ECLI:NL:GHARL:2023:10568

ECLI:NL:GHARL:2023:10568, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-12-2023, 21/785

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-12-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/785
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2021:4928
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0006358 BWBR0007119 BWBR0007165 BWBR0007179

Samenvatting

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/785

uitspraakdatum: 12 december 2023

Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 19 mei 2021, nummer UTR 20/249, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 796.000. Tevens is een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaar woning vastgesteld, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende gegrond verklaard, de WOZ-waarde verminderd tot € 742.000, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en een proceskostenvergoeding toegekend.

Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. van den Dool als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [naam2] .

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1997 gebouwde vrijstaande woning met een bijgebouw (sanitaire ruimte). Het vloeroppervlak van de woning bedraagt 280 m² en het perceel is 9.725 m² groot. Het bijgebouw heeft een vloeroppervlak van 36 m².

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in zijn bezwaarschrift verzocht de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de koudv- en liggingsfactoren van de onroerende zaak en de referentie-objecten te overleggen. De heffingsambtenaar heeft deze gegevens in de bezwaarfase niet verstrekt.

De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van de in beroep in geschil zijnde waarde van € 742.000 een taxatiematrix ingebracht waarin taxateur [naam2] de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2018 heeft bepaald aan de hand van rondom de waardepeildatum gerealiseerde verkopen van drie in [woonplaats] gelegen vrijstaande woningen. In de taxatiematrix is dit als volgt weergegeven:

Object

Bouw-jaar

Woonoppervlak

kw

oh

lig-ging

Waarde woning

per m²

(€)

Waarde woning

(€)

Per-ceel

opp

(m²)

Waarde per m²

(€)

Waarde

per-

ceel

(€)

Bijgebouwen

(m²)

Waarde

(afge rond)

(€)

Koopsom (€) en datum

[adres1]

1997

280

2

2

2

1.473

412.440

2.500

7.225

98

8

245.000

57.800

302.800

Sanitaire ruimte 36 x € 765 = 27.540

742.000

[adres2] 153

2003

235

4

4

3

2.487

584.445

1.087

149

161.963

746.000

690.000

(16-06-2017)

[adres2] 214

2002

265

3

3

3

1.986

526.290

1.694

139

235.466

Ligplaats 11.682

Tuinhuis 1.166

Tuinhuis 1.166

775.000

775.000

(07-10-2017)

[adres2] 271

2002

230

3

3

3

2.057

473.110

1.193

147

175.371

Ligplaats 11.682

660.000

700.000

(01-08-2018)

Bij de matrix is een grafiek van de grondstaffel gevoegd. In deze grafiek is de verhouding tussen de deelwaarde van de grond in € en de oppervlakte van de grond in m² weergegeven in een kromme. De deelwaarde van de grond neemt af naarmate het aantal m² grond groter is. De grondstaffel is van toepassing voor een perceel met een oppervlakte van maximaal 2.500 m². Verder is door de heffingsambtenaar een staatje met de kop ‘Grondstaffels belastingjaar 2019, waardepeildatum 1 januari 2018’ (hierna: het Staatje) overgelegd, waarin in tabellen is weergegeven hoe vanuit een standaardgrootte perceel per type woning de grondwaarde in percentages kan worden berekend. Zo is in de tabel van vrijstaande woningen weergegeven dat de standaardgrootte van een perceel met vrijstaande woning 450 m² is en dat percelen tot die grootte tegen een wegingspercentage van 100% in de waarde worden meegewogen en percelen tussen 500 m² en 900 m² tegen 90%. Hoe groter de percelen worden, hoe lager het wegingspercentage en dus hoe lager de waarde per m². De tabel van vrijstaande woningen loopt tot een maximale perceelgrootte van 3300m². Welke waarde per m² bij de standaardgrootte wordt gehanteerd is niet vermeld.

