GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 22/00834
uitspraakdatum: 7 maart 2023
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 8 april 2022, nummer LEE 21/2338 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is op 12 maart 2021 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van een personenauto. Tegelijk is met dit besluit bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 2.852.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2021 het bezwaar ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 april 2022 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd wat betreft de boete, de boetebeschikking vernietigd, en de Inspecteur opgedragen het griffierecht te vergoeden en veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Belanghebbende heeft op 18 mei 2022 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft op 1 november 2022 een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 19 januari 2023 een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2023. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. R. Lammers en taxateur [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] en [naam4] .
2. Feiten
Aan belanghebbende is op grond van artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen voor de BPM.
Belanghebbende heeft op 7 oktober 2020 in Duitsland een personenauto met schade van het merk BMW, uitvoering X5 xDrive 30d High Executive 7p. (hierna: de auto) gekocht voor € 62.356,50 (exclusief omzetbelasting en BPM). In verband met de registratie in het kentekenregister heeft belanghebbende met dagtekening 29 oktober 2020, door de Inspecteur ontvangen op 2 november 2020, voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 6.070 en is een bedrag van € 5.766 voldaan. De auto heeft blijkens de voertuiggegevens een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer. De datum eerste toelating in Duitsland is 4 maart 2020. De kilometerstand op het moment van de registratie bedraagt 30 kilometer.
Voor de waardebepaling van de auto heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 27 oktober 2020 heeft de expertise plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 30 kilometer. In het taxatierapport van 27 oktober 2020 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 32.974, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 71.803 (XRAY-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 35.829 (waarin rekening is gehouden met een correctie conform XRAY Matrix) en een correctie van € 3.000 (vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over het aantal kilometers).
De auto is op 29 oktober 2020 bij de RDW gekeurd.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: de DRZ) laten doen. Belanghebbende heeft de auto getoond bij DRZ. DRZ heeft op basis van de bij haar bekende gegevens onderzoek gedaan naar de waarde van de auto. Van dit onderzoek is op 9 november 2020 een rapport opgemaakt. In het rapport is als laagste handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 68.916 vermeld, gebaseerd op de koerslijstwaarde XRAY, waarop een waardevermindering van € 424 is toegepast. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto aldus berekend op € 68.492.
De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 18 december 2020.
De Inspecteur heeft met dagtekening 12 maart 2021 een naheffingsaanslag BPM ad € 28.521 opgelegd met een verzuimboete van € 2.852. De Inspecteur heeft daarbij de verschuldigde BPM berekend op € 34.287, op basis van een CO2-uitstoot van 211 gram per kilometer (de WLTP-methode) op het moment van tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister, zodat minus de betaalde BPM van € 5.766 een bedrag van € 28.521 is nageheven.
3. Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
Meer in het bijzonder is in geschil of de auto voor de toepassing van de Wet BPM op het moment van het belastbare feit (de registratie in het Nederlandse kentekenregister) als een gebruikte personenauto, zoals belanghebbende stelt, of als een nieuwe personenauto, zoals de Inspecteur stelt, moet worden aangemerkt. Verder is in geschil welk BPM-regime moet worden toegepast. Belanghebbende gaat voor de bepaling van de bruto BPM uit van de datum eerste toelating in Duitsland. De Inspecteur gaat uit van de registratiedatum in Nederland.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens wat betreft de verzuimboete, tot de gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur stelt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4. Beoordeling van het geschil
Nieuwe of gebruikte personenauto
Belanghebbende stelt dat sprake is van een gebruikte personenauto omdat de auto met open ramen door een wasstraat is gereden en als gevolg daarvan schade heeft opgelopen.
De Inspecteur stelt dat de auto, gelet op de lage kilometerstand, niet of nauwelijks in het buitenland op de weg in gebruik is geweest en daarom aangemerkt moet worden als een nieuwe personenauto.
