Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 468.720,27 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Ter terechtzitting van de rechtbank van 13 april 2018 heeft de officier van justitie het bedrag van de vordering teruggebracht tot € 252.713,10.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 252.713,10 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft ter terechtzitting verklaard dat het bedrag van de schatting van de rechtbank van het wederrechtelijk verkregen voordeel te hoog is. Hij heeft de betaling van de aandelen in [bedrijfsnaam] weliswaar ontvangen op zijn (gezamenlijke) bankrekening, maar daar heeft hij ook goud van gekocht. De aankoopsom van het goud moet worden aangemerkt als kosten, die van het ontvangen bedrag moeten worden afgetrokken. Dan blijft er, volgens betrokkene, maar ongeveer € 40.000,-- tot
€ 50.000,-- over.
De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat het goud deel uit is gaan maken van het vermogen van de betrokkene. Het dossier omvat wel contra-indicaties voor de aannemelijkheid dat het goud bij betrokkene terecht is gekomen. Zo is -conform de verplichtingen voortvloeiende uit de aandelenovereenkomst- het goud voor een groot deel rechtstreeks overgedragen aan [bedrijfsnaam 2]
De rest van het goud is afgehaald door [getuige] en betrokkene. Betrokkene stelt dat hij het door hem zelf opgehaalde goud op 25 januari 2016 heeft afgegeven aan [medeverdachte] .
Bij de overdacht van het goud door [getuige] in het [gebouw] is betrokkene niet aanwezig geweest. Dat blijkt uit de bankafschriften van zijn echtgenote. Betrokkene gebruikte haar bankpas om parkeergelden te betalen en er is geen afschrijving van parkeergeld te zien op 25 januari 2016 in de buurt van het [gebouw] .
De raadsman heeft verder gesteld dat betrokkene alleen een commissie heeft ontvangen ter hoogte van € 20.000,-- .
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat betrokkene samen met [medeverdachte] een constructie heeft opgezet om de geldbedragen wit te wassen. De uit de oplichting afkomstige gelden zijn (deels) op de bankrekening van betrokkene overgemaakt en betrokkene heeft daarvan zes kilo goud gekocht. Betrokkene en [medeverdachte] konden dus samen over het geld en de goudstaven beschikken. Daarom kan de betalingsverplichting hoofdelijk worden opgelegd.
Er is geen aanleiding om de betalingsverplichting te matigen. En hoewel het vonnis in de strafzaak inmiddels onherroepelijk is geworden en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen, worden die vorderingen , conform artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht, pas in mindering gebracht als deze zijn voldaan en daarvan is nog geen sprake
Oordeel van het hof
De betrokkene is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 januari 2020 ter zake van het medeplegen van witwassen (te weten: het, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, omzetten en gebruik maken van geldbedragen ter hoogte van totaal € 445.000,--) veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Het hof stelt voorop dat het niet zal uitgaan van de verklaringen van betrokkene over de hoogte van het verkregen voordeel. Het hof acht de verklaringen van betrokkene over de aandelentransactie, de aankoop van het goud en de leveringen aan [medeverdachte] ongeloofwaardig.
De verklaringen van betrokkene zijn niet alleen inconsistent, maar op cruciale punten ook aantoonbaar onjuist.
Betrokkene heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij zo’n € 10.000,-- tot
€ 15.000,-- aan de transactie heeft verdiend. De raadsman van betrokkene heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat betrokkene € 20.000,-- (commissie) aan de transactie heeft verdiend. Betrokkene zelf verklaarde ter zitting dat het voordeel tussen de € 40.000,-- en € 50.000,-- (winst) zou zijn geweest.
Betrokkene heeft ook verklaard dat hij [ naam 1] niet kent. Getuige [getuige] heeft echter verklaard dat [verdachte] en [ naam 1] , elkaar regelmatig troffen in het [gebouw] te [plaats] en ‘goed met elkaar omgingen’.
Naar het oordeel van het hof komt uit het dossier naar voren dat betrokkene en [ naam 1] een constructie hebben opgezet, die tot doel had zoveel mogelijk van de op de bankrekening van [bedrijfsnaam 2] overgemaakte geldbedragen bij [verdachte] terecht te laten komen. Er is geen redelijke alternatieve verklaring voor de aandelenoverdracht van [bedrijfsnaam] aan [bedrijfsnaam 2] De verklaringen die betrokkene ter terechtzitting heeft getracht te geven voor de merkwaardige overeenkomst die aan de transactie ten grondslag ligt, snijden geen van alle hout. [verdachte] heeft in totaal € 252.713,10 ontvangen ten gevolge van de aandelenoverdracht. Dat bedrag is aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel. Een groot deel van dat bedrag is besteed aan het kopen van goudstaven. Uit de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige] leidt het hof af dat alle goudstaven uiteindelijk in bezit zijn gekomen van betrokkene.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 252.713,10, zijnde de geldbedragen die notaris [naam 2] op de gezamenlijke bankrekening van betrokkene en zijn echtgenote heeft overgemaakt. De verdediging heeft niet betwist dat dit bedrag ter beschikking van betrokkene is gekomen en heeft ook geen uit dit bedrag betaalde kosten opgevoerd.
De aankoop van de goudstaven kunnen niet als inkoopkosten worden aangemerkt, zoals betrokkene heeft betoogd. Die aankoop betreft slechts een omzetting van het voordeel.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Overschrijding van de redelijke termijn
Het hof is - met de raadsman- van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met ongeveer anderhalf jaar is overschreden. Betrokkene heeft op
28 januari 2020 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank. Het hof zal ter compensatie van de overschrijding de betalingsverplichting met € 5.000,-- verminderen.
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat daarom stellen op € 247.713,10.
De rechtbank heeft betrokkene en [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichting. Het hof heeft [medeverdachte] bij arrest van 12 juli 2023 vrijgesproken van het medeplegen van oplichting en witwassen. Zoals hierboven overwogen zijn er mogelijk anderen betrokken bij het witwassen, maar het hof is ervan overtuigd dat [verdachte] uiteindelijk over het volledige bedrag kon beschikken. De betalingsverplichting zal daarom geheel ten laste van betrokkene komen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 252.713,10 (tweehonderdtweeënvijftigduizend zevenhonderddertien euro en tien cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 247.713,10 (tweehonderdzevenenveertigduizend zevenhonderddertien euro en tien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. G. Dam en mr G. Voorhorst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 12 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.