitie nu de betrokkene niet betwist dat de ambtenaar de locatie en het tijdstip van de gedraging goed van de bekeken camerabeelden heeft afgeleid. Daardoor is aannemelijk dat de betrokkene door bedoeld verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Het hof zal, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, de beslissing van de officier van justitie in stand laten. Dit brengt mee dat de aangevoerde grond, dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, reeds hierom geen doel treft.

9. De gemachtigde voert daarnaast aan dat de helmplicht op grond van artikel 60, tweede lid sub d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) niet geldt voor bestuurders van een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie indien de zitplaats in dit motorvoertuig voorzien is van een autogordel.

10. In artikel 60, eerste lid, RVV 1990 was ten tijde van de gedraging, voor zover hier van belang, bepaald:

"De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, zesde lid, van de wet."

11. Artikel 60, tweede lid, RVV 1990 luidde, voor zover hier van toepassing ten tijde van de gedraging:

"Het eerst lid geldt niet voor:

(…)

d. de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt."

12. Niet in het geding is dat de bestuurder van de trike, zijnde een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie, geen helm droeg. Het hof ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of, gelet op het bepaalde in artikel 60, tweede lid, van het RVV 1990, deze verplichting voor de bestuurder van dit motorrijtuig gold op het moment van de gedraging.

13. Het hof is van oordeel dat aan de bestuurder van de trike in deze zaak geen beroep toekomt op de uitzondering op de verplichting een helm te dragen, zoals vermeld in artikel 60, tweede lid onder d, van het RVV 1990. Nog los van het feit dat namens de bestuurder niet aannemelijk is gemaakt dat hij tijdens het rijden daadwerkelijk een autogordel droeg (uit de van de gedraging gemaakte foto blijkt het tegendeel), is op de door de gemachtigde in het kader van het administratief beroep overgelegde foto’s van het interieur van de trike te zien dat het voertuig slechts is voorzien van twee bevestigingspunten voor een autogordel onderin het voertuig en niet ook van een bevestigingspunt voor een autogordel bovenin. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op de uitzondering zoals hiervoor vermeld. Dit betekent dat de in artikel 60, eerste lid, RVV 1990 geformuleerde verplichting voor een bestuurder van een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie om een helm te dragen onverkort op de betrokkene van toepassing was. Nu niet is voldaan aan die verplichting, staat vast dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht. De aangevoerde grond faalt.

14. De gemachtigde voert vervolgens aan dat er sprake is van schending van artikel 5 Wahv. De inleidende beschikking is ten onrechte aan de betrokkene [de betrokkene] , geboren [in] 1950, als kentekenhouder opgelegd. Uit het aanvullend proces-verbaal van de betrokken ambtenaar blijkt dat aanstonds is vastgesteld dat [naam1] , geboren [in] 1970, de bestuurder is, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd.

15. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.

16. In het aanvullend proces-verbaal van 3 september 2020 verklaart de betrokken ambtenaar

- zakelijk weergegeven -:

Om 13:34 uur kreeg ik een bericht van een collega over een grijze trike waar [naam1] gebruik van zou maken. Op de camerabeelden zag ik dat een man omstreeks 13:35 uur als bestuurder van de trike over de Willem II-singel richting de Godsweerdersingel reed. Ik maakte foto’s van de camerabeelden. Ik wist zelf niet hoe [naam1] eruit zag. Ik liet de foto’s aan een collega zien. Ik hoorde hem zeggen dat het [naam1] was.

17. Het hof is van oordeel dat ‘aanstonds vaststellen’ als bedoeld in artikel 5 Wahv beperkt moet worden opgevat, in die zin dat dit begrip dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de identiteit van de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de vaststelling van de gedraging of direct daarna wordt vastgesteld. Uit de hiervoor weergegeven verklaring van de ambtenaar blijkt dat deze de identiteit van de bestuurder van het voertuig eerst na het raadplegen van een collega heeft vastgesteld. In een dergelijk situatie is er geen sprake meer van ‘aanstonds vaststellen’ in voormelde zin, zodat de administratieve sanctie aan de degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig in het kentekenregister was ingeschreven mocht worden opgelegd. De aangevoerde grond faalt.

18. Tot slot merkt het hof nog het volgende op. Uit de hiervoor weergegeven passages uit de aanvullende verklaring van de ambtenaar blijkt dat de gedraging niet is verricht op de locatie Godsweerdersingel, zoals in de inleidende beschikking is vermeld, maar op de Willem II-singel. De inleidende beschikking bevat daarmee een onjuiste locatieaanduiding. Het hof zal de pleeglocatie wijzigen. Gelet op hetgeen in de procedure is aangevoerd, wist de betrokkene tegen welk verwijt hij zich had te verdedigen. Bovendien sluit de Godsweerdersingel aan op de Willem II-singel. Met de wijziging wordt de betrokkene derhalve niet in een rechtens te respecteren belang geschaad. Het hof zal daarom als hierna vermeld beslissen.

19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de locatie van de gedraging wordt gewijzigd in “Willem II-singel”;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Pullens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?