Het onderscheid tussen een nieuwe of gebuikte personenauto is van belang voor de hoogte van de verschuldigde BPM. Deze wordt op grond van artikel 9 van de Wet BPM bepaald. Voor gebruikte personenauto’s wordt op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de wet BPM een vermindering toegepast op de BPM.
Voor de vraag of sprake is van een gebruikte of een nieuwe personenauto is de staat van de personenauto op het tijdstip van de registratie in het Nederlandse kentekenregister bepalend. Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest. Een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, blijft daarom voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet BPM een nieuwe personenauto. Dat een personenauto door de (ver)koper daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest, valt op te maken uit het aantal gereden kilometers van de auto (vgl. HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528 en HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1672).
Het Hof is op basis van de kilometerstand van de auto ten tijde van de registratie van 30 kilometer van oordeel dat de auto na de vervaardiging ervan in het buitenland niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. Dit betekent dat de auto ten tijde van de registratie in Nederland voor het bepalen van de BPM moet worden aangemerkt als een nieuwe personenauto. De omstandigheid dat de auto op dat moment waterschade had, maakt dat oordeel niet anders. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, zoals de aanwezigheid van steenslag of de diepte van het profiel van de banden, doet daaraan evenmin af.
BPM regime
Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat auto’s van het type X5 in de onderhavige uitvoering tot 1 juli 2020 op de Nederlandse markt zijn gebracht, maar daarna tijdelijk niet meer nieuw in Nederland zijn geleverd en geregistreerd. Dit betekent, zo heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof zijn stelling desgevraagd nader toegelicht, dat ook voor nieuwe personenauto’s, in afwijking van de hoofdregel voor de bepaling van de verschuldigde BPM moet worden aangesloten bij de datum van eerste toelating in Duitsland van 4 maart 2020 en de tot 1 juli 2020 geldende ‘New European Driving Cycle’ (hierna: NEDC) methode, toen auto’s van het type X5 in de onderhavige uitvoering in Nederland nog wel werden geleverd. De CO2-uitstootwaarde volgens die methode is volgens belanghebbende 162 gram per kilometer. De Inspecteur is voor de bepaling van de CO2-uitstootwaarde (van 211 gram per kilometer) in de naheffingsaanslag uitgegaan van de registratiedatum van de auto in Nederland en de sinds 1 juli 2020 geldende Worldwide harmonised Light-duty vehicles Test Procedures (hierna: WLTP).
Tot 1 juli 2020 werd de grondslag voor de heffing van BPM gevormd door de CO2-uitstootwaarde die is vastgesteld overeenkomstig bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008. Dit is de methode die wordt aangeduid als de NEDC. Met ingang van 1 juli 2020 wordt de grondslag voor de heffing van BPM gevormd door de CO2-uitstootwaarde die is vastgesteld overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017. Dit is de methode die wordt aangeduid als de WLTP.
Naar het oordeel van het Hof, dient voor de auto, nu gelet op het onder 4.4 en 4.5 overwogene sprake is van een nieuwe personenauto, de CO2-uitstoot te worden vastgesteld aan de hand van de WLTP-methode, die geldt ten tijde van de tenaamstelling van de auto in het kentekenregister op 18 december 2020 . Het Hof is van oordeel dat de onderhavige BPM-heffing ter zake van de auto niet ertoe leidt dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU door Nederland wordt geschonden. Nederland maakt bij de heffing van BPM geen onderscheid naar de herkomst van de auto. De heffing op een nieuwe ingevoerde personenauto wijkt daarom niet af van de heffing op een nieuwe niet-geïmporteerde personenauto. De vergelijkbaarheid van de door belanghebbende aangedragen, reeds in Nederland geregistreerde, gebruikte referentie-auto’s is niet relevant. De omstandigheid dat na 1 juli 2020 tijdelijk de onderhavige uitvoering van dit type auto niet meer geleverd is in Nederland, maakt het voorgaande oordeel niet anders.
Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd.
Slotsom
Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5. Proceskosten en griffierecht
Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2023.
De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,
te onderteken.
(G.B.A. Brummer)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 8 maart 2023.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.