De Rechtbank heeft beslist dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikte waarde niet te hoog is. Verder heeft de Rechtbank in het kader van gegevensverstrekking van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, geoordeeld dat de grondstaffel in de bezwaarfase is verstrekt en de heffingsambtenaar met de verstrekking van de koudv-factoren in de beroepsfase een omissie in de bezwaarfase heeft hersteld waarna geen grond bestaat voor de vernietiging van de uitspraak op bezwaar, beschikking, of aanslag. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Geschil

In hoger beroep is allereerst de WOZ-waarde in geschil. Belanghebbende bepleit een waarde van € 575.000, de heffingsambtenaar van € 742.000.

Verder is in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase heeft voldaan aan het verzoek om gegevensverstrekking als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.

4. Beoordeling van het geschil

WOZ-waarde

Op grond van artikel 17, lid 1, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

De bewijslast dat de aan de onroerende zaak toegekende waarde niet te hoog is rust op de heffingsambtenaar. Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op de door hem ingebrachte taxatiematrix en grondstaffel (zie 2.3 en 2.4).

Belanghebbende voert daartegen aan:

- dat de grondwaarde niet inzichtelijk is gemaakt, onder meer omdat uit het Staatje niet is af te leiden wat de waarde is omdat de standaardprijs niet is gegeven, omdat onduidelijk is waarom het perceel is gesplitst bij 2.500 m², waar de restgrondprijs van € 8 per m² vandaan komt en hoe rekening is gehouden met de in de matrix opgenomen liggingsscore 2;

- dat de referentie-objecten door het verschil in ligging niet te vergelijken zijn met de onroerende zaak;

- dat onvoldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de referentie-objecten. Hij noemt in dit verband:

- dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerdheid van de voorzieningen in de woning;

dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de onroerende zaak een houtskeletbouwwoning is;

dat onduidelijk is hoe de heffingsambtenaar tot de waarde van de sanitaire ruimte is gekomen;

dat onduidelijk is hoe de heffingsambtenaar de deelwaarde van de ligplaats bij de referenties heeft bepaald;

dat de kwalificaties van kwaliteit en onderhoud van de referentie-objecten en de onroerende zaak niet inzichtelijk zijn gemaakt en evenmin welke invloed dit heeft op de waarde;

dat de indexatiegegevens van verkoopprijzen naar de waardepeildatum niet inzichtelijk zijn gemaakt;

dat er onvoldoende rekening mee is gehouden dat de woning wordt gebruikt voor logiesverhuur.

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikte waarde niet te hoog is vastgesteld. Het Hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende onderbouwd hoe hij tot de waarde van het perceel is gekomen. Hij heeft niet duidelijk gemaakt waarom het perceel is verdeeld in een woonperceel van 2.500 m² en een restperceel van 7.225 m² en evenmin hoe de vierkante meterprijzen die aan deze delen worden toegekend zijn bepaald. De waarde van € 245.000 die aan de woonkavel is toegekend is niet uit de grondstaffel - de grafiek, noch het Staatje - te herleiden, er is geen enkele onderbouwing gegeven van de vierkante meterprijs die tot het grasland wordt gerekend en evenmin is toegelicht hoe de liggingsfactor 2 van invloed is geweest op het bepalen van de waarde van het perceel. Voorts heeft de heffingsambtenaar geen enkele verklaring gegeven over hoe hij tot de waarde van de sanitaire ruimte is gekomen. De beschikte waarde is daarom onvoldoende onderbouwd en kan niet in stand blijven.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de door hem bepleite waarde evenmin aannemelijk gemaakt. Ter zitting van de Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat hij zich heeft beperkt tot het betwisten van de door de heffingsambtenaar beschikte waarde en dat hij de door hem bepleite waarde zelf niet heeft onderbouwd. In hoger beroep heeft hij geen (nadere) onderbouwing gegeven van de door hem voorgestane waarde, zodat deze niet aannemelijk is gemaakt.

