ECLI:NL:GHARL:2023:5857

ECLI:NL:GHARL:2023:5857, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-07-2023, 200.283.326/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-07-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.283.326/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Eindarrest over omvang schade, vervolg op ECLI:NL:GHARL:2022:2621 en 2023:1765.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.283.326/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel locatie Zwolle 236596)

arrest van 11 juli 2023

in de zaak van

Smid & Hollander Dakbouw B.V.,

gevestigd in De Meern,

appellante,

bij de rechtbank: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: S&H,

advocaat: mr. H.J.G.M. te Woerd,

tegen

[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.J. Luursema.

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 28 februari 2023 hebben beide partijen een akte genomen.

Hierna hebben partijen arrest gevraagd.

2. De stand van zaken op grond van het tussenarrest van 28 februari 2023

In het laatste tussenarrest is overwogen dat S&H voor de projecten 1, 3, 6, 9 en 15 recht heeft op betaling van (€ 7.474,83 + 4.160 + 72 + 5.650 + 35 is) € 17.391,83 waarbij nog een PM-post openstaat voor project 1.

Daarnaast is geoordeeld dat S&H een bedrag van € 4.160 in rekening mag brengen voor onderzoekskosten.

Met betrekking tot de PM-post diende S&H [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen het nog niet herstelde dak van project 1 te inspecteren, waarna (als partijen niet tot een andere regeling konden komen) S&H opgave diende te doen van de daadwerkelijke kosten van het schadeherstel, waarover [geïntimeerde] zich vervolgens mocht uitlaten.

3. De verdere beoordeling

S&H stelt nu dat zij [geïntimeerde] ‘na het arrest enige tijd de gelegenheid heeft gegeven het dak te inspecteren’, maar zij geeft niet aan dat zij iets meer heeft gedaan dan afwachten. Dat is van belang omdat [geïntimeerde] , onder bijvoeging van een verklaring van het door hem ingeschakelde bedrijf Dakindex, gemotiveerd heeft betwist dat de bewoner van het pand in Delfzijl de dakinspectie heeft toegelaten.

Daarmee staat onvoldoende vast dat S&H zich daadwerkelijk heeft ingespannen om [geïntimeerde] te laten inspecteren of sprake is van de door S&H gestelde, maar door [geïntimeerde] betwiste, onjuiste uitvoering van werkzaamheden aan dat dak en welk herstelwerk dat zou vergen.

De bewijslast van het gebrek en de gestelde kosten van herstel rust op S&H. In het tussenarrest van 5 april 2022 heeft het hof al, onder 3.26, overwogen dat er duidelijkheid moet komen over eventuele tekortkomingen bij de uitvoering van werkzaamheden aan het bewuste dak onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] . In het tussenarrest van 28 februari 2023 heeft het hof daaraan onder 3.5 tot en met 3.7 en onder 3.29 aandacht besteed. De gewenste duidelijkheid is er echter niet gekomen; de gestelde schade aan het dak is door S&H niet aannemelijk gemaakt. Daarmee valt het doek voor de PM-post.

Over de door [geïntimeerde] te betalen bedragen heeft S&H aanspraak gemaakt op wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in de rechtbankprocedure. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat het hof van die aanvangsdatum (11 januari 2019) zal uitgaan.

In het tussenarrest van 28 februari 2023 is onder 3.28 overwogen dat de proceskostenveroordeling in de rechtbankprocedure in stand blijft, en onder 3.29 is ook al aangegeven dat in hoger beroep compensatie van proceskosten in de rede ligt. Het hof blijft daarbij. S&H heeft nog wel gevraagd om [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de beslagen, die voorafgaand aan de rechtbankprocedure waren gelegd.

S&H ziet dan over het hoofd dat partijen in hun vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2020 afspraken hebben gemaakt over de derdenbeslagen onder de Rabobank. Het beslag op de onroerende zaak in [woonplaats1] was niet in die afspraak betrokken. Omdat een deel van het door S&H gevorderde bedrag toewijsbaar is, is dat beslag niet ten onrechte gelegd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen in de kosten daarvan, te weten € 310,68 (€ 220,40 en € 90,28).

Wat S&H meer of anders heeft gevorderd, wordt afgewezen.

4. De beslissing

Het hof doet recht in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2020, behoudens voor zover de kosten van het beslag op de onroerende zaak in [woonplaats1] zijn afgewezen;

- veroordeelt [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, om aan S&H te betalen:

€ 21.551,83 met wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2019;

€ 310,68 kosten van beslag op de onroerende zaak in [woonplaats1] ;

- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep voor het overige, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten moet dragen;

- wijst af wat S&H meer of anders heeft gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, J.H. Kuiper en W.A. Zondag en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

11 juli 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?