GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 21/00922 en BK-ARN 21/00923
uitspraakdatum: 11 oktober 2022
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2021, nummers UTR 20/3020 en UTR 20/3696, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen (hierna: de heffingsambtenaar)
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres1] 7 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 481.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2020 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 261,66.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB.
De heffingsambtenaar heeft een informatiebeschikking genomen, nadat belanghebbende de door de heffingsambtenaar in de bezwaarfase gestelde vragen niet heeft beantwoord.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de informatiebeschikking heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar deze beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank).
Nadien heeft de heffingsambtenaar op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB bij uitspraak op bezwaar de WOZ-beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat de informatiebeschikking van rechtswege is vervallen na de uitspraken op bezwaar inzake de WOZ-beschikking en de aanslag OZB. De Rechtbank heeft het beroep tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 28 september 2022 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
2. Geschil
Tussen partijen is in geschil of de Rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding heeft vastgesteld.
3. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd, dat hij de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van de onroerende zaak niet langer betwist. Partijen zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen dat aan belanghebbende een vergoeding van de proceskosten toekomt, waarbij een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. Partijen stellen de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 134,50 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) wegingsfactor 0,25 € 269), € 379,50 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,25 € 759) en € 379,50 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,25 € 759), ofwel in totaal op € 893,50.
Het Hof zal beslissen overeenkomstig hetgeen partijen ter zitting overeen zijn gekomen.
4. Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5. Beslissing
Het Hof:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2022.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.F.C. Spek)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 oktober 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.