Nu geen van de partijen erin is geslaagd de door hen voorgestane waarde aannemelijk te maken, stelt het Hof, gelet op al het voorgaande en hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum in goede justitie vast op € 700.000.

Schending van artikel 40 van de Wet WOZ

Nu het hoger beroep inzake de waardebepaling gegrond is, heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Dit betekent dat de grief van belanghebbende over schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ geen behandeling behoeft, omdat die grief niet kan leiden tot een hogere proceskostenvergoeding.

Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof voor het eerst verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof zal beoordelen of de vierjaarstermijn – van binnenkomst bezwaar tot uitspraak in hoger beroep – is overschreden.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 het volgende overwogen:

“3.7.1. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld indien het afwachten van die beslissing redelijk is (…).

Indien de rechter besluit de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, en hij partijen bij zijn schriftelijke kennisgeving omtrent die aanhouding niet in de gelegenheid heeft gesteld hun opvatting daarover binnen een bepaalde termijn kenbaar te maken, dan zal bij de beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten worden beoordeeld of de beslissing van die rechter om de behandeling van de zaak aan te houden redelijk was gelet op de stand van de procedure en de jurisprudentie ten tijde van die schriftelijke kennisgeving. Bij bevestigende beantwoording van die vraag zal de periode tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. De rechter is alleen gehouden daarop in de motivering van zijn uitspraak in te gaan indien een partij de redelijkheid van het besluit tot aanhouding betwist.

Het verdient aanbeveling dat de rechter, indien hij partijen in kennis stelt van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, hen daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt eventuele bezwaren tegen die beslissing schriftelijk aan hem kenbaar te maken binnen een door hem gestelde termijn, in de regel zes weken na verzending van de kennisgeving. Indien partijen van de aldus geboden mogelijkheid geen gebruik maken, mag ervan worden uitgegaan dat zij zich kunnen verenigen met de beslissing van de rechter om de zaak aan te houden en heeft als uitgangspunt te gelden dat het afwachten van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie redelijk is. In deze gevallen dient de periode, gelegen tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. (…)

Hetgeen hiervoor in 3.7.1 tot en met 3.7.5 is overwogen met betrekking tot het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, indien het afwachten van die beslissing redelijk is, dient overeenkomstig te worden toegepast indien de inspecteur dan wel de rechter de zaak aanhoudt in afwachting van een uitspraak in een procedure bij een andere rechter dan het Hof van Justitie (…). De eventueel buiten beschouwing te laten periode eindigt dan uiterlijk op de dag van de openbaarmaking van de uitspraak van die andere rechter of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak.”

De griffier van het Hof heeft partijen bij brief van 8 juni 2022 meegedeeld dat het Hof de behandeling van de onderhavige zaak zal aanhouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in een cassatieprocedure tegen een uitspraak van Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:499) met betrekking tot dezelfde problematiek. In die brief zijn partijen in de gelegenheid gesteld om, indien zij van mening zijn dat in deze zaak aanhouding niet geboden is, binnen twee weken hun opvatting over deze aanhouding kenbaar te maken. Het Hof stelt vast dat partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen de voorgenomen aanhouding.

Gelet op het voorgaande telt het Hof de periode van 8 juni 2022 tot 18 augustus 2023 (de dag waarop de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de in 4.10 genoemde cassatieprocedure) niet mee voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn wordt daarom verlengd met veertien maanden en tien dagen. Nu het bezwaarschrift is ontvangen op 13 maart 2019 eindigt de redelijke termijn voor de hogerberoepsprocedure op 23 mei 2024, zodat van overschrijding van die termijn geen sprake is.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 599 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 296, kadastrale uittreksels € 7), € 1.674 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 837) en € 1.674 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 837), ofwel in totaal op € 3.947.

6. Beslissing

Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2023.

De griffier, De raadsheer,

(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 13 december 2023.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2024/44 met annotatie van J.K. Lanser
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?