GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01824
uitspraakdatum: 18 april 2023
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2021, nummer AWB 20/5138, ECLI:NL:RBGEL:2021:6207, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en een verzuimboete opgelegd.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd en de belastingrente en de verzuimboete dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de verzuimboete vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023. De zaak is ter zitting behandeld gelijktijdig met de zaak met nummer 21/01823. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Namens belanghebbende is verschenen [naam3] , bijgestaan door [naam4] en [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
In deze uitspraak wordt steeds verwezen naar de wettelijke bepalingen zoals deze luidden in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft.
2. De vaststaande feiten
Belanghebbende drijft een onderneming bestaande uit het uitoefenen van een uitzend-, detacherings-, werving- en selectiebureau, zowel in Nederland als binnen andere landen van de Europese Unie en landen gelegen in het gebied van het voormalige Oostblok, detacheren en intermediaire diensten, payrolling, handel en verhuur van machines, gereedschappen en apparaten. Zij heeft in het onderhavige tijdvak op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) de premiekorting oudere werknemer toegepast in verband met onder meer de hierna te noemen werknemer.
Op 1 november 2011 is [de werknemer] (geboren in 1958) bij belanghebbende in dienst getreden. Op 25 januari 2013 is [de werknemer] uit dienst gegaan. Op 12 september 2013 is [de werknemer] opnieuw bij belanghebbende in dienst getreden, aansluitend aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (hierna: WW-uitkering). Belanghebbende heeft toen de premiekorting oudere werknemer niet in mindering op de door haar verschuldigde premies gebracht. Op 17 maart 2014 is [de werknemer] uit dienst gegaan. Op 15 september 2014 is [de werknemer] opnieuw bij belanghebbende in dienst getreden, aansluitend aan een WW-uitkering. Op 18 oktober 2015 is [de werknemer] uit dienst gegaan. Op 15 augustus 2016 is [de werknemer] wederom bij belanghebbende in dienst getreden, aansluitend aan een WW-uitkering. Belanghebbende heeft de premiekorting oudere werknemer vanaf 15 september 2014 in mindering op de door haar verschuldigde premies gebracht.
3. Het geschil
In geschil is of belanghebbende voor [de werknemer] (hierna ook: de werknemer) in het tijdvak na 12 september 2016 recht heeft op de premiekorting oudere werknemer.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de premiekortingsperiode ten aanzien van [de werknemer] liep van 12 september 2013 tot 12 september 2016 en dat belanghebbende daarom in verband met [de werknemer] geen premiekorting oudere werknemer kan toepassen na 12 september 2016.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 3.21 van de Regeling Wfsv blijkens het erboven geplaatste kopje slechts van toepassing is ‘na niet volledig genoten premiekortingsperiode’. Verder geldt het eerste lid alleen ‘indien een werkgever niet gedurende een periode van in totaal drie (…) jaar premiekorting (…) heeft toegepast’. In het onderhavige geval is ten aanzien van [de werknemer] vóór 15 september 2014 geen sprake van enige ‘genoten premiekortingsperiode’ en evenmin heeft belanghebbende premiekorting toegepast, omdat zij niet wist dat [de werknemer] onmiddellijk voorafgaand aan 12 september 2013 recht had op een WW-uitkering.
De Inspecteur concludeert tot uiteindelijk vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag en de belastingrente en tot vernietiging van de verzuimboete. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van [de werknemer] is in het onderhavige tijdvak voldaan aan de voorwaarden van artikel 47 van de Wfsv. Die bepaling stelt op zichzelf geen beperkingen aan het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast bij onderbrekingen van het dienstverband. Omdat [de werknemer] al eerder bij belanghebbende in dienst was, gelden echter tevens de op grond van artikel 50c, eerste lid, van de Wfsv gestelde regels in artikel 3.20 en artikel 3.21 van de Regeling Wfsv. Op grond van die bepalingen wordt het recht op premiekorting beperkt na een volledig (artikel 3.20) of niet volledig (artikel 3.21) genoten premiekortingsperiode.
Blijkens de toelichting op deze bepalingen komen de artikelen 3.20 en 3.21 in de plaats van de Regeling onderbroken en opeenvolgende dienstverbanden (hierna: de Regeling). Uit de toelichting op de Regeling blijkt dat deze regels noodzakelijk worden geacht “om onduidelijkheden in verband met eventuele samenloop tussen premiekortingsperioden en ter voorkoming van misbruik”. Deze toelichting strookt met de toelichting die is gegeven op artikel 50c, eerste lid, van de Wfsv.
