Overwegingen:
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
De terbeschikkinggestelde gaat ervan uit dat hij zal worden onderworpen aan de straf(fen) die hem zijn opgelegd en waarbij expliciet is overwogen dat de ingangsdatum van de gemaximaliseerde terbeschikkingstelling ook na omzetting niet zal worden gewijzigd. Toen de terbeschikkingstelling werd omgezet naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege werd door de officier van justitie aangegeven dat de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van vier jaar niet te boven mag gaan. Met de officier van justitie heeft ook de rechtbank dit vastgesteld. De termijn voor de terbeschikkingstelling is aangevangen op 12 juli 2018. De rechtbank heeft bovendien aangegeven dat de hierna aangegeven beslissing die datum niet wijzigt. De officier van justitie vond het kennelijk niet nodig om het hof erop te wijzen dat in de omzettingsbeslissing werd bepaald dat het een gemaximeerde terbeschikkingstelling betrof en dat de begindatum expliciet werd vastgesteld. De terbeschikkinggestelde mocht er redelijkerwijs op vertrouwen dat de terbeschikkingstelling zou eindigen op 12 juli 2022. Ook de Dienst Individuele Zaken heeft dit voor waar aangenomen zoals dit blijkt uit hun brief van 10 mei 2022. Door geen appel in te stellen, heeft de officier van justitie zich met de begin- en einddatum verenigd, of in ieder geval voor lief genomen. De instanties zijn uitgegaan van de uitspraak zoals is gegeven door de rechtbank. In alle onderliggende stukken (de Indicatiestelling TBS, de verlengingsadviezen en de wettelijke aantekeningen) wordt 12 juli 2022 als einddatum opgenomen. Daarnaast mag corona niet voor rekening komen van de terbeschikkinggestelde. De kliniek heeft aangegeven dat zij vanwege de corona niet meer uit ging van een gemaximeerde terbeschikkingstelling, omdat nu wel verlenging mogelijk zou zijn. Er moet een oordeel worden geveld tussen het in de wet neergelegde vertrouwensbeginsel en de in de jurisprudentie uitgewerkte invulling van een wettelijk voorschrift. De rechter dient in Nederland het laatste woord te hebben. Als laatste heeft de raadsman gewezen op de gang van zaken met betrekking tot de vrijlating van de terbeschikkinggestelde na de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2022 en zijn aanhouding op 21 juli 2022. Aan de terbeschikkinggestelde kon daarbij geen titel worden getoond. Vervolgens werd de terbeschikkinggestelde veel te lang in isolatie gehouden. De raadsman heeft verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen en de terbeschikkinggestelde per direct in vrijheid te stellen, danwel zo spoedig als mogelijk.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De door de rechtbank opgenomen datum van 12 juli 2018 in de beslissing van 11 juli 2022 wordt door de verdediging gelezen als een begintermijn waarop de maatregel is gaan lopen. Hierdoor is verwarring ontstaan over de begintermijn. Het klopt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden is gaan lopen op 12 juli 2018. De termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft echter aanvang genomen op 30 augustus 2019. Dit is de datum waarop de rechter-commissaris de voorlopige verpleging heeft bevolen. De (gemaximeerde) terbeschikkingstelling loopt dus tot 30 augustus 2023. Het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna: AVT) heeft er in 2021 al op gewezen dat mogelijke verwarring over de begintermijn zou kunnen ontstaan. Op advies van het AVT heeft het Openbaar Ministerie toen contact opgenomen met de kliniek. De kliniek heeft toegezegd dit te bespreken met de terbeschikkinggestelde. Ook heeft het Openbaar Ministerie toen een e-mailbericht gestuurd naar de raadsman en met hem gebeld om door te geven dat de termijn van de terbeschikkingstelling is gaan lopen op 30 augustus 2019. De dwaling waarin de terbeschikkinggestelde verkeerde of kon verkeren, is dus op het laatst in september 2021 bij hem weggenomen. De terbeschikkinggestelde had nog voldoende tijd om mee te werken aan de onderzoeken van de onafhankelijke gedragsdeskundigen. Hij heeft echter vastgehouden aan zijn eigen standpunt. Dit komt voor zijn eigen rekening en die van de raadsman. Ook indien er sprake zou zijn geweest van enig rechtens relevante verwachting bij de terbeschikkinggestelde op een niet verdere verlenging van de maatregel, is verlenging mogelijk (vgl. Hof Arnhem Leeuwarden 22 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10783) en in dit geval noodzakelijk. Uit de stukken blijkt dat de terbeschikkinggestelde al langere tijd zijn libidoremmende medicatie niet consequent neemt, er bestaat dreigend contact met het personeel van de kliniek, de terbeschikkinggestelde scoort positief op cannabis en het risico op ontsnappingsgedrag wordt als hoog ingeschat. Mocht er al sprake zijn van het vertrouwensbeginsel, moet dit worden afgewogen tegen het veiligheidscriterium. In dit geval dient het veiligheidscriterium te prevaleren. De termijn van de gemaximeerde terbeschikkingstelling loopt dus tot 30 augustus 2023. De maatregel dient te worden verlengd voor de duur van twee jaar.
