ECLI:NL:GHARL:2023:2770

ECLI:NL:GHARL:2023:2770, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-03-2023, Wahv 200.312.779

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 30-03-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer Wahv 200.312.779
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Hoorn
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004581 BWBR0006358 BWBR0025798

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft € 15 toegekend voor indienen administratief beroepschrift. Dat de gemachtigde, een professioneel rechtsbijstandsverlener, veel procedeert en gebruikmaakt van tekstblokken, rechtvaardigt niet dat wordt afgeweken van de forfaitaire bedragen voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gebleken dat die bedragen de daadwerkelijke kosten ver zouden overtreffen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2022, betreffende

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, die beslissing gewijzigd en de sanctie gematigd tot een bedrag van

€ 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 529,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding die is toegekend voor het indienen van een administratief beroepschrift. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter daarvoor ten onrechte slechts € 15,- heeft toegekend.

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd naar € 250,-, omdat tijdens de procedure het sanctiebedrag voor de betreffende feitcode was verlaagd. Er is een proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 529,75, die als volgt is opgebouwd:

- indienen administratief beroepschrift: € 15,-

- telefonische hoorzitting officier van justitie: 0,5 punt x € 541,- x wegingsfactor 0,5

- indienen beroepschrift kantonrechter: 1 punt x € 759,- x wegingsfactor 0,5.

3. De kantonrechter heeft onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:HR:2015:2990) met betrekking tot de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift overwogen dat het vasthouden aan het puntensysteem uit het Bpb ertoe zou leiden dat de toegekende vergoeding de werkelijke kosten ver zou overtreffen. De kantonrechter neemt in aanmerking dat de onderneming van de gemachtigde jaarlijks zeer vele administratief beroepschriften indient. Het beroepschrift wordt gekenmerkt door ‘bouwstenen’ en aangenomen kan worden dat er veel sprake is van “digitaal knip- en plakwerk” of een grotendeels geautomatiseerd proces. Het administratief beroepschrift bevat in dit geval geen specifiek op de zaak toegespitste beroepsgronden. Daarom matigt de kantonrechter de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift. Hij acht € 15,- een redelijke vergoeding.

4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor licht (waarde 0,5) is. De gemachtigde verwijst hiervoor naar het arrest van het hof van 12 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3775) en ziet geen aanleiding om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. Onder verwijzing naar een brief van de procureur-generaal met betrekking tot de proceskostenvergoeding voor telefonische hoorzittingen in de Wahv-procedure, voert de gemachtigde verder aan dat het hof ruimte toekomt invulling te geven bij proceskostenvergoeding in Wahv-zaken. Het meervoudige arrest heeft invulling gegeven en de kantonrechter heeft dit niet onderkend.

5. In het arrest van het hof van 12 mei 2022 is overwogen dat, in verband met de uniforme toepassing het Bpb, de door de kantonrechter toegepaste wegingsfactor zich niet voor marginale, maar volle toetsing leent. Het hof stelt vast dat in deze zaak de door de kantonrechter gebezigde argumenten niet betrekking hebben op het gewicht van de zaak, maar op de door de gemachtigde geleverde inspanning. Dit heeft betrekking op de toe te kennen punten. De vraag die hier voorligt is of de kantonrechter met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift kon matigen naar € 15,-.

6. Uit het arrest van de Hoge Raad dat door de kantonrechter is genoemd volgt dat aanleiding bestaat voor een afwijking van de forfaitaire regeling als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.

7. Vaststaat dat de betrokkene in het gelijk is gesteld en aanspraak maakt op toekenning van een proceskostenvergoeding (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Het hof stelt daarbij voorop dat bij de toekenning daarvan artikel 2, derde lid, van het Bpb in beginsel terughoudend dient te worden toegepast, gelet op het forfaitaire karakter van dat besluit.

8. Het hof is van oordeel dat in dit geval onvoldoende gebleken is dat de forfaitaire vergoeding de in redelijkheid gemaakte kosten overtreft en een bedrag van € 15,- redelijk zou zijn. In het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad was sprake van een zekere mate van samenhang tussen zaken en zou de totaal toegekende proceskostenvergoeding de in redelijkheid gemaakte kosten overtreffen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Er is geen informatie over zaken waarmee eventueel samenhang bestaat of die gelijktijdig zijn behandeld. De omstandigheid dat de onderneming waarvoor de gemachtigde werkzaam zeer veel beroepschriften indient, gebruik zou maken van een geautomatiseerd proces en in dit geval het administratief beroepschrift geen relevante beroepsgronden bevat, is daarvoor onvoldoende. Ook overigens is van een andere bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, niet gebleken. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van bijzondere omstandigheden te matigen.

9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen ten aanzien van de vergoeding die is toegekend voor de fase van het administratief beroep en zelf de vergoeding vaststellen. De gemachtigde van de betrokkene heeft een administratief beroepschrift ingediend. Daarvoor wordt één punt toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt € 597,-. De proceskosten worden voor de fase van het administratief beroep bedragen € 447,75 (1,5 x € 597,- x 0,5).

10. De proceshandelingen in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde van de betrokkene heeft een hoger beroepschrift ingediend. Daarvoor wordt één punt toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak, de gemachtigde wordt enkel in het gelijk gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 209,25 (= 1 x € 837,- x 0,25).

11. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding voor de fase van het administratief beroep;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 657,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Wijmenga

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?