Belanghebbende wist niet dat [de werknemer] onmiddellijk voorafgaand aan de eerdere dienstbetrekking bij belanghebbende recht had op een WW-uitkering. Om deze reden heeft zij de premiekorting toen niet toegepast, hoewel daarop wel recht bestond. Bij de volgende indiensttreding wist belanghebbende wel dat [de werknemer] uit de WW kwam, dus ging zij ervan uit dat zij recht had op premiekorting. Pas nadat de Belastingdienst in 2020 een onderzoek had ingesteld, kwam belanghebbende erachter dat zij al eerder recht had gehad op premiekorting, maar in verband met tijdsverloop kon zij dat recht niet meer geldend maken. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende gedurende de eerdere dienstbetrekkingen het recht op premiekorting heeft ‘genoten’ of ‘toegepast’, als bedoeld in (de opschriften van) de artikelen 3.20 en 3.21 van de Regeling Wfsv. Evenmin kan worden geoordeeld dat de in artikel 47, eerste lid, van de Wfsv bedoelde driejaarstermijn waarin de premiekorting wordt toegepast, is omgekomen als bedoeld in artikel 3.20 van de Regeling Wfsv. Er is geen sprake van misbruik of van samenloop, waarop artikelen 3.20 en 3.21 van de Regeling Wfsv het oog hebben. Naar het oordeel van het Hof staan – anders dan de Inspecteur betoogt – de artikelen 3.20 en 3.21 van de Regeling Wfsv in dit geval niet in de weg aan toepassing van de premiekorting.
De Inspecteur heeft nog aangevoerd dat de premiekorting is bedoeld om werkgevers te stimuleren werkloze ouderen in dienst te nemen. Belanghebbende heeft [de werknemer] aanvankelijk in dienst genomen zonder dat zij wist dat recht bestond op de premiekorting. Kennelijk behoefde belanghebbende niet door middel van een premiekorting tot indienstneming te worden gestimuleerd, aldus de Inspecteur.
Naar het oordeel van het Hof is het recht op de premiekorting oudere werknemer niet afhankelijk van de vraag of de werkgever ook zonder het recht op premiekorting de oudere werknemer in dienst zou hebben genomen. Overigens is dit voor het onderhavige geschil niet van belang, aangezien het hier niet gaat om premiekorting bij de eerste indienstneming van een werknemer.
Verder voert de Inspecteur, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, aan dat de periode van premiekorting aansluit bij de tijd die een werkzoekende nodig zou hebben om kennis en vaardigheden op te bouwen. De Inspecteur leidt daaruit af dat de premiekortingsregeling is bedoeld voor werkgevers en werknemers die nog onbekend zijn met elkaar en dat het daarom logisch is dat wordt aangesloten bij de eerste dienstbetrekking. Hij wijst in dit verband op het per 1 januari 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv.
Naar het oordeel van het Hof richt de premiekorting zich op de indienstneming van werkloze oudere werknemers in het algemeen, zonder dat daarbij voorwaarden gelden voor de mate waarin de werknemer bepaalde kennis en vaardigheden moet opbouwen. Ook is niet van belang of werkgever en werknemer elkaar al kennen. Ook in deze gevallen kan de premiekorting de werkgever stimuleren een oudere werkloze in dienst te nemen, in overeenstemming met het doel van de regeling. Deze stellingen van de Inspecteur doen daarom niet af aan het oordeel van het Hof.
De Inspecteur voert voorts aan dat uit de tekst van artikel 47 van de Wfsv volgt dat de premiekortingsperiode ook aanvangt als de werkgever ervoor kiest de premiekorting niet toe te passen. Het Hof acht dit standpunt, wat daar ook van zij, voor het onderhavige geschil niet van belang, aangezien het niet toepassen van de premiekorting in de eerdere dienstbetrekking niet het gevolg was van een keuze van belanghebbende, maar van de omstandigheid dat zij niet wist dat de werknemer direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een WW-uitkering genoot.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Omdat het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is, bepaalt het Hof dat van de Inspecteur € 541 griffierecht wordt geheven.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Daarbij merkt het Hof de zaken met nummer 21/01823 en 21/01824 aan als samenhangende zaken.
Gelet op het vorenstaande is in dit geval sprake van minder dan vier samenhangende zaken. De factor voor samenhangende zaken bedraagt daarom 1.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op de helft van € 1.674 (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak) × wegingsfactor 1 (samenhangende zaken) € 837), derhalve € 837.
6. Beslissing
Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 837, en
– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 541.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel en mr. M.T.M. Hennevelt als griffiers.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.