Het oordeel van het hof
Vernietiging
Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt.
Begin- en einddatum terbeschikkingstelling
In hoger beroep staat in de eerste plaats de vraag centraal wat de einddatum van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht gaat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In dit geval is de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beperkt tot een periode van vier jaar. Hoofdregel is dat de termijn van vier jaren gerekend wordt vanaf de dag waarop de uitspraak tot alsnog verplegen onherroepelijk is geworden en van rechtswege eindigt na ommekomst van vier jaar. Vrijheidsbeneming als gevolg van een bevel voorlopige verpleging die is voorafgegaan aan de omzettingsbeslissing, telt mee bij de vierjaarstermijn (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2928). Dat geldt niet voor de periode waarin nog slechts sprake was van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Dit betekent in onderhavige zaak dat de termijn van vier jaren gerekend wordt vanaf 30 augustus 2019, de dag van het bevel voorlopige verpleging, en derhalve eindigt op 30 augustus 2023.
De terbeschikkinggestelde heeft gesteld erop te hebben vertrouwd dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou eindigen op 12 juli 2022, zijnde vier jaar na de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij heeft zich in dit kader onder meer beroepen op de slotzin in de beslissing van de rechtbank van 9 oktober 2019, waarin alsnog de verpleging van overheidswege is bevolen. De rechtbank heeft hierin overwogen dat de termijn van terbeschikkingstelling is aangevangen op 12 juli 2018 en dat de beslissing tot alsnog verpleging van overheidswege die datum niet wijzigt.
Het hof is van oordeel dat de terbeschikkinggestelde hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou eindigen op 12 juli 2022. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de termijn van terbeschikkingstelling is aangevangen op 12 juli 2018 en heeft ook terecht opgenomen dat de totale duur van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven mag gaan. De rechtbank heeft daarbij geen einddatum genoemd. De conclusie die veroordeelde trekt dat de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou eindigen na vier jaren na de aanvang van de terbeschikkingstelling met voorwaarden, is, zoals hiervoor uiteengezet een onjuiste en kan naar het oordeel van het hof niet worden ontleend aan de beslissing van de rechtbank. Dat een op die conclusie gebaseerde verwachting van de terbeschikkinggestelde niet als redelijk kan worden aangemerkt geldt temeer nu veroordeelde dan wel zijn raadsman op verschillende momenten zijn gewezen op de onjuiste veronderstelling over de expiratiedatum van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
Indexdelicten
De rechtbank Rotterdam heeft de terbeschikkinggestelde bij vonnis van 25 mei 2018 veroordeeld ter zake van zes maal de eendaadse samenloop van belaging en schennis van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.
De opleggingsrechter heeft bepaald dat dit geen misdrijven zijn die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit brengt mee dat de totale duur van de maatregel met bevel tot verpleging beperkt is tot vier jaar.
Stoornis
Uit het advies van FPC [naam FPC] blijkt dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en psychopathie. Daarnaast is sprake van een exhibitionismestoornis en een stoornis in cannabisgebruik, matig tot ernstig (in langdurige remissie door de opname).
Recidivegevaar
Bij het huidige, intramurale verblijf en begeleid verlof wordt het risico op seksueel delictgedrag en het risico op recidive in stalking ingeschat als matig en het risico op gewelddadig delictgedrag als laag. Zonder de terbeschikkingstelling worden deze risico’s ingeschat als hoog.
Verlenging van de terbeschikkingstelling
Naar het oordeel van het hof eist het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd. Gelet op de inhoud van de adviezen is het hof van oordeel dat het recidivegevaar nog niet zodanig is verminderd dat de terbeschikkingstelling nu al zou kunnen worden beëindigd.
Duur van de verlenging van de terbeschikkingstelling
De expiratiedatum van de maatregel terbeschikkingstelling in onderhavige zaak is 12 juli 2022. Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Het hof is van oordeel dat, gelet op onder meer de vastgestelde diagnostiek, het ingeschatte recidiverisico en de stand van zaken in het behandeltraject, het noodzakelijk is de maatregel te verlengen voor een termijn langer dan die resteert bij een verlenging met een jaar. Nu in de wet uitdrukkelijk is bepaald dat de termijn van terbeschikkingstelling telkens hetzij met één jaar hetzij met twee jaar kan worden verlengd, dient de maatregel met twee jaar te worden verlengd. De maatregel zal van rechtswege eindigen op 30 augustus 2023.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2022 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].
Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Aldus gedaan door
mr. J.A.W. Lensing als voorzitter,
mr. M.J. Vos en mr. W.A. Holland als raadsheren,
en dr. R.A. Graaff en drs. DM.L. Versteijnen als raden,
in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven als griffier,
en op 13 oktober 2022 in het openbaar uitgesproken.
Mr. W.A. Holland en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.